ECLI:NL:RBBRE:2012:BY8835
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Rechtbank Breda bevestigt geldigheid navorderingsaanslag vermogensbelasting en onderzoekt immateriële schadevergoeding
De rechtbank Breda behandelde een geschil tussen de erven van een overleden belastingplichtige en de inspecteur van de Belastingdienst over navorderingsaanslagen inkomsten- en vermogensbelasting. De kern van het geschil betrof de geldigheid en tijdigheid van de navorderingsaanslag vermogensbelasting 1991, de rechtmatigheid van het gebruikte bewijs en de vraag naar een immateriële schadevergoeding wegens de lange duur van de procedure.
De rechtbank oordeelde dat de eerste navorderingsaanslag, ondanks een foutief vermeld aanslagnummer, rechtsgeldig was opgelegd en niet was vervallen door het uitreiken van een tweede biljet met correct aanslagnummer. De inspecteur had terecht gebruikgemaakt van de verlengde navorderingstermijn van 12 jaar, waarbij de rechtbank het tijdsverloop en de voortvarendheid van de inspecteur bij de opsporing en oplegging van de aanslagen beoordeelde als voldoende. Tevens werd geoordeeld dat de microfiches, verkregen via Belgische autoriteiten, niet onrechtmatig waren verkregen en als bewijs mochten worden gebruikt.
De rechtbank constateerde dat de bezwaar- en beroepsfase ruim negen jaar en zes maanden had geduurd, wat het vermoeden van overschrijding van de redelijke termijn opleverde. Daarom werd het onderzoek heropend voor een nadere uitspraak over een mogelijke immateriële schadevergoeding. De rechtbank zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en wees partijen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
Uitkomst: De navorderingsaanslag vermogensbelasting 1991 is tijdig en rechtsgeldig opgelegd; het beroep wordt ongegrond verklaard en het onderzoek naar immateriële schadevergoeding wordt heropend.