ECLI:NL:RBBRE:2011:BR1293
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Belastingrechtelijke beoordeling van aandelenopties aan werknemers en naheffingsaanslag loonbelasting
In deze zaak staat centraal of de in 1998/1999 aan werknemers van belanghebbende toegekende rechten op aandelen in belanghebbende als optierechten kwalificeren en of de daaruit voortvloeiende voordelen belast loon vormen. De rechtbank oordeelt dat de toezeggingen in de arbeidsovereenkomsten concreet, gekwantificeerd en bepaalbaar zijn, waardoor sprake is van afdwingbare aandelenoptierechten. De waardering van deze rechten dient te geschieden conform de Wet LB en de Uitvoeringsregeling loonbelasting 1964.
Op 31 januari 2000 hebben de werknemers de aandelen gekocht en vrijwel direct weer verkocht aan de moedervennootschap, hetgeen de rechtbank kwalificeert als vervreemding van de optierechten. De behaalde winst uit deze vervreemding is belast loon volgens artikel 10a Wet LB. De rechtbank oordeelt dat de voordelen belast zijn in het jaar 2001, niet 2000 zoals door de inspecteur gesteld, en dat de naheffingsaanslag dienovereenkomstig moet worden herrekend.
Verder stelt de rechtbank vast dat de naheffingsaanslag terecht aan belanghebbende is opgelegd, ondanks haar ontbinding na het belastingjaar. De boete wegens vermeende opzet wordt vernietigd omdat sprake is van een pleitbaar standpunt en belanghebbende is geadviseerd door een deskundige. De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt de naheffingsaanslag, boete en rentebeschikking, en veroordeelt de inspecteur in de proceskosten.
Uitkomst: De naheffingsaanslag loonbelasting wordt vernietigd en dient te worden herrekend met toepassing van de tarieven voor 2001; de boete wordt vernietigd.