ECLI:NL:RBBRE:2008:BD0821
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - meervoudig
- C.A.F.M. Stassen
- A.A. den Hartog
- A.F.M.Q. Beukers-van Dooren
- Rechtspraak.nl
Belastingheffing restbegunstiging pensioenregeling volgens Nederlands-Duits belastingverdrag
Belanghebbende, een inwoner van Duitsland, ontving een restbegunstiging uit de Nederlandse pensioenregeling van zijn overleden vader. Over dit bedrag werd loonheffing ingehouden door Nederland. Belanghebbende betwistte deze inhouding en stelde dat de heffing aan Duitsland toekomt op grond van artikel 12 van Pro het belastingverdrag tussen Nederland en Duitsland.
De rechtbank onderzocht welk artikel van het verdrag van toepassing is: artikel 10 (niet-zelfstandige arbeid) of artikel 12 (pensioenen en sociale zekerheidsuitkeringen). De rechtbank concludeerde dat artikel 10 alleen Pro betrekking heeft op inkomsten uit tegenwoordige dienstbetrekking, terwijl de restbegunstiging inkomsten uit vroegere dienstbetrekking betreft.
Met verwijzing naar jurisprudentie en het commentaar bij het OESO-Modelverdrag, stelde de rechtbank vast dat de restbegunstiging onder artikel 12 valt Pro, ongeacht of het bedrag ineens wordt uitgekeerd of periodiek. De inhouding van loonheffing door Nederland was daarom onterecht en het beroep van belanghebbende werd gegrond verklaard.
Uitkomst: De inhouding van loonheffing door Nederland op de restbegunstiging is onterecht; de heffing is aan Duitsland toegewezen.