ECLI:NL:RBBRE:2006:AV1023
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Toepassing infiltratievrijstelling grondwaterbelasting bij spoelwaterlozing voor peilhandhaving meren
Belanghebbende, een watervoorzieningsbedrijf, maakte bezwaar tegen de grondwaterbelasting die zij had voldaan over de jaren 1995 tot en met 2003, met name vanwege de toepassing van de infiltratievrijstelling voor spoelwater dat zij loost op twee meren (T en V). De rechtbank oordeelt dat belanghebbende op grond van een vergunning verplicht is water te lozen op deze meren om de waterstand op peil te houden, wat in rechtstreeks verband staat met het onttrekken van grondwater.
De rechtbank stelt vast dat het geloosde spoelwater infiltreert in de bodem van de meren en dat deze infiltratie in overeenstemming is met de vergunningsvoorwaarden en direct verband houdt met de onttrekking van grondwater. Daarom is de infiltratievrijstelling van artikel 3.1.e WBM van toepassing, maar beperkt tot de hoeveelheid water die noodzakelijk is voor het op peil houden van de waterstand, vastgesteld op 180.000 m3 per jaar.
Het bezwaar tegen de belasting over de maanden oktober en november 2003 wordt ontvankelijk verklaard en gegrond bevonden, met toekenning van een teruggaaf van €4.380. Daarnaast veroordeelt de rechtbank de inspecteur tot vergoeding van proceskosten en een forfaitaire schadevergoeding voor de kosten van de bezwaarfase, vanwege onduidelijkheid over de uitspraken op bezwaar.
De uitspraak is gedaan door rechter A.F.M.Q. Beukers-van Dooren op 19 januari 2006 en benadrukt het belang van duidelijke communicatie door het bestuursorgaan bij gecombineerde uitspraken op bezwaar.
Uitkomst: Belanghebbende krijgt teruggaaf grondwaterbelasting en vergoeding van proceskosten wegens toepassing infiltratievrijstelling op spoelwaterlozing.