ECLI:NL:RBAMS:2026:7684

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
11 juni 2026
Publicatiedatum
27 juli 2026
Zaaknummer
13/066469-24
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 33 SrArt. 33a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling wegens verkrachting tijdens massage met vingering

De rechtbank Amsterdam heeft op 11 juni 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte, die werd beschuldigd van verkrachting door middel van vingering tijdens een massage op 16 oktober 2023. De rechtbank oordeelde dat verdachte, als professioneel masseur, misbruik heeft gemaakt van zijn positie en het vertrouwen van het slachtoffer heeft geschonden.

De verklaring van het slachtoffer werd als betrouwbaar beoordeeld, mede ondersteund door getuigenverklaringen over haar emotionele toestand direct na de massage en forensisch bewijs van het NFI dat massageolie met dezelfde triglyceriden als aangetroffen bij het slachtoffer bevatte. Het verweer van verdachte, waaronder ontkenning en het aanvoeren van erectieproblemen, werd verworpen.

De rechtbank stelde vast dat verdachte het slachtoffer door een feitelijkheid had gedwongen de seksuele handelingen te ondergaan, waardoor sprake was van verkrachting. De strafmaat werd vastgesteld op 18 maanden gevangenisstraf, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, rekening houdend met de ernst van het feit en persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Daarnaast werd een immateriële schadevergoeding van €3.000 toegekend aan het slachtoffer, met wettelijke rente vanaf de datum van het delict. Een beroepsverbod werd niet opgelegd vanwege het lage recidiverisico en het ontbreken van eerdere veroordelingen voor soortgelijke feiten.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 18 maanden gevangenisstraf, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, en toekenning van €3.000 immateriële schadevergoeding aan slachtoffer.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/066469-24
Datum uitspraak: 11 juni 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[de verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1958,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP-adres] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 28 mei 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. S. de Bont en van wat verdachte en zijn raadslieden, mr. P. Metgod en mr. J.D. Lucieer, naar voren hebben gebracht.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van de vordering tot schadevergoeding van aangeefster, [aangeefster] , die de officier van justitie namens haar heeft ingediend en haar schriftelijke slachtofferverklaring die de officier van justitie op de terechtzitting heeft voorgelezen.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat
primair:
hij, op of omstreeks 16 oktober 2023 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, [aangeefster] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [aangeefster] , immers heeft hij, verdachte, meermalen (zo’n 20 tot 30 keer) althans eenmaal, onverhoeds zijn vinger(s) in de vagina van die [aangeefster] geduwd/gebracht en/of haar vagina en/of schaamlippen en/of clitoris betast en/of aangeraakt, en bestaande dat geweld en/of die feitelijkheden en/of die bedreiging met geweld en/of feitelijkheden hierin dat verdachte als masseur in het kader van een behandeling/massage van die [aangeefster] waarbij die [aangeefster] naakt op de massagetafel lag (in welke situatie verdachte een bepaald overwicht op haar had), die [aangeefster] in een afhankelijkheidsrelatie met hem, verdachte heeft gebracht en zodoende een psychisch overwicht op die [aangeefster] heeft opgebouwd/verworven;
subsidiair:
hij, op of omstreeks 16 oktober 2023 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, terwijl hij als masseur werkzaam was in de gezondheidszorg en/of maatschappelijke zorg, ontucht heeft gepleegd met [aangeefster] , die zich als patiënt en/of cliënt aan verdachtes hulp en/of zorg had toevertrouwd, immers heeft hij, verdachte,
- meermalen, althans eenmaal, zijn vinger(s) in de vagina van die [aangeefster] geduwd/gebracht, en/of
- meermalen, althans eenmaal, de vagina, clitoris en/of de schaamstreek van die [aangeefster] betast, en/of
- de borsten van die [aangeefster] betast/aangeraakt;

3.Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4.Waardering van het bewijs

4.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde feit kan worden bewezen en heeft ter onderbouwing gewezen op de verklaringen van aangeefster van 16 oktober 2023 en 21 december 2023, de getuigenverklaringen van [getuige 1] , [getuige 2] , [getuige 3] en [getuige 4] , de waarnemingen van de politie tijdens de verklaring van aangeefster, het NFI-rapport van
2 februari 2024 en de melding van [naam] .
4.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft vrijspraak van het ten laste gelegde bepleit nu niet kan worden bewezen dat verdachte de ten laste gelegde handelingen heeft gepleegd. De raadsvrouw heeft hiertoe aangevoerd dat verdachte stellig ontkent en dat de andersluidende verklaring van aangeefster onaannemelijk is onder meer omdat zij heeft verklaard dat verdachte gedurende de massage met een erectie tegen haar aan zou hebben gestaan, terwijl verdachte al jaren kampt met een erectieprobleem. Dit gegeven en inconsistenties in haar verklaringen maken dat de aangifte onvoldoende betrouwbaar is. Daarnaast heeft de raadsvrouw aangevoerd dat er te weinig (steun)bewijs is om tot een veroordeling te komen, omdat het aanwezige forensisch bewijs geen – of in ieder geval te weinig – bewijswaarde heeft en de getuigenverklaringen slechts ‘de-auditu’ verklaringen betreffen. De emoties van aangeefster kunnen volgens verdachte worden verklaard doordat deze zijn losgekomen door het openen van een zogeheten chakra.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezen. De rechtbank dient daartoe te beoordelen of de verklaring van aangeefster voldoende betrouwbaar is en of deze verklaring voldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen.
De rechtbank gaat op grond van de in de bijlage genoemde wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.
Betrouwbaarheid verklaring aangeefster
Aangeefster heeft twee verklaringen afgelegd over wat zou zijn voorgevallen tijdens haar massage bij [bedrijf] op 16 oktober 2023 van 19:00 uur tot 20:00 uur. Allereerst heeft aangeefster nog diezelfde avond aangifte gedaan van verkrachting. Ze heeft bij de politie verklaard dat ze een sportmassage had geboekt bij [bedrijf] en dat de massage begon als een gewone sportmassage waarbij haar nek en rug werden gemasseerd door middel van drukpunten. Op enig moment ging de masseur, zijnde verdachte, vanaf het midden van haar rug met steeds langere stroken masseren waarbij hij via de zijkant omlaag ging langs haar borsten en haar borsten steeds verder aanraakte. Hierna ging hij naar haar benen toe. Hij schoof de handdoek weg bij haar rechterbeen, verschoof haar been steeds meer naar rechts waardoor haar vagina steeds beter zichtbaar werd, masseerde de binnenkant van haar benen en raakte daarbij haar schaamlippen aan. Vervolgens heeft hij met zijn vinger rondjes om haar clitoris gedraaid en tegelijkertijd met een andere vinger haar vagina zeker 20 tot 30 keer gepenetreerd. Zij voelde paniek terwijl dit gebeurde, maar verstijfde. Op enig moment hoorde zij hem zeggen: ‘lekker he’. Hij stond toen met zijn benen ter hoogte van haar linker bovenarm. Zij voelde zijn stijve penis tegen haar arm. Na de massage, toen de masseur was weggelopen, begon zij te ‘shaken’ en te huilen. Zij heeft verder verklaard dat zij naar een baliemedewerkster, getuige [getuige 1] , is gelopen die haar vroeg of het wel goed met haar ging omdat zij zag dat aangeefster overstuur was en trilde. [getuige 1] heeft aangeefster vervolgens naar kamer gebracht. Aangeefster denkt dat zij toen tegen [getuige 1] heeft gezegd dat ze was gevingerd tijdens de massage. Eenmaal op haar kamer heeft zij direct haar beste vriend, getuige [getuige 4] , gebeld en heeft ze hem gevraagd haar te komen ophalen.
Op 21 december 2023 heeft aangeefster een aanvullende verklaring bij de politie afgelegd. Zij heeft toen nagenoeg gelijkluidend verteld over de handelingen van verdachte en de context waarbinnen deze hebben plaatsgevonden. Daaraan heeft zij toegevoegd dat hij op enig moment de handdoek zodanig van haar onderlichaam had ‘weg geklapt’ dat haar hele bil en rechterbeen was ontbloot. Doordat hij tijdens het masseren haar rechterbeen steeds meer naar buiten had geschoven, kwamen haar benen helemaal open en werd haar vagina zichtbaar. Ook heeft zij verteld dat zij niet bekend is met chakra’s en dat verdachte in een fantasiewereld leeft als hij denkt dat haar emoties zijn ontstaan omdat bij het masseren mogelijk door het aanraken van een chakra bij haar een trauma naar boven is gekomen.
De rechtbank acht de verklaringen van aangeefster voldoende betrouwbaar. Zij heeft beide keren gedetailleerd en consistent verklaard over wat haar is overkomen en over wat dit met haar deed. Aangeefster is ook heel nauwkeurig in haar (volgorde van) beschrijving van wat er volgens haar is gebeurd, hetgeen de betrouwbaarheid versterkt. De verklaringen zijn bovendien tot op detailniveau gelijkluidend geweest en zijn daarom ook consistente verklaringen die de rechtbank geen aanleiding tot twijfel geven.
De stelling van de verdachte dat het verhaal van aangeefster niet klopt omdat zij over een stijve penis verklaart die zij tegen haar bovenarm voelde, terwijl hij een erectiestoornis heeft, schuift de rechtbank terzijde. Dat verdachte een erectiestoornis zou hebben en op geen enkel moment meer een stijve penis kan krijgen is niet onderbouwd met medische stukken. Daarbij is de rechtbank van oordeel, dat zelfs al zou verdachte geen stijve penis kunnen krijgen, dit niet de conclusie rechtvaardigt dat de verklaring van aangeefster in zijn geheel niet (voldoende) betrouwbaar kan worden geacht, omdat dit slechts een onderdeel van haar verklaring betreft.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van aangeefster betrouwbaar is en voor het bewijs kan worden gebruikt.
Steunbewijs
In zedenzaken doet zich veelal de situatie voor dat naast het slachtoffer en de verdachte geen getuigen aanwezig zijn geweest bij de veronderstelde seksuele of ontuchtige handelingen. Bij een ontkennende verdachte brengt dit in veel gevallen mee dat slechts de verklaring van het slachtoffer als wettig bewijsmiddel kan dienen. Volgens artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) kan de rechter het bewijs dat verdachte de ten laste gelegde handelingen heeft gepleegd niet uitsluitend aannemen op de verklaring van één getuige (aangeefster). Er moet, met andere woorden, voldoende steunbewijs zijn, zoals verklaringen van derden die eigen waarnemingen of ondervindingen bevatten en die verband houden met het tenlastegelegde kunnen dienen tot steunbewijs. Bij het slachtoffer waargenomen emoties kunnen als zulke eigen waarnemingen worden aangemerkt. Volgens vaste rechtspraak is het voldoende dat het steunbewijs de unus-verklaring op concrete en wezenlijke punten bevestigt.
Naar het oordeel van de rechtbank vindt de verklaring van aangeefster voldoende steun in andere bewijsmiddelen.
Ten eerste heeft voornoemde getuige [getuige 1] verklaard dat zij om 20:00 uur aangeefster aan zag komen lopen aansluitend na de massage die zij had gehad en dat zij zag dat aangeefster verward was, alsof ze niet wist waar ze moest zijn. Zij zag aangeefster snikken en haar handdoek steviger vasthouden. [getuige 1] heeft haar niet alleen gelaten omdat ze zo overstuur was. Aangeefster was aan het shaken met haar polsbandje en heeft snikkend tegen haar gezegd “hij heeft mij gevingerd”. Aangeefster zei dat ze zich schaamde en wilde dat ze maar iets had gezegd. [getuige 1] vond het lijken alsof aangeefster bang was.
Ook heeft receptiemedewerker bij [bedrijf] , getuige [getuige 2] , verklaard dat aangeefster vlak na de massage bij haar is gekomen om te praten en dat aangeefster overstuur aankwam, heel erg aan het huilen was en haar toen in detail heeft verteld wat er is gebeurd. Aangeefster heeft verteld dat verdachte steeds meer haar rechterbeen naar buiten duwde en steeds met strelende bewegingen omhoog ging naar haar bovenbeen. Aangeefster heeft ook gezegd dat hij tegen haar schaamlippen aankwam. Dit ging een aantal keer zo door en hij ging met zijn vingers naar binnen, ze zei letterlijk: “hij heeft mij gevingerd”. Ze was er ook overstuur van dat het een aantal minuten heeft geduurd en dat ze niks had gedaan. Ze was volledig bevroren. [getuige 2] heeft tegen aangeefster gezegd dat het niet haar schuld was. Ze was zo aan het huilen en emotioneel.
Daarnaast heeft een vriend van aangeefster, getuige [getuige 4] , verklaard dat aangeefster hem in de avond van 16 oktober 2023 heeft opgebeld en dat hij hoorde dat haar stem anders was en dat zij heel hard begon te huilen. Toen hij bij [bedrijf] kwam om haar op te halen, trof hij haar daar huilend en overstuur aan en vertelde zij dat zij was verkracht door middel van vingeren. Daarnaast heeft hij verklaard dat hij aangeefster al lang kent en dat zij een sterke, krachtige vrouw is die dit soort dingen niet zou verzinnen.
De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw dat slechts sprake is van ‘de auditu’-getuigen. De verklaringen van de getuigen houden immers niet enkel een weergave in van hetgeen aangeefster aan deze getuigen heeft verklaard, maar behelzen voornamelijk een weergave van hetgeen deze getuigen zelf hebben waargenomen, namelijk de emoties van aangeefster (vlak) na de massage. De rechtbank oordeelt dat de waarnemingen van deze getuigen over de emoties van aangeefster voldoende steunbewijs opleveren naast de verklaring van aangeefster..
Tot slot wordt de verklaring van aangeefster ondersteund door het DNA-onderzoek van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI). Van het lichaam van aangeefster zijn na het opnemen van de aangifte op 16 oktober 2023 diverse bemonsteringen genomen ten behoeve van chemisch identificatie onderzoek. In de bemonsteringen van de buitenste schaamlippen (ZAAE4937NL#01), de binnenste schaamlippen (ZAAE4937NL#02) en diep vaginaal (ZAAE4937NL#03) is een verhoogde hoeveelheid triglyceriden aangetoond die van een externe bron afkomstig is. Triglyceriden zijn stoffen die onder meer de hoofdbestanddelen vormen van (plantaardige) oliën die de basisolie kunnen vormen van massageolie. De massageoliën die de politie in beslag heeft genomen bij [bedrijf] [AAPI4665NL] bevatten dezelfde soorten triglyceriden als die verhoogd zijn aangetroffen in de vaginale bemonsteringen. Verdachte heeft verklaard dat hij aangeefster heeft gemasseerd en daarbij gebruik heeft gemaakt van deze olie. De rechtbank is van oordeel dat deze resultaten van het NFI de verklaring van aangeefster dat verdachte tijdens de massage met zijn handen bij haar schaamlippen en in haar vagina is geweest, ondersteunen.
Alternatief scenario
De rechtbank is van oordeel dat er geen aanknopingspunten zijn voor de stelling van verdachte dat aangeefster door de massage van chakra’s emotioneel was. Aanwijzingen daarvoor ontbreken. Aangeefster ontkent dit stellig en ook wordt op geen enkele wijze door de getuigen, die verklaren over de emotionele toestand van aangeefster kort na de massage, melding gemaakt van omstandigheden die erop wijzen dat aangeefster zojuist een chakra massage had gekregen en dat dit emoties had opgeroepen. Allen verklaren dat aangeefster emotioneel werd, omdat zij tijdens de massage door verdachte was gevingerd.
Concluderend is de rechtbank van oordeel dat het door verdachte naar voren gebrachte alternatieve scenario niet aannemelijk is geworden.
Dwang
De vraag is vervolgens of kan worden bewezen dat verdachte aangeefster heeft gedwongen om deze seksuele handelingen te ondergaan en haar dus heeft verkracht. Van dwang door een feitelijkheid in de zin van artikel 242 Wetboek Pro van Strafrecht (oud) kan sprake zijn als een slachtoffer zich redelijkerwijs niet tegen een onverhoeds (onverwachts) handelen van verdachte heeft kunnen verzetten. De rechtbank is van oordeel dat verdachte aangeefster heeft gedwongen om de seksuele handelingen te dulden. Verdachte was als masseur werkzaam in [bedrijf] en had vanuit die functie gezag en overwicht. Aangeefster bevond zich in een kwetsbare positie. Zij lag (vrijwel) naakt op de massagetafel. Er was geen sprake van instemming van aangeefster met de gewraakte handelingen. In tegendeel. Uit de verklaringen van aangeefster volgt immers dat zij tijdens de massage werd overvallen door de ontuchtige handelingen van verdachte. Zij had deze handelingen niet verwacht, en niet hoeven verwachten, omdat zij een sportmassage had geboekt bij een officiële salon en zij geen seksuele intenties had. Zij wilde deze seksuele handelingen ook niet ondergaan. De setting en het onverhoedse handelen van verdachte hebben haar echter in de situatie gebracht dat zij verstijfde en hiertegen aldus geen weerstand kon bieden. Hierdoor heeft zij tegen haar wil in de seksuele handelingen van verdachte moeten dulden. Verdachte had dit niet alleen kunnen maar ook moeten weten, mede gelet op zijn jarenlange ervaring als beroepsmatig masseur.
Conclusie
Op basis van voorgaande overwegingen is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van aangeefster betrouwbaar is en op specifieke punten doorslaggevende steun vindt in ander bewijsmateriaal. Anders dan de raadsvrouw, acht de rechtbank dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft gepleegd.

5.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
op 16 oktober 2023 te Amsterdam, door een feitelijkheid, [aangeefster] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [aangeefster] , immers heeft hij, verdachte, meermalen (zo’n 20 tot 30 keer), onverhoeds zijn vinger in de vagina van die [aangeefster] gebracht en haar schaamlippen en clitoris aangeraakt, en bestaat die feitelijkheid hierin dat verdachte als masseur in het kader van een massage van die [aangeefster] waarbij die [aangeefster] naakt op de massagetafel lag (in welke situatie verdachte een bepaald overwicht op haar had), die [aangeefster] in een afhankelijkheidsrelatie met hem, verdachte heeft gebracht en zodoende een psychisch overwicht op die [aangeefster] heeft verworven
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6.De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7.De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8.Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Daarnaast verzoekt de officier van justitie de rechtbank aan verdachte een dadelijk uitvoerbaar beroepsverbod op te leggen voor uitoefening van het beroep van masseur (in brede zin) voor de duur van vijf jaren.
8.2.
Het standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft verzocht – voor het geval de rechtbank tot een veroordeling komt – om rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn welke termijn is gaan lopen vanaf het eerste verhoor van verdachte, het strafblad en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, en in ieder geval geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Daarnaast heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat niet aan de vereisten voor het opleggen een beroepsverbod is voldaan.
8.3.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich als professioneel masseur tijdens een massagebehandeling schuldig gemaakt aan verkrachting en heeft op ernstige wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van aangeefster. Verdachte heeft door zijn handelen het in hem gestelde vertrouwen als masseur ernstig beschaamd en heeft geen oog gehad voor de gevolgen die zijn gedrag zou kunnen hebben voor aangeefster. In haar slachtofferverklaring heeft aangeefster bovendien aangegeven dat haar gevoel van veiligheid en haar relatie met intimiteit sinds de verkrachting nooit meer dezelfde zijn geweest. Zij heeft ook aangegeven dat zij niet naar de zitting wilde komen omdat zij verdachte niet onder ogen wilde komen. Verdachte is als professioneel masseur gehouden om zijn cliënten integer te behandelen. Die verantwoordelijkheid heeft hij genegeerd.
Persoon van verdachte
Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij niet eerder voor soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld. Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsadvies van
22 december 2025, waarin het recidiverisico als laag wordt ingeschat en waarin wordt geadviseerd om een straf op te leggen zonder bijzondere voorwaarden.
Straf
Gelet op het voorgaande en op de ernst van het feit acht de rechtbank enkel een gevangenisstraf passend. De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf het oriëntatiepunt dat rechtbanken hebben vastgesteld in het geval van verkrachting met beperkte mate van dwang, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, als vertrekpunt genomen. Daarnaast heeft de rechtbank gekeken naar wat in vergelijkbare zaken wordt opgelegd waarbij sprake was van penetratie door middel van vingeren. De rechtbank houdt in strafmatigende zin rekening met de gevolgen die verdachte reeds heeft ondervonden, in die zin dat de gezondheid van verdachte al fragiel was door een eerder doorgemaakte TIA en dat deze sinds de bewezenverklaarde feiten verder is verslechterd. De rechtbank houdt in de strafmaat ook rekening met de gevolgen die een langdurige gevangenisstraf voor verdachte zal hebben. Al met al bestaat aanleiding bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd in die zin dat de rechtbank een gevangenisstraf van kortere duur zal opleggen, waarvan een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk wordt opgelegd. Deze voorwaardelijke straf strekt ertoe verdachte te weerhouden zich in de toekomst wederom aan strafbare feiten schuldig te maken.
Alles overwegende zal de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 18 maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
Verder ziet de rechtbank geen aanleiding om het door de officier van justitie gevorderde beroepsverbod op te leggen, omdat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk delict. Daarnaast wordt het recidiverisico als laag ingeschat in het reclasseringsadvies van 22 december 2025.
De redelijke termijn
De rechtbank verwerpt het verweer van de raadvrouw dat de redelijke termijn is overschreden en overweegt hiertoe als volgt.
Bij het bepalen van de redelijke termijn neemt de rechtbank de overwegingen van de Hoge Raad in zijn standaardarrest tot uitgangspunt. [1] Hieruit volgt dat het eerste verhoor van de verdachte door de politie niet steeds als een handeling heeft te gelden waarop de redelijke termijn aanvangt. Wel dienen de inverzekeringstelling van de verdachte en de betekening van de dagvaarding als een zodanige handeling te worden aangemerkt.
Nu de raadsvrouw niet nader heeft gemotiveerd waarom verdachtes eerste verhoor bij de politie wél als aanvangsdatum dient te gelden [2] , neemt de rechtbank als beginpunt van de als redelijk te beoordelen termijn de datum van de betekening van de dagvaarding om ter terechtzitting te verschijnen.
Op 23 april 2026 is de dagvaarding aan verdachte betekend. Het vonnis wordt op 11 juni 2026 gewezen. Nu tussen deze momenten minder dan twee jaren zijn verstreken is de rechtbank is dan ook van oordeel dat de redelijke termijn niet is overschreden. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding tot strafvermindering op deze grond.
Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
De officier van justitie vordert tijdens haar requisitoir namens de benadeelde partij [aangeefster] € 3.000,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De raadsvrouw heeft primair verzocht om de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk te verklaren, omdat niet aan de formele vereisten is voldaan. Subsidiair heeft zij verzocht om een lager bedrag toe te wijzen.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij [aangeefster] zelf geen vordering tot schadevergoeding heeft ingediend en is van oordeel dat de officier van justitie ook geen vordering tot schadevergoeding namens of in plaats van de benadeelde partij kan indienen.
De officier van justitie heeft ook verzocht om een schadevergoedingsmaatregel op te leggen. Echter, in artikel 51g, derde lid, Sv is bepaald dat de voeging – en daarmee het kenbaar maken van de schade – uiterlijk moet geschieden voordat de officier van justitie in de gelegenheid is gesteld overeenkomstig artikel 311 Sv Pro het woord te voeren, dus voor het houden van requisitoir.
Aangezien de officier van de justitie pas tijdens haar requisitoir de schade kenbaar heeft gemaakt door de schadevergoedingsmaatregel te vorderen, zal de rechtbank de officier van justitie in zoverre niet-ontvankelijk verklaren.
Overweging omtrent het ambtshalve opleggen van de schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank stelt voorop dat de rechter de in artikel 36f, eerste lid, Sr bedoelde schadevergoedingsmaatregel ambtshalve op kan leggen indien en voor zover de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht. Artikel 36f Sr betreft een strafrechtelijke sanctie, die los van de beslissing in de voegingsprocedure kan worden opgelegd. [3]
Vast dient te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het bewezenverklaarde handelen en zodoende op andere wijze in haar persoon is aangetast. De begroting van de omvang van de immateriële schade is voorbehouden aan de rechter, die daarbij niet is gebonden aan de gewone regels voor stelplicht en bewijslast van het civiele recht. De rechtbank zal de omvang van de immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid vaststellen. Van geobjectiveerd geestelijk letsel is geen sprake nu door aangeefster geen gegevens zijn aangedragen op grond waarvan geestelijk letsel naar objectieve maatstaven kan worden vastgesteld. Dat is ook logisch omdat aangeefster geen vordering heeft ingediend. Echter, ook zonder geestelijk letsel in hiervoor bedoelde zin kan sprake zijn van genoemde aantasting in de persoon op andere wijze, namelijk wanneer de aard en de ernst van de normschending en van de nadelige gevolgen voor de benadeelde partij dat meebrengen. De rechtbank oordeelt dat hiervan sprake is gelet op
- De door verdachte op grove en indringende wijze substantiële aantasting van de lichamelijke integriteit van aangeefster;
- de in de strafmotivering beschreven omstandigheden waaronder de verkrachting zich heeft afgespeeld, en
- de verklaring van de aangeefster zoals die door de officier van justitie is voorgehouden ter terechtzitting van 28 mei 2026, waarin zij stelt dat zij zich sinds de verkrachting niet meer veilig voelt en haar relatie met intimiteit sinds de verkrachting nooit meer hetzelfde is geweest.
Gelet hierop is de rechtbank voldoende gebleken dat aangeefster als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte psychisch letsel heeft gekregen, daarmee ‘op andere wijze in de persoon is aangetast’ en daardoor immateriële schade heeft geleden.
De rechtbank heeft bij het bepalen van de hoogte van de schade acht geslagen op de Rotterdamse Schaal. Uit de Rotterdamse Schaal blijkt dat een bedrag aan schadevergoeding tussen de € 2.500,- en € 7.500,- billijk kan zijn bij een verkrachting (categorie c, tamelijk ernstige verkrachting). De immateriële schade zal daarom worden vastgesteld op het bedrag van € 3.000,- (drieduizend euro). De rechtbank zal dus ten aanzien van dat bedrag ambtshalve de schadevergoedingsmaatregel opleggen. De wettelijke rente zal worden toegekend vanaf het moment waarop deze schade is ontstaan, te weten 16 oktober 2023.
Beslag
Onder verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen:
2 STK Olie (goednummer: 6411188)
De officier van justitie heeft gevorderd dat de in beslag genomen goederen verbeurd worden verklaard, omdat het strafbare feit hiermee is gepleegd.
De raadslieden hebben zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
De in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerp, te weten: 2 STK Olie, die aan verdachte toebehoort, dient te worden verbeurd verklaard en is daarvoor vatbaar, aangezien er een direct verband is tussen dit voorwerp en het bewezen geachte feit daarmee is begaan.

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 36f, 242 het Wetboek van Strafrecht.

10.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
verkrachting
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[de verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (
achttien) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte, groot 3 (
drie) maanden, van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een proeftijd van 2 (
twee) jarenvast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Verklaart verbeurd:
2 STK Olie (goednummer: 6411188).
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [aangeefster] de staat 3.000 euro (drieduizend euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 16 oktober 2023 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van dertig dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Dit vonnis is gewezen door
mr. H.H.J. Zevenhuijzen, voorzitter,
mrs. P. Sloot en D.M.S. Gribling, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. V.D. Bennett, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 11 juni 2026.
[… 3]
[… 4]
  • [… 4]
  • [… 4]

Voetnoten

1.HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578.
2.HR 21 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:844.
3.HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793 en HR 3 december 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE9053.