ECLI:NL:RBAMS:2026:608

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
28 januari 2026
Publicatiedatum
28 januari 2026
Zaaknummer
13-227656-25
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 10 OpiumwetArt. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 7 OLW
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming tot overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel voor drugsfeit

De rechtbank Amsterdam behandelde op 14 januari 2026 het Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Poolse autoriteiten tegen een verdachte geboren in 1986. Het EAB betreft de uitvoering van een vrijheidsstraf van negen maanden, waarvan nog zes maanden en zes dagen resteren, opgelegd voor het verstrekken van amfetamine aan een minderjarige.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de identiteit van de verdachte correct is en dat het EAB voldoet aan de formele eisen. De rechtbank heeft het verweer dat artikel 12 van Pro de Overleveringswet (OLW) van toepassing zou zijn, verworpen omdat de zaak definitief is afgedaan in hoger beroep. Tevens is vastgesteld dat het feit waarvoor overlevering wordt verzocht, ook onder Nederlands recht strafbaar is als opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet.

Hoewel er structurele zorgen zijn over de Poolse rechtsorde en het recht op een eerlijk proces, heeft de verdachte geen concrete aanwijzingen gegeven dat deze gebreken zijn doorgewerkt in zijn zaak. Een verzoek tot aanhouding van de procedure in afwachting van prejudiciële vragen over het evenredigheidsbeginsel is afgewezen omdat de omstandigheden van deze zaak verschillen van de lopende procedure bij het Hof van Justitie van de EU.

De rechtbank concludeert dat geen weigeringsgronden aanwezig zijn en staat de overlevering toe. Tegen deze beslissing staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de verdachte aan Polen toe voor het drugsfeit.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-227656-25
Datum uitspraak: 28 januari 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 12 november 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 7 februari 2024 door de
Regional Court in Jelenia Góra, 3rd Criminal Department, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1986,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP-adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 14 januari 2026 in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. D.W.H.M. Wolters, advocaat in Hoofddorp, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een vonnis van de
Regional Court in Jelenia Góravan 11 september 2020 met kenmerk II K 112/19
,zoals gewijzigd door het
Appellate Court in Wrocławvan 30 september 2021 met kenmerk II AKa 306/20-/-.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van negen maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog zes maanden en zes dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB. [3]
3.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro
Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis Pro, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW Pro, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. [4]
Gelet hierop zal de rechtbank enkel het arrest met kenmerk II AKa 306/20-/- toetsen.
Uit de toelichting onderaan onderdeel d) in het EAB blijkt dat de opgeëiste persoon samen met zijn advocaat aanwezig was bij de procedure in hoger beroep. Artikel 12 OLW Pro is daarom niet aan de orde.

4.Strafbaarheid

Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
opzettelijk handelen in strijd met het onder artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod.

5.Artikel 11 OLW Pro

5.1
Artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest)
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [5]
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [6]
5.2
Artikel 49, derde lid, van het Handvest
Standpunt van de raadsman
De raadsman stelt zich op het standpunt dat de zwaarte van de straf onevenredig is aan het strafbare feit. Aan opgeëiste persoon is een zeer forse gevangenisstraf opgelegd van negen maanden. Er loopt thans een zaak bij het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) die betrekking heeft op een drugsfeit waarin prejudiciële vragen [7] zijn gesteld die zien op de mogelijkheid om in het kader van de overleveringsprocedure een beroep te doen op artikel 49, derde lid, van het Handvest neergelegde evenredigheidsbeginsel. Het antwoord op deze vragen kan van belang zijn in deze zaak. De raadsman verzoekt daarom de zaak aan te houden in afwachting van de uitkomst hiervan.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie verzet zich tegen aanhouding van de zaak omdat onderhavige zaak in grote mate verschilt van de zaak waarin prejudiciële vragen zijn gesteld.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank wijst het aanhoudingsverzoek af. De rechtbank heeft in voornoemde zaak prejudiciële vragen gesteld over – kort gezegd – haar bevoegdheid om de (on)evenredigheid van een opgelegde minimumstraf te mogen beoordelen. Die vragen zien op een situatie die verschilt van de omstandigheden van het geval van de opgeëiste persoon waarbij van een minimumstraf geen sprake is. Daarnaast gaat het in de zaak van de opgeëiste persoon om een ernstiger feit, waar het in de zaak waar prejudiciële vragen zijn gesteld ging om een geringe hoeveelheid drugs voor eigen gebruik, althans zonder oogmerk van winstbejag. De opgeëiste persoon is immers veroordeeld voor het verstrekken van amfetamine aan een minderjarige. De beantwoording van de prejudiciële vragen is dus niet relevant voor de beoordeling van het onderhavige overleveringsverzoek. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om het antwoord daarop af te wachten en wijst het aanhoudingsverzoek af.

6.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

7.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 2 en 10 Opiumwet en 2, 5 en 7 OLW.

8.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan de
Regional Court in Jelenia Góra, 3rd Criminal Department, Polen voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. B.M. Vroom-Cramer, voorzitter,
mrs. E. de Rooij en L. Baroud, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.C. Hooibrink, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 28 januari 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, (
5.Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
6.Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (