Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:5267

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
28 mei 2026
Publicatiedatum
28 mei 2026
Zaaknummer
25/4754
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbArt. 7:1 AwbArt. 8:1 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) art. 1
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken van procesbelang bij WIA-uitkeringszaak

Eiseres diende een aanvraag in voor een WIA-uitkering die werd afgewezen omdat zij niet verzekerd was op de datum van arbeidsongeschiktheid. Haar bezwaar werd niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan motivering en te late indiening. Tijdens de beroepsprocedure trok verweerder het besluit in en nam het herzieningsverzoek in behandeling, waarop inmiddels een beslissing is genomen.

Eiseres handhaafde haar beroep, stellende dat het oorspronkelijke besluit rechtsgevolgen had en dat zij kosten had gemaakt. De rechtbank oordeelde dat het beroep niet-ontvankelijk is omdat het doel van het beroep, namelijk behandeling van het herzieningsverzoek, al is bereikt. Er is geen feitelijk belang meer bij inhoudelijke beoordeling.

De rechtbank wees ook het verzoek om proceskostenvergoeding af wegens onvoldoende bewijs van beroepsmatige rechtsbijstand door de gemachtigde van eiseres, maar veroordeelde verweerder tot vergoeding van het griffierecht en de reiskosten van eiseres.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang omdat het herzieningsverzoek inmiddels is behandeld en besloten.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/4754

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 mei 2026 in de zaak tussen

[eiseres], uit [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: [gemachtigde]),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,verweerder
(gemachtigde: mr. A. Isik).

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet-ontvankelijk verklaren van haar bezwaar tegen een besluit van 14 september 2023, inhoudende dat eiseres geen WIA uitkering krijgt.
Met het bestreden besluit van 8 juli 2025 heeft verweerder het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiseres niet tijdig bezwaar heeft gemaakt. Tijdens de beroepsprocedure heeft verweerder dit besluit op 1 oktober 2025 ingetrokken, omdat reeds eerder op een bezwaar van eiseres tegen hetzelfde besluit was beslist. Verweerder heeft het verzoek van eiseres vervolgens aangemerkt als een verzoek om herziening van het besluit van 14 september 2023 en dit doorgestuurd naar de afdeling Sociaal Medische Zaken voor verdere behandeling. Eiseres heeft het beroep gehandhaafd.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 april 2026. Eiseres was aanwezig, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Totstandkoming van de besluiten

1.1.
Eiseres heeft op 4 september 2023 een aanvraag ingediend voor een WIA-uitkering [1] . Zij heeft daarin aangegeven dat zij sinds 20 november 2020 door de medische gevolgen van een auto-ongeluk niet kan werken. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 14 september 2023 afgewezen, omdat eiseres op 20 november 2020 geen dienstverband had en evenmin een WW-uitkering ontving. Hierdoor was eiseres op de datum van arbeidsongeschiktheid niet verzekerd voor de WIA. Het bezwaarschrift dat door de toenmalig gemachtigde van eiseres tegen dit besluit is ingediend, heeft verweerder met het besluit van 4 januari 2024 niet-ontvankelijk verklaard, omdat het geen motivering bevatte. Ook nadat verweerder de gemachtigde van eiseres de mogelijkheid had geboden om dit gebrek te herstellen, zijn er geen gronden aangevoerd.
1.2.
Met een brief van 5 juni 2025 heeft de nieuwe gemachtigde van eiseres verzocht om heroverweging van de beslissing van 14 september 2023. Verweerder heeft deze brief aangemerkt als een (nieuw) bezwaarschrift. Met het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat het niet binnen de daarvoor geldende termijn van zes weken was ingediend. Hiertegen heeft eiseres beroep ingesteld. Tijdens de beroepsfase heeft verweerder het bestreden besluit ingetrokken, stellende dat niet tweemaal tegen hetzelfde besluit bezwaar kan worden gemaakt, en daarbij aangegeven de brief van eiseres te beschouwen als een verzoek tot herziening van het besluit van 14 september 2023. Eiseres heeft het beroep gehandhaafd. Verweerder heeft op 31 maart 2026 een beslissing genomen op het herzieningsverzoek van eiseres.

Standpunt van eiseres

2. Eiseres handhaaft haar standpunt dat zij opkomt tegen een onjuist besluit op haar aanvraag voor een WIA-uitkering en dat zij daarom terecht beroep heeft ingesteld tegen het besluit van verweerder van 8 juli 2025. Volgens eiseres kan haar niet worden tegengeworpen dat verweerder dit besluit later heeft ingetrokken. De intrekking neemt volgens eiseres namelijk niet weg dat het oorspronkelijke besluit rechtsgevolgen heeft gehad, nu eiseres genoodzaakt was beroep in te stellen en daarvoor kosten heeft moeten maken. Eiseres stelt daarnaast dat deze procedure voorkomen had kunnen worden indien verweerder haar brief van 5 juni 2025 correct had aangemerkt als een herzieningsverzoek. Eiseres verzoekt daarom dat verweerder deze fout erkent, de gevraagde WIA-uitkering zo spoedig mogelijk toekent en de rechtbank het beroep gegrond verklaart, met toekenning van een proceskostenvergoeding zodat de kosten niet voor haar rekening komen. Als verweerder nalatig blijft om aan het bovenstaande te voldoen, verzoekt eiseres de rechtbank haar een WIA-uitkering toe te kennen.

Beoordeling door de rechtbank

3.1.
Voordat de rechtbank aan een inhoudelijke beoordeling van het beroep van eiseres toekomt, moet ambtshalve worden beoordeeld of dit beroep ontvankelijk is. De rechtbank ziet zich in dit kader voor de vraag gesteld of eiseres nog procesbelang heeft bij een inhoudelijk oordeel in deze procedure.
3.2.
Uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep volgt dat de bestuursrechter in het kader van de Algemene wet bestuursrecht alleen dan tot het beantwoorden van rechtsvragen geroepen is, indien er nog sprake is van een geschil met betrekking tot een besluit van een bestuursorgaan. [2] Eiseres zal belang hebben bij de beoordeling van haar beroep indien het resultaat dat hiermee wordt nagestreefd ook daadwerkelijk bereikt kan worden en het realiseren van dat resultaat voor eiseres feitelijke betekenis kan hebben. Het hebben van alleen maar een formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang. Dit is ook vaste rechtspraak. [3]
3.3.
De rechtbank stelt vast dat verweerder het bestreden besluit gedurende de beroepsprocedure heeft ingetrokken en daarbij heeft toegezegd de brief van eiseres alsnog als een verzoek om herziening in behandeling te nemen. Inmiddels heeft verweerder op 31 maart 2026 op dit herzieningsverzoek beslist. Ter zitting is dit met partijen besproken, waarbij eiseres heeft aangegeven niet eens te zijn met deze beslissing. Eiseres heeft haar beroep niet ingetrokken, omdat zij stelt belang te hebben bij voortzetting daarvan. Op grond van artikel 6:19, zesde lid, van de Algemene wet bestuursrecht staat de intrekking of vervanging van het bestreden besluit niet in de weg aan vernietiging daarvan, indien de indiener van het bezwaar- of beroepschrift daarbij belang heeft.
3.4.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres thans geen procesbelang meer bij de beoordeling van het beroep. Eiseres heeft aangevoerd dat zij met deze procedure wil bereiken dat aan haar een WIA-uitkering wordt toegekend. De rechtbank overweegt dat dit echter niet mogelijk is, omdat het bestreden besluit slechts betrekking heeft op de tijdigheid van het door verweerder als bezwaar aangemerkt verzoek. In deze procedure kon eiseres hoogstens bereiken dat haar verzoek om herziening alsnog als zodanig zou worden aangemerkt en door verweerder in behandeling zou worden genomen. Verweerder heeft hangende beroep alsnog toegezegd het herzieningsverzoek in behandeling te nemen en daarop is bij besluit van 31 maart 2026 beslist. Daarmee is het met dit beroep beoogde doel reeds bereikt en is de besluitvorming inmiddels in de juiste banen geleid. De rechtbank komt in deze procedure niet toe aan een inhoudelijk beoordeling van dat besluit. Het stelsel van rechtsbescherming van de Algemene wet bestuursrecht brengt immers mee dat tegen een besluit eerst bezwaar dient te worden gemaakt. [4] Eiseres kan haar gronden tegen het besluit van 31 maart 2026 in de daartoe geëigende bezwaarprocedure naar voren brengen. De rechtbank begrijpt dat het voor eiseres teleurstellend is dat haar herzieningsverzoek niet direct als zodanig is opgevat. Dit kan echter niet ertoe leiden dat de rechtbank in deze procedure alsnog tot een inhoudelijke beoordeling van het besluit van 31 maart 2026 komt of zonder een medische en arbeidsdeskundige beoordeling een WIA-uitkering toekent.
3.5.
Dat eiseres kosten heeft gemaakt in verband met het instellen van beroep, maakt evenmin dat daarmee sprake is van procesbelang. Het procesbelang dient namelijk te zijn gelegen in het met het beroep kunnen bereiken van een voor eiseres feitelijk relevant resultaat. Het enkele belang bij het verkrijgen van een proceskostenveroordeling dan wel vergoeding van gemaakte proceskosten is daarvoor onvoldoende. Volgens vaste rechtspraak levert de enkele wens tot vergoeding van proceskosten in beroep geen zelfstandig procesbelang op. [5]
3.6.
Voor zover eiseres heeft aangevoerd dat verweerder kort vóór de zitting een beslissing heeft genomen op het herzieningsverzoek en dat dit in strijd is met de goede procesorde, overweegt de rechtbank als volgt. Dit herzieningsverzoek maakt, gelet op het voorgaande, geen deel uit van de omvang van de beoordeling van de rechtbank in deze beroepszaak. De genomen beslissing van 31 maart 2026 kan worden gezien als een bevestiging dat het verzoek van eiseres inmiddels langs de daarvoor aangewezen weg wordt behandeld. Op de zitting is met partijen besproken dat verweerder de door eiseres ingediende reactie op deze beslissing, alsmede de overige gedingstukken uit deze procedure, zal betrekken bij de beoordeling in bezwaar gericht tegen het besluit van 31 maart 2026. Niet is gebleken dat eiseres hierdoor in haar processuele belangen is geschaad of in haar procesvoering is belemmerd.

Conclusie en gevolgen

4.1.
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk, omdat eiseres geen procesbelang meer heeft in deze beroepsprocedure.
4.2.
Omdat verweerder heeft erkend dat het verzoek van eiseres ten onrechte aanvankelijk als bezwaarschrift is aangemerkt en daarop ten onrechte een beslissing op bezwaar is genomen, ziet de rechtbank aanleiding te bepalen dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 53,- vergoedt.
4.3.
Eiseres heeft daarnaast de rechtbank verzocht om vergoeding van de proceskosten, onder indiening van een daartoe strekkend proceskostenformulier.
4.4.1.
Eiseres heeft verzocht om vergoeding van de proceskosten voor haar gemachtigde. Om voor een proceskostenvergoeding in aanmerking te komen, moet sprake zijn van een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de zin van artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Volgens vaste jurisprudentie is sprake van beroepsmatig verleende rechtsbijstand, als deze werkzaamheid een vast onderdeel vormt van een duurzame, op het vergaren van inkomen gerichte taakuitoefening. Er is sprake van beroepsmatig verleende rechtsbijstand indien niet slechts incidenteel rechtshulp wordt verleend en voor die rechtshulp een vergoeding in rekening wordt gebracht. [6] Ook moet degene die als derde beroepsmatig rechtsbijstand verleent voldoende deskundig zijn. Daartoe dient hij over enige juridische scholing te beschikken. Bij de beoordeling daarvan kunnen onder meer de door hem ingediende processtukken worden betrokken. Het vereiste van juridische scholing heeft niet uitsluitend betrekking op formele scholing. Aan dit vereiste kan ook zijn voldaan indien uit de door de gemachtigde ingediende processtukken of het optreden op de zitting kan worden opgemaakt dat hij enige relevante juridische scholing heeft gehad.
4.4.2.
De gemachtigde van eiseres heeft naar voren gebracht dat hij relevante juridische scholing heeft gevolgd aan de Universiteit van Amsterdam, maar deze opleiding niet heeft afgerond. Voort heeft hij gesteld enkele jaren werkzaam te zijn geweest bij een advocatenkantoor van familie. Daarnaast beschikt hij over een onderneming, geregistreerd in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel. Naar zijn inschatting wordt ongeveer 22% van zijn inkomsten gegenereerd uit juridische dienstverlening. Tevens heeft hij toegelicht de afgelopen jaren enkele zaken te hebben behandeld, waaronder een vreemdelingenrechtzaak in Den Haag en een belastingzaak in Haarlem.
4.4.3.
Naar het oordeel van de rechtbank biedt de door de gemachtigde van eiseres gegeven toelichting onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat sprake is van beroepsmatige rechtsbijstandverlening. Uit de bij de rechtbank beschikbare gegevens blijkt dat de gemachtigde in de afgelopen jaren eenmaal eerder namens eiseres heeft geprocedeerd in een bijstandszaak, alsmede eenmaal in 2022 namens een familielid in een parkeerbelastingzaak. De twee door de gemachtigde genoemde zaken zijn niet in de systemen van de rechtbank teruggevonden. Ook indien van deze opgaven wordt uitgegaan, kan daaruit niet worden afgeleid dat sprake is van structurele of beroepsmatige rechtsbijstandverlening die uitstijgt boven incidentele betrokkenheid. Bij de beoordeling betrekt de rechtbank tevens de door de gemachtigde ingediende gedingstukken, nu uit de jurisprudentie volgt dat aan de hand daarvan mede kan worden beoordeeld of sprake is van voldoende juridische deskundigheid om te kunnen spreken van beroepsmatige rechtsbijstand. De rechtbank neemt daarbij tevens in aanmerking dat in de door eiseres overgelegde machtiging is vermeld dat de gemachtigde is gemachtigd haar te vertegenwoordigen als financieel adviseur en hulpverlener, hetgeen eerder wijst op een bredere, niet specifiek op rechtsbijstand gerichte hoedanigheid. Alles in overweging genomen is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gebleken dat de werkzaamheden en deskundigheid van de gemachtigde uitstijgen boven de incidentele rechtsbijstandverlening.
4.5.
Eiseres heeft daarnaast verzocht om vergoeding van voorschotten en verletkosten. Op de zitting heeft eiseres toegelicht dat het daarbij niet gaat om haar eigen kosten, maar om kosten van haar gemachtigde. Gelet daarop komen deze kosten naar het oordeel van de rechtbank niet voor vergoeding in aanmerking, nu het Bpb uitsluitend voorziet in vergoeding van limitatief opgesomde kosten van een partij in verband met de procedure.
4.6.
Eiseres heeft daarnaast verzocht om vergoeding van haar reiskosten. Ter zitting heeft eiseres toegelicht dat deze reiskosten in totaal ongeveer € 7,50 bedragen. Verweerder heeft zich desgevraagd daartegen niet verzet. De rechtbank oordeelt dat deze kosten voor vergoeding in aanmerking komen. De reiskosten van de gemachtigde komen echter niet voor vergoeding in aanmerking, nu deze kosten niet kunnen worden aangemerkt als kosten van een partij in verband met de procedure.
4.7.
Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten tot een bedrag van € 7,50.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
  • draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 53,- aan eiseres te vergoeden;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 7,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.D. Belcheva, rechter, in aanwezigheid van mr. N.J.A. van Eck, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2026.
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingediend bij de Centrale Raad van Beroep binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. De indiener van het hoger beroep kan de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening te treffen.
Het indienen van hoger beroep kan digitaal via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl of door verzending per post aan de Centrale Raad van Beroep.

Voetnoten

1.Een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 29 januari 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BC3264.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 8 april 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:887.
4.Dit volgt uit de artikelen 7:1 en 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht.
5.Zie de uitspraak van 3 augustus 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BN3885. Zie verder de uitspraak van 2 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:635
6.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 13 november 2024 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, ECLI:NL:RVS:2024:4591.