Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:5186

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
26 mei 2026
Publicatiedatum
27 mei 2026
Zaaknummer
13-059116-26
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 12 OLWArt. 6a OLWArt. 7 OLWArt. 11 OLWArt. 22 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering overlevering Europees aanhoudingsbevel en overname tenuitvoerlegging vrijheidsstraf in Nederland

De rechtbank Amsterdam behandelde op 12 mei 2026 het Europees aanhoudingsbevel (EAB) uit Polen, gericht op de overlevering van een persoon veroordeeld tot een jaar gevangenisstraf. De verdachte was aanwezig en bijgestaan door raadsman en tolk. De rechtbank verlengde de beslistermijn en schorste de voorlopige gevangenhouding.

De rechtbank constateerde dat het vonnis in Polen onherroepelijk is en dat de verdachte niet persoonlijk bij het hoger beroep aanwezig was, maar dat hij zijn verdedigingsrechten kon uitoefenen via zijn raadsman. De rechtbank oordeelde dat de overlevering op grond van artikel 12 OLW Pro geweigerd kan worden, maar zag aanleiding af te zien van deze weigeringsgrond.

De feiten waarvoor de verdachte is veroordeeld kwalificeren in Nederland als bedreiging en overtreding van de Opiumwet. De rechtbank stelde vast dat er geen concreet gevaar is voor schending van het recht op een eerlijk proces. De verdachte verblijft sinds 2019 rechtmatig en onafgebroken in Nederland, heeft duurzaam verblijfsrecht en behoudt zijn verblijfsrecht ondanks de straf.

Op grond van artikel 6a OLW wordt de verdachte gelijkgesteld met een Nederlander, waardoor overlevering wordt geweigerd en de tenuitvoerlegging van de straf in Nederland wordt overgenomen. De rechtbank beveelt de gevangenhouding tot aan de tenuitvoerlegging van de straf. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: De rechtbank weigert de overlevering en beveelt de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf in Nederland.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-059116-26
Datum uitspraak: 26 mei 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 3 maart 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 9 februari 2026 door
the Regional Court in Szczecin, Polen, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon]
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1971,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres 1] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 12 mei 2026, in aanwezigheid van mr. J. Hofstee, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. A.M.C.J. Baaijens, advocaat te Utrecht, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een vonnis van
the District Court in Stargardvan 12 maart 2024, met kenmerk II K 859/22.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis
Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. [3]

4.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro

Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft ten aanzien van deze weigeringsgrond geen standpunt ingenomen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat kan worden afgezien van toepassing van deze weigeringsgrond, omdat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de procedure tegen hem.
Oordeel van de rechtbank
Uit aanvullende informatie van 20 maart 2026 blijkt dat het vonnis van
the District Court in Stargardvan 12 maart 2024 in stand is gelaten bij arrest van
the Regional Court in Szczecinvan 8 oktober 2024, met referentie IV Ka 1093/24.
Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis Pro, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW Pro, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. [4] De rechtbank zal daarom het arrest van 8 oktober 2024 toetsen aan artikel 12 OLW Pro.
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.
Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW Pro worden geweigerd.
De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.
Op grond van het EAB, de aanvullende informatie van 20 maart 2026, 2 april 2026 en 10 april 2026, en het verhandelde ter zitting stelt de rechtbank het volgende vast. De opgeëiste persoon is verhoord tijdens het vooronderzoek in de strafzaak die tot het arrest van oktober 2024 heeft geleid. Tijdens dit verhoor heeft de opgeëiste persoon een adres opgegeven en een adresinstructie gekregen waarbij hij is gewezen op de verplichting om iedere adreswijziging door te geven. Deze adresinstructie zag op de hele procedure, dus inclusief een (eventuele) procedure in hoger beroep. De opgeëiste persoon is bij de behandeling van zijn zaak in eerste aanleg vertegenwoordigd door een door hem gemachtigde raadsman. De raadsman heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. De oproep voor de zitting in hoger beroep is naar het door de opgeëiste persoon opgegeven adres (
[adres 2]) gestuurd. De door de opgeëiste persoon gemachtigde raadsman is op de zitting in hoger beroep verschenen. Gelet hierop, heeft de opgeëiste persoon zijn verdedigingsrechten kunnen uitoefenen, zodat het toestaan van de overlevering geen schending daarvan oplevert omdat de opgeëiste persoon, voor zover hij al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces dat tot dit arrest heeft geleid, op zijn minst kennelijk onzorgvuldig is geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie.

5.Strafbaarheid

Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod.
6. Artikel 11 OLW Pro: artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de EU
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [5]
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [6]

7.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW

Standpunt van de raadsman en de officier van justitie
Zowel de raadsman als de officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon voldoet aan de twee vereisten voor gelijkstelling met een Nederlander. De overlevering kan daarom worden geweigerd onder gelijktijdige overname van de tenuitvoerlegging van de straf door Nederland.
Oordeel van de rechtbank
Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling kan op basis van artikel 6a, eerste en negende lid, OLW worden geweigerd als deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen.
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6a, negende lid, OLW zijn voldaan aan twee vereisten, te weten:
1. de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;
2. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel.
Eerste voorwaarde
De rechtbank is van oordeel dat de opgeëiste persoon aan de hand van de overgelegde stukken heeft aangetoond dat hij ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000 en daarmee een duurzaam verblijfsrecht heeft verworven. De opgeëiste persoon staat sinds 2 mei 2019 ingeschreven op een adres in Nederland. Daarnaast heeft de opgeëiste persoon over de jaren 2020 tot en met 2025 een verklaring geregistreerd inkomen van de Belastingdienst overgelegd waaruit blijkt dat hij jaarlijks (ruim) voldoende inkomsten uit arbeid heeft verworven.
Aan de eerste voorwaarde voor gelijkstelling is dus voldaan.
Tweede voorwaarde
De tweede voorwaarde voor gelijkstelling met een Nederlander wordt getoetst aan de hand van een verklaring van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) over de verwachting of de opgeëiste persoon al dan niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel. Uit de brief van de IND van 8 april 2026 volgt dat de strafrechtelijke feiten waarvoor de opgeëiste persoon is veroordeeld er niet toe leiden hij zijn verblijfsrecht verliest.
Ook aan deze voorwaarde is voldaan.
De rechtbank moet daarom beoordelen of de tenuitvoerlegging van de in Polen opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen.
De in artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a, OLW van overeenkomstige toepassing verklaarde weigeringsgronden staan niet in de weg aan overname van de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf.
Uit de hiervoor onder 5 weergegeven Nederlandse kwalificaties volgt dat de opgelegde vrijheidsstraf niet de toepasselijke Nederlandse wettelijke strafmaxima overstijgt.
De opgelegde sanctie is naar haar aard niet onverenigbaar met Nederlands recht. Voor een aanpassing van de opgelegde vrijheidsstraf overeenkomstig artikel 6a, derde tot en met vijfde lid, OLW is daarom geen plaats.
De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen.
Uit het dossier volgt verder dat de opgeëiste persoon voldoende economische, familiale, sociale en taalkundige banden met Nederland heeft. De opgeëiste persoon heeft derhalve het centrum van zijn belangen in Nederland gevestigd. [7] De overname van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf zal dan ook bijdragen aan zijn maatschappelijke re-integratie.
De rechtbank is dan ook bevoegd om de overlevering overeenkomstig artikel 6a, eerste lid, OLW te weigeren. In dit geval ziet zij geen aanleiding om af te zien van de uitoefening van die bevoegdheid.
In overeenstemming met het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) van 4 september 2025 in de zaak
C.J. [8] heeft de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat het certificaat, zoals opgenomen in bijlage 1 bij het Kaderbesluit 2008/909/JBZ, en een kopie van het veroordelende vonnis toegezonden. Daarmee heeft de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat toestemming heeft gegeven voor het overnemen van de straf door Nederland.
De rechtbank zal daarom de overlevering weigeren en gelijktijdig de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf in Nederland bevelen. Daarbij zal de rechtbank op grond van artikel 27, vierde lid, OLW de gevangenhouding van de opgeëiste persoon tot aan de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf bevelen.

8.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat de weigeringsgrond van artikel 6a OLW van toepassing is. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van toepassing van die weigeringsgrond. Om die reden wordt de overlevering geweigerd.

9.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 285 Wetboek van Strafrecht, de artikelen 3 en 11 Opiumwet en de artikelen 2, 5, 6a en 7 OLW.

10.Beslissing

WEIGERTde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan
the Regional Court in Szczecin, Polen.
BEVEELTde tenuitvoerlegging van de in overweging 3 bedoelde vrijheidsstraf in Nederland.
HEFT OPde - geschorste - overleveringsdetentie van
[opgeëiste persoon] .
BEVEELTde gevangenhouding van
[opgeëiste persoon]tot aan de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf. Dit bevel is apart opgemaakt.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. WA.J.P. van den Reek, voorzitter,
mrs. E. van den Brink en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. D. Kloos en E.H. Wisgerhof, griffiers.
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 26 mei 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 OLW Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, (
5.Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
6.Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (
7.Hof van Justitie van de Europese Unie, 6 juni 2023, C-700/21, O. G. (
8.HvJ EU, 4 september 2025, C-305/22, ECLI:EU:C:2025:665 (C.J. (Tenuitvoerlegging van een vonnis naar aanleiding van een EAB)).