Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:5183

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
26 mei 2026
Publicatiedatum
27 mei 2026
Zaaknummer
13-077270-26
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6a OLWArt. 7 OLWArt. 8 Vreemdelingenwet 2000Art. 12 OLWArt. 22 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aanhouding en overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel met toetsing gelijkstelling en artikel 12 OLW

De rechtbank Amsterdam heeft op 26 mei 2026 een tussenuitspraak gedaan in een zaak betreffende de overlevering van een opgeëiste persoon op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uit Polen. Het EAB betreft de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf van één jaar, waarvan nog bijna twaalf maanden resteren, opgelegd bij vonnis van 29 oktober 2014. De opgeëiste persoon was niet in persoon aanwezig bij de zitting die tot het vonnis leidde, maar de rechtbank oordeelt dat de dagvaarding rechtsgeldig is betekend en het vertrouwensbeginsel geldt, zodat artikel 12 OLW Pro niet tot weigering van overlevering leidt.

De verdediging heeft verzocht om gelijkstelling met een Nederlander op grond van artikel 6a OLW, omdat de opgeëiste persoon ten minste vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft. De rechtbank stelt vast dat aan de eerste voorwaarde voor gelijkstelling is voldaan op basis van inschrijving, belastingaangiften en inkomensverklaringen. De tweede voorwaarde, een IND-advies over het behoud van verblijfsrecht, ontbreekt echter nog. De rechtbank besluit daarom het onderzoek te heropenen en aan te houden om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen dit advies op te vragen en tevens het benodigde certificaat en vonnis uit Polen te verkrijgen.

De beslistermijn wordt met 60 dagen verlengd tot uiterlijk 11 augustus 2026, met gelijktijdige verlenging van de geschorste overleveringsdetentie. De rechtbank beveelt de oproeping van de opgeëiste persoon en een Poolse tolk voor een nader te bepalen datum. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open. De zaak betreft een complexe toetsing van internationale overleveringsregels, het vertrouwensbeginsel, en de toepassing van gelijkstelling met een Nederlander in het kader van de Overleveringswet.

Uitkomst: De rechtbank houdt de zaak aan voor het opvragen van een IND-advies en aanvullende documenten en verlengt de beslistermijn met 60 dagen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-077270-26
Datum uitspraak: 13 mei 2026
TUSSEN-
UITSPRAAK
op de vordering van 16 maart 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 28 december 2016 door
Sąd Okręgowy in Kielce, Polen, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1996 te [geboorteplaats] (Polen),
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[BRP-adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 12 mei 2026, in aanwezigheid van mr. J. Hofstee, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. M.A.C. de Vilder-van Overmeire, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Daarnaast heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen, met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een vonnis
issued by the court Sąd Rejonowy in Kielce dated on 29 October 2014(referentie: II K 680/14)
, it was ordered to execute the sentence with conditional suspension on the basis of the judgement issued by the court Sąd Rejonowy in Kielce dated on 14 May 2015(referentie: XIII Ko 1890/15)
.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog 11 maanden en 27 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB. [3]

4.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro

Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd. Het vonnis van
Sąd Rejonowy in Kielcevan 29 oktober 2014, met kenmerk II K 680/14, moet aan artikel 12 worden Pro getoetst. Uit het EAB blijkt dat de opgeëiste persoon niet in persoon aanwezig is geweest bij de zitting die tot dit vonnis heeft geleid. Volgens de informatie uit het EAB zou de opgeëiste persoon in persoon zijn opgeroepen. Niet duidelijk is op welke wijze deze oproeping is geschied. Uit het EAB en de aanvullende informatie blijkt niet ondubbelzinnig dat de opgeëiste persoon daadwerkelijk kennis had van de datum en plaats van de zitting en of hij vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de situatie als bedoeld in artikel 12, sub a, OLW aan de orde is. De opgeëiste persoon is weliswaar niet in persoon aanwezig geweest bij de behandeling van zijn zaak, maar in het EAB is onder D) ingevuld dat de dagvaarding voor de zitting op 8 oktober 2014 aan de opgeëiste persoon in persoon is betekend. Het vertrouwensbeginsel brengt met zich dat uit moet worden gegaan van de juistheid van de verstrekte informatie.
Oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van het vonnis vanSąd Rejonowy in Kielcevan 29 oktober 2014, met kenmerk II K 680/14.
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis, terwijl de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid. Op grond van hetgeen in onderdeel D) van het EAB is vermeld, stelt de rechtbank vast dat de opgeëiste persoon op 8 oktober 2014 in persoon is gedagvaard en daarbij op de hoogte is gesteld van de tijd en plaats van de zitting en is geïnformeerd dat een beslissing kan worden genomen indien hij niet verschijnt. Gelet op het vertrouwensbeginsel gaat de rechtbank uit van de juistheid van die informatie. Bovendien zijn geen objectieve stukken overgelegd waaruit zou blijken dat de informatie in het EAB onjuist is.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 12 onder Pro a, OLW. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro is daarom niet van toepassing.
Ten aanzien van de beslissing vanthe court Sąd Rejonowy in Kielcevan 14 mei 2015, met kenmerk XIII Ko 1890/15.
De vrijheidsstraf is bij vonnis van
Sąd Rejonowy in Kielcevan 29 oktober 2014, met kenmerk II K 680/14, aanvankelijk in voorwaardelijke vorm aan de opgeëiste persoon opgelegd. Bij beslissing van
the court Sąd Rejonowy in Kielcevan 14 mei 2015 is de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijke vrijheidsstraf bevolen.
Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 23 maart 2023 [4] volgt dat de procedure die heeft geleid tot de veroordeling voor een nieuw strafbaar feit die ten grondslag ligt aan de beslissing tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf ook onderworpen dient te worden aan de toets van artikel 12 OLW Pro.
Uit de verstrekte informatie blijkt echter dat de opgeëiste persoon in strijd met de aan hem opgelegde voorwaarden geen contact met de reclassering in Polen heeft gehouden. Daarom is de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde vrijheidsstraf gelast.
De beslissing tot tenuitvoerlegging van 14 mei 2015 is geen beslissing waarbij de aard of de maat van de aanvankelijk opgelegde straf is gewijzigd. Deze beslissing valt daarom niet onder de reikwijdte van artikel 12 OLW Pro. [5] Dit betekent dat de rechtbank geen andere beslissing aan artikel 12 OLW Pro hoeft te toetsen dan de veroordeling waarbij de voorwaardelijke straf is opgelegd.

5.Strafbaarheid

Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

6.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW

Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht de opgeëiste persoon gelijk te stellen met een Nederlander. De opgeëiste persoon is al langer in Nederland, maar staat sinds 6 augustus 2019 ingeschreven in Nederland. Uit de verstrekte stukken blijkt daarnaast dat de opgeëiste persoon al in 2015 in Nederland belastingaangifte heeft gedaan. Uit de overgelegde inkomensverklaringen komt ook naar voren dat de opgeëiste persoon steeds inkomen had. Er is de afgelopen vijf jaar sprake geweest van reële en daadwerkelijke arbeid en voldoende middelen van bestaan in Nederland. Hiermee is aangetoond dat de opgeëiste persoon ten minste vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8 onder Pro a en tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000 en daarmee een duurzaam verblijfsrecht heeft verworven. In het dossier ontbreekt een advies van de IND over de verwachting of de opgeëiste persoon al dan niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel. De raadsvrouw verzoekt de rechtbank de zaak aan te houden zodat de officier van justitie deze informatie bij de IND kan opvragen. Ervan uitgaande dat het advies van de IND positief is zal de zaak ook moeten worden aangehouden om bij de Poolse autoriteiten het benodigde certificaat en het veroordelende vonnis op te vragen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de stukken ter onderbouwing van het gelijkstellingsverweer buiten beschouwing moeten worden gelaten, omdat deze niet voldoen aan de daaraan te stellen eisen. Zo zijn de stukken onvoldoende geordend en zijn door de raadsvrouw geen conclusies aan de stukken verbonden. Bovendien zijn de stukken te laat ingediend. De officier van justitie heeft hierbij verwezen naar een uitspraak van de rechtbank van 3 december 2025. [6] Subsidiair heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon met de overgelegde stukken niet heeft aangetoond dat hij vijf jaar ononderbroken rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad. Omdat de officier van justitie van mening is dat de opgeëiste persoon niet voor gelijkstelling in aanmerking komt, is geen IND advies opgevraagd.
Oordeel van de rechtbank
Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling kan op basis van artikel 6a, eerste en negende lid, OLW worden geweigerd als deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen.
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6a, negende lid, OLW zijn voldaan aan twee vereisten, te weten:
1. de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;
2. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel.
De aangeleverde stukken
Artikel 6a, negende lid, OLW bepaalt dat bewijstukken ter onderbouwing van een gelijkstellingsverweer tijdig voorafgaand aan het verhoor door de rechtbank moeten worden overgelegd. De rechtbank heeft de noodzaak van een tijdige (en geordende) aanlevering van stukken ook in meerdere uitspraken benadrukt, mede gelet op de termijn waarbinnen de rechtbank geacht wordt een beslissing te nemen op het overleveringsverzoek. Uit de jurisprudentie van de rechtbank volgt dat in beginsel een termijn van uiterlijk tien dagen voorafgaand aan de zitting redelijk is. Indiening van de stukken ter onderbouwing van een gelijkstellingsverweer na de tiende dag voorafgaande aan de zitting kan ertoe leiden dat de rechtbank deze stukken buiten beschouwing laat. [7]
Hoewel de gelijkstellingsstukken in onderhavig geval niet uiterlijk tien dagen voor de zitting zijn ingediend, zal de rechtbank de stukken wel bij haar beoordeling betrekken. De rechtbank is van oordeel dat de aangeleverde stukken qua omvang niet dusdanig omvangrijk zijn en ook niet extreem laat of op zo een onoverzichtelijke wijze zijn aangeleverd dat zij niet binnen de beschikbare tijd inhoudelijk kunnen worden beoordeeld.
Eerste voorwaarde
De rechtbank is van oordeel dat de opgeëiste persoon aan de hand van de overgelegde stukken heeft aangetoond dat hij ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000 en daarmee een duurzaam verblijfsrecht heeft verworven. De opgeëiste persoon staat sinds 6 augustus 2019 ingeschreven op een adres in Nederland. Daarnaast heeft de opgeëiste persoon over de jaren 2020 tot en met 2025 een verklaring geregistreerd inkomen van de Belastingdienst overgelegd waaruit blijkt dat hij (ruim) voldoende inkomsten heeft verworven in al die jaren.
Aan de eerste voorwaarde voor gelijkstelling is dus voldaan.
Tweede voorwaarde
De tweede voorwaarde voor gelijkstelling met een Nederlander wordt getoetst aan de hand van een verklaring van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) over de verwachting of de opgeëiste persoon al dan niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel.
De rechtbank beschikt niet over een dergelijke verklaring van de IND, nu deze door de officier van justitie niet is opgevraagd wegens het door haar ingenomen standpunt ten aanzien van de eerste voorwaarde.
Nu de rechtbank van oordeel is dat aan de eerste voorwaarde is voldaan, zal zij het onderzoek heropenen om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen een verklaring op te vragen bij de IND over de verwachting of de opgeëiste persoon al dan niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf. Daarnaast wordt de officier van justitie in de gelegenheid gesteld om de Poolse autoriteiten te verzoeken om toestemming voor het overnemen van de in Polen opgelegde straf door Nederland door het certificaat zoals opgenomen in Bijlage 1 van het Kaderbesluit 2008/909/JBZ en een kopie van het veroordelende vonnis van 29 oktober 2014 (II K 680/14) toe te zenden.
Verlenging van de beslistermijn
Zoals bepaald in artikel 22, vierde lid, OLW kan de rechtbank in uitzonderlijke gevallen de beslistermijn met telkens 60 dagen verlengen. Gelet op de gevolgen van het arrest
C.J. [8] over het opvragen van het certificaat en het veroordelende vonnis en de omstandigheid dat de wetgever artikel 6a OLW op dit punt (nog) niet heeft gewijzigd, is de rechtbank van oordeel dat hier sprake is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 22, vierde lid, OLW. Om die reden zal de rechtbank de beslistermijn met 60 dagen verlengen onder gelijktijdige verlenging van de (geschorste) overleveringsdetentie op grond van artikel 27, derde lid, OLW.

7.Beslissing

HEROPENT en SCHORSThet onderzoek ter zitting voor onbepaalde tijd om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de onder overweging 6 genoemde stukken op te laten vragen en aan het dossier te laten toevoegen;
VERLENGTde termijn waarbinnen de rechtbank uitspraak moet doen op grond van artikel 22, vierde lid, OLW met 60 dagen (eindigend op 11 augustus 2026), onder gelijktijdige verlenging van de (geschorste) overleveringsdetentie op grond van artikel 27, derde lid, OLW
BEPAALTdat de zaak, vanwege het verstrijken van de verlengde beslistermijn op 11 augustus 2026, uiterlijk op
28 juli 2026opnieuw op zitting moet worden gepland;
BEVEELTde oproeping van de opgeëiste persoon tegen nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving aan zijn raadsman;
BEVEELTde oproeping van een tolk in de Poolse taal tegen de voornoemde nader te bepalen datum en tijdstip.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. WA.J.P. van den Reek, voorzitter,
mrs. E. van den Brink en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. D. Kloos en E.H. Wisgerhof, griffiers.
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 26 mei 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 OLW Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.HvJ EU 23 maart 2023, C-514/21 en C-515/21, ECLI:EU:C:2023:235 (
5.ECLI:EU:C:2017:1026
7.Rb. Amsterdam 6 april 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:2560.
8.HvJ EU, 4 september 2025, C-305/22, ECLI:EU:C:2025:665 (C.J. (Tenuitvoerlegging van een vonnis naar aanleiding van een EAB)).