Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:4889

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
23 april 2026
Publicatiedatum
21 mei 2026
Zaaknummer
1304662926
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 7 OLWArt. 8 OLWArt. 11 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel ondanks betwisting onderliggend vonnis

De rechtbank Amsterdam behandelde op 23 april 2026 de vordering tot in behandeling neming van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Poolse autoriteiten. De opgeëiste persoon, geboren in 1971, verscheen ter zitting en werd bijgestaan door een raadsman en een Poolse tolk. Het EAB betreft de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf van acht jaar, waarvan nog één jaar en drie maanden resteren, opgelegd door Poolse rechtbanken.

De verdediging betwistte de kennisname van een van de onderliggende vonnissen (onderliggend vonnis 1) en stelde dat de opgeëiste persoon nooit een rijbewijs heeft gehad en niet heeft gereden. De rechtbank oordeelde echter dat op grond van het vertrouwensbeginsel moet worden uitgegaan van de juistheid van de in het EAB vermelde informatie, waaronder de bevestiging dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van het vonnis en afstand had gedaan van zijn recht op hoger beroep.

De rechtbank constateerde dat geen weigeringsgronden van artikel 12 van Pro de Overleveringswet van toepassing zijn, mede omdat de opgeëiste persoon bij de processen van het verzamelvonnis en onderliggend vonnis 2 wel persoonlijk aanwezig was. Ook werd vastgesteld dat de feiten waarvoor overlevering wordt verzocht, voldoen aan het vereiste van dubbele strafbaarheid onder Nederlands recht.

Hoewel er structurele zorgen zijn over de Poolse rechtsorde, bracht de opgeëiste persoon geen concrete aanwijzingen dat dit zijn zaak individueel heeft beïnvloed. De rechtbank concludeerde dat het EAB aan alle wettelijke eisen voldoet en stond de overlevering toe. Tegen deze uitspraak is geen gewoon rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de opgeëiste persoon naar Polen toe op basis van het Europees aanhoudingsbevel.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-046629-26
Datum uitspraak: 23 april 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 16 februari 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 11 oktober 2022 door
the Regional Court in Radom, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1971 in [geboorteplaats] (Polen),
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[BRP-adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 9 april 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. S.J. van der Woude, advocaat in Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt als grondslag een verzamelvonnis van
the Regional Court in Radomvan
30 juni 2014, met kenmerk: II K 21/14.
In het EAB is opgenomen dat aan het verzamelvonnis de volgende vonnissen ten grondslag liggen:
- een vonnis van
the District Court in Radomvan 3 oktober 2011, met kenmerk: II K 615/11 (hierna: onderliggend vonnis 1);
-
een vonnis van
the Regional Court in Radomvan 21 mei 2012, met kenmerk: II K 25/12
(hierna: onderliggend vonnis 2).
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van acht jaren, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog één jaar en drie maanden. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde verzamelvonnis.
Dit verzamelvonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. [3]

4.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro

Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat niet zonder meer kan worden uitgegaan van de juistheid van de door de Poolse autoriteiten verstrekte informatie. De opgeëiste persoon betwist dat hij onderliggend vonnis 1 heeft ontvangen, dat hij daarbij is ingelicht over het instellen van hoger beroep en dat hij destijds uitdrukkelijk heeft verklaard deze veroordeling ter zake van rijden onder invloed te aanvaarden. De opgeëiste persoon stelt namelijk dat hij nooit auto heeft gereden en dat hij niet over een rijbewijs beschikt. De raadsman heeft de rechtbank daarom verzocht de behandeling van de zaak aan te houden om de akte van uitreiking van onderliggend vonnis 1 aan de opgeëiste persoon bij de Poolse autoriteiten op te vragen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro niet van toepassing is. Uit het EAB blijkt dat de opgeëiste persoon aanwezig is geweest bij de processen die tot het verzamelvonnis en onderliggend vonnis 2 hebben geleid en ten aanzien van onderliggend vonnis 1 doet de omstandigheid van artikel 12, sub c, OLW zich voor.
Oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van het verzamelvonnis
De aanvullende informatie van 19 maart 2026 van de uitvaardigende justitiële autoriteit vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro is daarom niet van toepassing.
Uit de aanvullende informatie van 19 maart 2026 volgt tevens dat de opgeëiste persoon bij beslissing van 10 april 2019 voorwaardelijk in vrijheid is gesteld. Die beslissing is op 26 juni 2020 herroepen, omdat de opgeëiste persoon zich tijdens zijn proeftijd aan het toezicht van de reclasseringsambtenaar had onttrokken. De beslissing tot tenuitvoerlegging van 26 juni 2020 is geen beslissing waarbij de aard of de maat van de aanvankelijk bij het verzamelvonnis opgelegde straf is gewijzigd. Deze beslissing valt daarom niet onder de reikwijdte van artikel 12 OLW Pro. [4]
Ten aanzien van onderliggend vonnis 1
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid.
Het EAB vermeldt onder rubriek d) punt 3.3 dat de beslissing op 7 januari 2012 aan de opgeëiste persoon is betekend en hij uitdrukkelijk is geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn en tijdens welke de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, die kan leiden tot herziening van de oorspronkelijke beslissing. Daarnaast is onder rubriek d) punt 3.3 het volgende aangekruist: “
the person expressly stated that he or she does not contest this decision”.
Op grond van het vertrouwensbeginsel moet worden uitgegaan van de juistheid van hetgeen in het EAB is vermeld. De verklaring van de opgeëiste persoon – inhoudende dat hij de veroordeling destijds niet heeft aanvaard – geeft geen aanleiding om aan de juistheid van de informatie in het EAB te twijfelen en hierover nadere vragen te stellen. Weliswaar kan op grond van de enkele mededeling dat het vonnis aan de OP is betekend niet zonder meer worden aangenomen dat de OP het vonnis in handen heeft gekregen en daarom bekend is geraakt met het vonnis, uit het feit dat de opgeëiste persoon uitdrukkelijk afstand heeft gedaan van zijn recht om hoger beroep tegen het vonnis in te stellen blijkt echter dat hij daadwerkelijk op de hoogte is geraakt van het vonnis. [5]
De rechtbank is van oordeel dat sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 12 onder Pro c, OLW. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro is daarom niet van toepassing.
Ten aanzien van onderliggend vonnis 2
De aanvullende informatie van 19 maart 2026 van de uitvaardigende justitiële autoriteit vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro is daarom niet van toepassing.

5.Strafbaarheid; feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
overtreding van artikel 8 van Pro de Wegenverkeerswet 1994;
zware mishandeling, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft;
mishandeling.

6.Artikel 11 OLW Pro; artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de EU

De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [6]
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaken, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [7]

7.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

8.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 300, 302 Wetboek van Strafrecht, 8, 176 Wegenverkeerswet en 2, 5 en 7 OLW.

9.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan
the Regional Court in Radom, Polen, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. E.M. de Bie, voorzitter,
mrs. L. Sanders en E. van den Brink, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D.F.A. Reuvekamp en E. Mulder, griffiers,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 23 april 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 OLW Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.HvJ EU 23 maart 2023, C-514/21 en C-515/21, ECLI:EU:C:2023 (
5.Zie rechtbank Amsterdam, 2 oktober 2012, ECLI:NL:RBAMS:2012:BY2664.
6.Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
7.Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (