Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:4228

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
14 april 2026
Publicatiedatum
29 april 2026
Zaaknummer
11999125 WM VERZ 25-21077
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:15 AwbArt. 4:17 AwbArt. 7:17 AwbArt. 7:28 AwbArt. 13a Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Matiging snelheidsovertreding en toekenning dwangsom wegens schending hoorplicht

Betrokkene werd een snelheidsovertreding verweten waarbij de maximumsnelheid op de Rijksweg A10 te Amsterdam met 16 km/u werd overschreden. De overtreding werd vastgesteld met een goedgekeurde mobiele radar en vastgelegd op foto. Betrokkene voerde aan dat de maximumsnelheid ter plaatse 100 km/u was, maar de rechtbank stelde vast dat een 90 km/u bord aanwezig en zichtbaar was.

De officier van justitie had de beslissing op het administratief beroep niet tijdig genomen, mede door een ICT-hack die de interne systemen van het Openbaar Ministerie beperkte. Verweerder beriep zich op overmacht, maar de rechtbank oordeelde dat deze situatie niet volledig buiten de risicosfeer van het bestuursorgaan lag en wees het beroep op overmacht af.

Verder werd vastgesteld dat de hoorplicht was geschonden doordat de gemachtigde van betrokkene niet werd gehoord tijdens de administratief beroepsfase, wat bewust gebeurde om een dwangsom te voorkomen. Dit leidde tot een matiging van de boete met 25%. Daarnaast werd een dwangsom van €1.397,00 toegekend wegens de te late beslissing, vermeerderd met wettelijke rente.

De rechtbank kende ook een proceskostenvergoeding van €233,50 toe aan betrokkene. De sanctie werd vastgesteld op €120,75 exclusief administratiekosten. Het beroep werd gegrond verklaard en de eerdere beslissing vernietigd.

Uitkomst: De boete voor snelheidsovertreding wordt met 25% gematigd, een dwangsom van €1.397,00 wordt toegekend wegens te late beslissing en de eerdere beslissing wordt vernietigd.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht
kantonrechter: mr. B. Brokkaar
zaaknummer: 11999125 WM VERZ 25-21077
beslissing van: 14 april 2026
func.: 43837
Beslissing inzake het beroep ingevolge de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (verder: de Wahv) van:

AXUS NEDERLAND

Postbus 3001
1300 EB Almere
(verder: betrokkene)

voor wie beroep is ingesteld door mr. M. Lagas van Appjection B.V.

(verder: gemachtigde)
welk beroep is ingesteld bij verzoekschrift, ingekomen bij de CVOM te Utrecht op 3 november 2025 en is gericht tegen de beslissing van 22 september 2025 van de
officier van justitie(verder: verweerder) ten aanzien van betrokkene.

CJIB-nummer: [nummer]

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Aan betrokkene is bij beschikking van 4 augustus 2024 (verder: de inleidende beschikking) een sanctie in het kader van de Wahv opgelegd. Namens betrokkene heeft gemachtigde tegen de inleidende beschikking beroep ingesteld bij verweerder. Deze heeft dat beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing heeft gemachtigde vervolgens beroep ingesteld bij de kantonrechter. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende gegevens overgelegd. Het beroep is behandeld op de openbare zitting van 14 april 2026. Partijen zijn voor deze zitting opgeroepen.
Namens gemachtigde is de heer [naam] bij de zitting verschenen.
Ter zitting heeft verweerder gereageerd op de inhoud van het beroepschrift. Verweerder heeft primair verzocht om aanhouding van de behandeling van de onderhavige zaak. Subsidiair heeft verweerder geconcludeerd dat het beroep gedeeltelijk gegrond is.
Ten slotte is door de kantonrechter aan het einde van de zitting schriftelijk uitspraak gedaan.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

1. Aan betrokkene is bij de inleidende beschikking wegens een verkeersgedraging een administratieve sanctie opgelegd ingevolge de Wahv. Betrokkene wordt verweten dat met een motorvoertuig met kenteken [kenteken] , waarvoor betrokkene als kentekenhouder aansprakelijk is, de maximumsnelheid op autosnelwegen is overschreden met 16 kilometer per uur. Deze gedraging is door middel van een mobiele radar geconstateerd op de Rijksweg A10 bij hmp 20.0 links (verkeersbord A1 bij hmp 20.9) te Amsterdam op 21 juli 2024 om 12:39 uur.
2. Het beroep is tijdig ingesteld.
3. Gemachtigde voert tegen de beslissing van verweerder aan dat betrokkene stelt dat ter plaatse een maximum snelheid van 100 km/u geldt en niet van 90 km/u, zodat sprake is van een overschrijding van 6 km/u in plaats van 16 km/u.
Verder stelt gemachtigde dat de foto van de gedraging ontbreekt in het dossier. Namens betrokkene wordt verzocht deze alsnog te doen toekomen.
Gemachtigde voert voorts aan dat in de onderhavige zaak niet is gehoord, omdat gemachtigde een ingebrekestelling heeft verstuurd, waarin de officier van justitie is gemaand om binnen twee weken te beslissen. Het is een vaste werkwijze van de CVOM om niet te horen als een ingebrekestelling wordt ingebracht. De CVOM lijkt dit te doen om te voorkomen dat zij een dwangsom verbeurt. Gelet op het voorgaande is sprake van schending van het verbod op ‘détournement de pouvoir’ en sprake van een structurele schending van de hoorplicht. Daarom verzoekt gemachtigde de kantonrechter om de sanctie te matigen met 25 procent.
In het beroepschrift d.d. 3 november 2025 heeft gemachtigde nog naar voren gebracht het niet eens te zijn met de beslissing van de officier van justitie om geen dwangsom toe te kennen.
Namens betrokkene wordt tevens verzocht om een proceskostenvergoeding.
4. Op de zitting heeft gemachtigde het punt ten aanzien van de dwangsom nader toegelicht. De officier van justitie doet een beroep op ‘overmacht’ (in de zin van artikel 4:15 lid 2 aanhef Pro en onder c Awb), maar dat het Openbaar Ministerie te maken heeft gehad met ICT-perikelen kan een eventueel beroep van verweerder op overmacht niet rechtvaardigen, aldus gemachtigde. Het Openbaar Ministerie was een maand voor het afkoppelen van het internet op de hoogte van de kwetsbaarheid van het systeem of had dit kunnen zijn. Van een onvoorziene omstandigheid is derhalve geen sprake. Het Openbaar Ministerie heeft kennelijk de keuze gemaakt om de Mulderprocedure geheel te digitaliseren en is daarbij volledig afhankelijk van het internet. Deze kwetsbaarheid heeft het Openbaar Ministerie voor zichzelf gecreëerd, en zou niet voor rekening van betrokkene mogen komen.
Ter zitting brengt gemachtigde een uitspraak van de rechtbank Den Haag van 2 maart 2026 in, waarin de kantonrechter in een soortgelijke situatie heeft beslist dat geen sprake is van een overmachtssituatie, zodat een beroep op artikel 4:15 lid 2 aanhef Pro en onder c Awb niet gerechtvaardigd is en de officier van justitie een dwangsom verbeurt.
5. Verweerder stelt zich ter zitting op het standpunt dat de gedraging op grond van de stukken in het dossier voldoende kan worden vastgesteld.
Wel dient volgens verweerder de beslissing van de officier van justitie op het administratief beroepschrift vernietigd te worden vanwege schending van de hoorplicht. Dit leidt tot een matiging van de boete.
Wat betreft het argument dat de officier van justitie een dwangsom heeft verbeurd, brengt verweerder ter zitting - in het kort - naar voren dat sprake was een overmachtssituatie. Er was namelijk inbreuk gepleegd op het computersysteem van het Openbaar Ministerie (OM), waardoor de interne systemen van het OM niet of beperkt beschikbaar waren in de periode van 18 juli 2025 tot en met 10 september 2025. Op het moment dat de systemen weer naar behoren werkten moest een enorme achterstand weggewerkt worden.
Door de situatie van overmacht was er geen reële mogelijkheid voor de officier van justitie om eerder een beslissing te nemen op het beroepschrift. Verweerder stelt daarom dat de beslistermijn met de periode van overmacht is verlengd.
Nu in een soortgelijke zaak een hoger beroep loopt bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden verzoekt verweerder primair de kantonrechter om de onderhavige zaak aan te houden om de uitspraak van het hof met betrekking tot de vraag of hier sprake is van een overmachtssituatie af te wachten.
6. Het volgende wordt overwogen.
7. De gedraging is langs elektronische weg geconstateerd en digitaal vastgelegd. De snelheid is vastgesteld met een voor de meting getest, goedgekeurd en op de voorgeschreven wijze gebruikt snelheidsmeetmiddel, zijnde een mobiele radar, te weten Multaradar CT, Jenoptik. De geconstateerde snelheid bedroeg 110 km/u. Er is een correctie op de gemeten snelheid toegepast overeenkomstig de richtlijnen. De werkelijke gemiddelde (gecorrigeerde) snelheid bedroeg 106 km/u, waar de toegestane snelheid maximaal 90 km/u bedraagt, zodat sprake is van een overschrijding van 16 km/u van de maximum toegestane snelheid ter plaatse. De gedraging is tevens vastgelegd op een foto. Deze foto bevindt zich in het dossier en hierop is het kenteken van het motorvoertuig duidelijk waarneembaar.
8. Naar aanleiding van het verweer dat ter plaatse sprake zou zijn van een maximum snelheid van 100 km/u in plaats van 90 km/u heeft de kantonrechter zich door middel van Google Maps Streetview nader georiënteerd op de situatie ter plaatse. In de maanden augustus 2024 en september 2024 is op de afbeeldingen op Google Maps Streetview te zien dat zich een verkeersbord A1 met een 90 km/u aanduiding bevindt op de Rijksweg A10 ter hoogte van hmp 20.9 links. Nu in deze zaak echter geen sprake was van een statische trajectcontrole of een vaste flitspaal, maar de ambtenaar die de sanctie heeft opgelegd zelf ter plaatse was, mag worden aangenomen dat de ambtenaar heeft vastgesteld dat de relevante bebording aanwezig en duidelijk zichtbaar was ten tijde van de geconstateerde gedraging, vgl. het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 5 juni 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:4796. De aan betrokkene verweten gedraging kan derhalve voldoende worden vastgesteld.

Ten aanzien van de hoorplicht:

9. In deze zaak is betrokkene vanaf het instellen van het administratief beroep tot en met de procedure bij de kantonrechter bijgestaan door een professioneel gemachtigde. Door de gemachtigde van betrokkene niet te horen in de administratief beroepsfase heeft verweerder de hoorplicht geschonden. Van horen kan alleen worden afgezien op basis van de in artikel 7:17 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) genoemde gronden. Die gronden doen zich hier niet voor. Verweerder heeft immers afgezien van het horen, omdat in de onderhavige zaak een ingebrekestelling is gestuurd. Betrokkene is daarom in zijn belangen geschaad, dat tot gevolg heeft dat de beslissing van verweerder moet worden vernietigd (vgl. het arrest ECLI:NL:GHARL:2017:1121).
10. De kantonrechter ziet aanleiding om de boete te matigen met 25 procent vanwege schending van de hoorplicht, omdat in deze zaak de officier van justitie er welbewust voor heeft gekozen om van het horen af te zien, kennelijk ook om daarmee het verbeuren van een dwangsom te ontlopen. Een dergelijke welbewuste schending van de hoorplicht moet naar het oordeel van de kantonrechter leiden tot eerdergenoemde matiging van de boete tot een bedrag van € 120,75 exclusief administratiekosten.

Ten aanzien van de proceskostenvergoeding:

11. Namens betrokkene is door gemachtigde om een vergoeding van de proceskosten verzocht. Nu de sanctie wordt gematigd, wordt een proceskostenvergoeding toegekend.
12. Er is geen sprake van een aan het bestuursorgaan (de ambtenaar die de sanctie heeft opgelegd) te wijten onrechtmatigheid als bedoeld in artikel 13a, eerste lid, van de Wahv juncto artikel 7:28, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, zodat de kosten gemaakt in administratief beroep niet voor vergoeding in aanmerking komen, vgl. het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 8 mei 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:2852.
Gemachtigde heeft de volgende vergoedbare proceshandelingen verricht:
- het indienen van beroep bij de kantonrechter en; - het verschijnen op de zitting bij de kantonrechter.
13. Volgens de bijlage bij het Bpb dient aan ieder van deze proceshandelingen 1 punt te worden toegekend. De waarde van 1 punt bedraagt met ingang van 1 januari 2026 in de fase van het beroep € 934,00.
14. Gelet op het voorgaande worden in deze zaak voor de door gemachtigde verrichte proceshandelingen in de fase van het beroep bij de kantonrechter 2 punten ad € 934,00 toegekend. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast, en ingevolge artikel 13a lid 2 Wahv wordt de proceskostenvergoeding bij de kantonrechter vermenigvuldigd met 0,25 (vgl. de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 10 april 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:2356).
Aldus zal de kantonrechter verweerder veroordelen in de kosten tot een bedrag van
€ 233,50 (2x934) x 0,5) x 0,25).

Ten aanzien van de dwangsom:

15. Gemachtigde stelt dat de officier van justitie in de onderhavige zaak een dwangsom verbeurt vanwege het uitblijven van een tijdige beslissing op het administratief beroepschrift. Verweerder daarentegen doet een beroep op overmacht ingevolge artikel 4:15, tweede lid, aanhef en onder c, van de Awb dat de termijn voor het nemen van een besluit opschort zolang het bestuursorgaan door overmacht niet in staat is dat besluit te nemen.
16. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de regelgeving over een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit volgt dat overmacht zich niet snel voordoet. Het gaat om de onmogelijkheid van een bestuursorgaan een besluit te nemen door abnormale en onvoorziene omstandigheden buiten zijn toedoen en risicosfeer. Het bestuursorgaan moet geen verwijt treffen dat het heeft nagelaten vooraf redelijke inspanningen te verrichten.
17. De omstandigheid dat het OM zich zag geconfronteerd met een ICT-hack, waardoor de interne systemen van het OM niet of beperkt beschikbaar waren in de periode van 18 juli 2025 tot en met 10 september leidt niet tot het aannemen van een dergelijke overmachtssituatie. Niet is gebleken dat de ontstane situatie volledig buiten toedoen en buiten de risicosfeer van verweerder was gelegen. Het beroep op overmacht en daarmee het beroep op artikel 4:15, tweede lid, onder aanhef en c van de Awb wordt dan ook niet gehonoreerd.
18. Gelet op de gegevens in het dossier liep de beslistermijn voor verweerder ten aanzien van het administratief beroepschrift op 17 maart 2025 af. Op 29 juli 2025 is de door gemachtigde ingediende ingebrekestelling, vanwege het uitblijven van een beslissing, door verweerder ontvangen. Dit betekent dat de wettelijke termijn waarbinnen na ontvangst van de ingebrekestelling op 29 juli 2025 op het administratief beroepschrift had moeten worden besloten op 12 augustus 2025 was verlopen.
19. Artikel 4:17 van Pro de Awb bepaalt dat indien een beschikking op een aanvraag niet tijdig wordt gegeven, het bestuursorgaan aan de aanvrager een dwangsom verbeurt voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen een bedrag van € 23,00 per dag, de daaropvolgende veertien dagen een bedrag van € 35,00 per dag en voor de overige dagen een bedrag van € 45,00 per dag. De eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, is de dag waarop de gestelde twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.
20. Uit het zaakoverzicht blijkt dat verweerder pas op 22 september 2025 een beslissing heeft genomen op het administratief beroepschrift. Dit leidt tot de vaststelling van een dwangsom over de periode van 41 dagen, van 12 augustus 2025 tot en met 21 september 2025, waarmee een bedrag is gemoeid van € 1.397,00 (14 dagen x € 23,00 + 14 dagen x
€ 35,00 + 13 dagen x € 45,00), te vermeerderen met wettelijke rente. De kantonrechter zal deze dwangsom vaststellen.
21. Daarom wordt beslist als volgt.

BESLISSING

De kantonrechter:
- verklaart het beroep tegen de beslissing van verweerder gegrond en vernietigt deze;
- verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond en stelt, onder wijziging van de inleidende beschikking, de sanctie vast op € 120,75 exclusief administratiekosten;
- bepaalt dat het als zekerheid betaalde bedrag aan betrokkene wordt gerestitueerd voor zover dit het genoemde bedrag, vermeerderd met de administratiekosten, te boven gaat;
- kent aan betrokkene ten laste van verweerder een proceskostenvergoeding toe van
€ 233,50;
- kent aan betrokkene ten laste van verweerder een dwangsom toe van € 1.397,00 te vermeerderen met de wettelijke rente.
De griffier De kantonrechter
Datum verzending
Bent u het met deze beslissing niet eens, dan kunt u
binnen zes wekenna de hierboven vermelde datum van verzending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, maar alleen indien de als gevolg van deze beslissing te betalen administratieve sanctie meer dan € 110,00 bedraagt. Het beroepschrift dient schriftelijk (niet per e-mail) te worden ingediend bij rechtbank Amsterdam, afdeling privaatrecht, team kanton, postbus 70515, 1007 KM, Amsterdam en dient door degene die het beroep instelt of een gemachtigde te worden ondertekend. De procedure bij het gerechtshof verloopt schriftelijk,
tenzij in het beroepschrift uitdrukkelijk om een mondelinge behandeling wordt gevraagd.