Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:4190

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
28 april 2026
Publicatiedatum
28 april 2026
Zaaknummer
13-039340-26
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6a OLWArt. 7 OLWArt. 11 OLWArt. 12 OLWArt. 22 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak over Europees aanhoudingsbevel en gelijkstelling met Nederlander

De rechtbank Amsterdam heeft op 28 april 2026 een tussenuitspraak gedaan in de zaak betreffende een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door het District Court in Rzeszów, Polen. Het EAB betreft de overlevering van een Poolse verdachte die een onherroepelijke vrijheidsstraf van tien maanden moet ondergaan. De verdachte is in Nederland gedetineerd en betwist de overlevering op grond van artikel 12 van Pro de Overleveringswet (OLW), omdat hij niet bij het proces in Polen aanwezig was.

De rechtbank erkent dat de verdachte niet persoonlijk aanwezig was bij het Poolse proces, maar ziet aanleiding af te zien van de weigeringsgrond omdat de verdachte een adresinstructie had ontvangen en kennelijk onzorgvuldig is omgegaan met correspondentie. Daarnaast is de rechtbank ingegaan op het gelijkstellingsverweer op grond van artikel 6a OLW, waarbij de verdachte stelt gelijk te zijn aan een Nederlander vanwege langdurig rechtmatig verblijf en economische banden.

Hoewel de gelijkstellingsstukken te laat zijn ingediend, betrekt de rechtbank deze toch bij de beoordeling. De rechtbank oordeelt dat de verdachte voldoende heeft aangetoond dat hij vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven en voldoende economische en maatschappelijke banden heeft. De beslissing over de overlevering wordt geschorst om een advies van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) op te vragen over het behoud van het verblijfsrecht. De beslistermijn wordt met 60 dagen verlengd en de overleveringsdetentie wordt geschorst.

Uitkomst: De rechtbank schorst de beslissing over de overlevering om een IND-advies op te vragen en verlengt de beslistermijn met 60 dagen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-039340-26
Datum uitspraak: 28 april 2026
TUSSEN-UITSPRAAK
op de vordering van 10 februari 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 13 februari 2024 door
the District Court in Rzeszów,Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1992 te [geboorteplaats] (Polen),
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
nu gedetineerd in het [J.C.] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 14 april 2026, in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. N. Hannaart, advocaat te Almere en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3. Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een vonnis van
the District Court in Rzeszówvan 31 augustus 2021 met kenmerk II K 667/20.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van tien maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteert nog het geheel. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB. [3]

4.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro

Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering geweigerd moet worden op grond van artikel 12 OLW Pro, omdat de opgeëiste persoon niet bij het proces aanwezig is geweest. De opgeëiste persoon was niet op de hoogte van de procedure die tegen hem liep. Weliswaar heeft de opgeëiste persoon een adresinstructie gekregen waarin stond dat hij adreswijzigingen moest doorgeven, maar de Poolse autoriteiten waren op de hoogte van het adres van de opgeëiste persoon in [plaats] . Hij had dus kunnen worden opgeroepen op zijn Nederlandse adres. Daarnaast zou hij een advocaat hebben gemachtigd, maar deze machtiging heeft plaatsgevonden nadat het vonnis al onherroepelijk was geworden.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro van toepassing is, maar dat kan worden afgezien van toepassing van deze weigeringsgrond. De opgeëiste persoon heeft namelijk een adresinstructie ontvangen waarin stond dat hij adreswijzigingen moest doorgeven. Dit heeft hij niet gedaan. Uit de stukken blijkt dat de Poolse autoriteiten in 2021 bekend waren met het Nederlandse adres van de opgeëiste persoon, maar dit wil niet zeggen dat de Poolse autoriteiten ook op de hoogte waren van dit adres ten tijde van de zitting.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat – kort gezegd – vonnis is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.
Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW Pro worden geweigerd.
De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.
De rechtbank stelt allereerst vast dat de opgeëiste persoon op 24 juni 2020 als verdachte verhoord is. Tijdens het verhoor op 24 juni 2020 heeft de opgeëiste persoon een adresinstructie ondertekend en het adres
[adres]opgegeven als correspondentieadres en is hij gewezen op de verplichting om iedere adreswijziging binnen 7 dagen door te geven aan de autoriteiten. Volgens het EAB is de oproep voor de zitting ook naar dit adres verstuurd.
Op grond van de hiervoor genoemde omstandigheden stelt de rechtbank vast dat de opgeëiste persoon – als hij al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces dat tot zijn veroordeling heeft geleid – kennelijk onzorgvuldig is geweest met betrekking tot brieven die op zijn correspondentieadres bezorgd werden. Dit terwijl zorgvuldigheid van hem verwacht mocht worden, aangezien hij er redelijkerwijs rekening mee moest houden dat mogelijk een strafrechtelijke procedure zou volgen. De rechtbank ziet dan ook aanleiding om af te zien van toepassing van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro.

5.Strafbaarheid

Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
eenvoudige belediging;
bedreiging met zware mishandeling;
mishandeling.

6.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW

6.1
Standpunt van de raadsman
De opgeëiste persoon beroept zich op de weigeringsgrond van artikel 6a OLW en heeft stukken overgelegd ter onderbouwing van een gelijkstelling met een Nederlander. De raadsman heeft subsidiair aangevoerd dat, indien de rechtbank de overlevering niet weigert op grond van artikel 12 OLW Pro, de behandeling van de zaak moet worden aangehouden om een advies van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) op te laten vragen.
6.2
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de gelijkstellingsstukken te laat zijn aangeleverd. Dit is namelijk zeven dagen voor de zitting gebeurd, terwijl de termijn die door de rechtbank wordt gehanteerd tien dagen bedraagt. Daarom moeten deze stukken buiten beschouwing moeten worden gelaten.
Subsidiair heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon in principe voldoende verdiend heeft tussen 2021 en 2025, maar dat uit de stukken onvoldoende blijkt dat de opgeëiste persoon ook daadwerkelijk gedurende deze gehele periode in Nederland heeft verbleven. De opgeëiste persoon heeft zich nooit op een adres in Nederland ingeschreven en zijn inkomen is niet zodanig hoog, dat het niet anders kan zijn dan dat de opgeëiste persoon de gehele periode in Nederland heeft verbleven.
6.3
Oordeel van de rechtbank
6.3.1
Bewijsstukken ter onderbouwing van het gelijkstellingsverweer
Artikel 6a, negende lid, OLW bepaalt dat bewijstukken ter onderbouwing van een gelijkstellingsverweer tijdig voorafgaand aan het verhoor door de rechtbank moeten worden overgelegd. Dit stelt de rechtbank en de officier van justitie in staat de stukken te bestuderen, en stelt de officier van justitie in de gelegenheid om vragen te stellen aan de IND over de verwachting of de opgeëiste persoon al dan niet het recht op verblijf in Nederland verliest als gevolg van de opgelegde straf of maatregel, zoals bepaald in artikel 6a, negende lid, OLW.
De rechtbank heeft de noodzaak van een tijdige (en geordende) aanlevering van stukken ook in meerdere uitspraken benadrukt, mede gelet op de termijn waarbinnen de rechtbank geacht wordt een beslissing te nemen op het overleveringsverzoek. Uit de jurisprudentie van de rechtbank volgt dat in beginsel een termijn van uiterlijk tien dagen voorafgaand aan de zitting redelijk is. Indiening van de stukken ter onderbouwing van een gelijkstellingsverweer na de tiende dag voorafgaande aan de zitting kan ertoe leiden dat de rechtbank deze stukken buiten beschouwing laat. [4]
In het onderhavige geval zal de rechtbank, ondanks dat de stukken zeven dagen voor de zitting zijn ontvangen, de gelijkstellingsstukken wel bij haar beoordeling betrekken. De rechtbank acht daarvoor relevant dat een gedeelte van de stukken al bij de voorgeleiding van de opgeëiste persoon op 9 februari 2026 is overgelegd. Daarnaast zijn de volledige gelijkstellingsstukken die 6 april 2026 en 7 april 2026 door de rechtbank zijn ontvangen voorzien van een beknopte toelichting, waarin de inhoud van de aanvullende stukken voldoende wordt geduid.
6.3.2
De gelijkstelling
Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling kan op basis van artikel 6a, eerste en negende lid, OLW worden geweigerd als deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen.
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6a, negende lid, OLW zijn voldaan aan twee vereisten, te weten:
1. de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;
2. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel.
Eerste voorwaarde
De rechtbank is van oordeel dat de opgeëiste persoon aan de hand van de overgelegde stukken heeft aangetoond dat hij ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000 en daarmee een duurzaam verblijfsrecht heeft verworven.
Om een ononderbroken verblijf van vijf jaar aan te tonen is een inschrijving in het GBA-register leidend. Een ononderbroken verblijf kan ook worden onderbouwd door andere stukken, maar dan dienen deze voldoende concreet en objectief te zijn. De rechtbank is van oordeel dat de verdediging met de overgelegde inkomensgegevens in de vorm van loonstroken en jaaropgaves, waar steeds een Nederlands woonadres op staat vermeld, voldoende en genoegzaam heeft aangetoond dat de opgeëiste persoon van 2021 tot en met 2025 ononderbroken in Nederland verbleef.
Ten slotte kan uit de overgelegde inkomensstukken ook worden afgeleid dat de opgeëiste persoon gedurende een periode van vijf jaar steeds een inkomen had van ruimschoots 50 procent van de toepasselijke bijstandsnorm. Hiermee heeft de opgeëiste persoon voldoende aangetoond dat over de afgelopen vijf jaar sprake is geweest van reële en daadwerkelijke arbeid en voldoende middelen van bestaan in Nederland, zodat zijn verblijf ook rechtmatig was.
Aan deze voorwaarde is dus voldaan.
Tweede voorwaarde
De tweede voorwaarde voor gelijkstelling met een Nederlander wordt getoetst aan de hand van een IND-advies over de verwachting of de opgeëiste persoon al dan niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel. De rechtbank merkt op dat een advies van de IND (nog) ontbreekt in het procesdossier. De officier van justitie heeft op de zitting kenbaar gemaakt dat het openbaar ministerie niet beschikt over een IND-advies.
De rechtbank zal daarom het onderzoek heropenen en schorsen voor onbepaalde tijd om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen deze informatie bij de IND op te vragen. Als ook aan de tweede voorwaarde is voldaan, wordt de officier van justitie verzocht om bij de uitvaardigende justitiële autoriteit een certificaat en het veroordelende vonnis op te vragen gelet op het arrest
C.J. [5] De rechtbank is namelijk van oordeel dat de in artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a, OLW van overeenkomstige toepassing verklaarde weigeringsgronden niet in de weg staan aan overname van de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf. Daarnaast heeft de opgeëiste persoon voldoende economische, maatschappelijke en familiale banden met Nederland. De opgeëiste persoon heeft derhalve het centrum van zijn leven en zijn belangen in Nederland gevestigd. [6] De overname van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf zal dan ook bijdragen aan zijn maatschappelijke re-integratie.
6.3.3
Verlenging van de termijn
Nu de officier van justitie is verzocht om, als het advies van de IND dit rechtvaardigt, het certificaat en het veroordelende vonnis in Polen op te vragen, overweegt de rechtbank in verband met de tijd die daarmee gemoeid zal zijn het volgende over de beslistermijn en de termijn waarop de zaak opnieuw ter zitting gepland moet worden. Zoals bepaald in artikel 22, vierde lid OLW kan de rechtbank in uitzonderlijke gevallen de beslistermijn met telkens 60 dagen verlengen. Aangezien de rechtspraktijk nog niet is voldoende is ingesteld op de gevolgen van het arrest
C.J.en de OLW naar aanleiding van dat arrest (nog) niet is aangepast, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 22, vierde lid, OLW, zodat de rechtbank de beslistermijn met 60 dagen zal verlengen. De termijn verloopt dan op 7 juli 2026. De rechtbank zal gelijktijdig de (geschorste) overleveringsdetentie verlengen op grond van artikel 27, derde lid, OLW. De zaak zal dan zo snel mogelijk, maar uiterlijk 14 dagen vóór het verstrijken van de verlengde beslistermijn opnieuw op zitting moeten worden gepland.

6.Artikel 11 OLW Pro: artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de EU

De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [7]
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [8]

7.Beslissing

HEROPENTen
SCHORSThet onderzoek voor onbepaalde tijd, teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de onder 6 genoemde informatie op te vragen bij de IND en indien nodig een certificaat en onderliggend vonnis op te vragen bij de uitvaardigende justitiële autoriteit.
VERLENGTde termijn waarbinnen de rechtbank uitspraak moet doen op grond van artikel 22, vierde lid, OLW met 60 dagen (eindigend op 7 juli 2026), onder gelijktijdige verlenging van de (geschorste) overleveringsdetentie op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
BEPAALTdat de zaak uiterlijk 14 dagen vóór het verstrijken van de verlengde beslistermijn, dus uiterlijk op 23 juni 2026, opnieuw op zitting wordt aangebracht.
BEVEELTde oproeping van de opgeëiste persoon tegen de nader te bepalen datum en het nader te bepalen tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsman.
BEVEELTde oproeping van een tolk in de Poolse taal tegen de voornoemde nader te bepalen datum en tijdstip.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter,
mrs. D.L.S. Ceulen en L. Baroud, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.J. Gauneau, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 28 april 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Rb. Amsterdam 6 april 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:2560.
5.HvJ EU, 4 september 2025, C-305/22, ECLI:EU:C:2025:665 (C.J. (Tenuitvoerlegging van een vonnis naar aanleiding van een EAB)).
6.Hof van Justitie van de Europese Unie, 6 juni 2023, C-700/21, O. G. (
7.Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
8.Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (