Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3913

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
5 maart 2026
Publicatiedatum
20 april 2026
Zaaknummer
13/334300-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 3 OpiumwetArt. 5 OLWArt. 7 OLWArt. 11 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering opgeëiste persoon naar Roemenië ondanks detentieomstandigheden

De rechtbank Amsterdam behandelde een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uit Roemenië voor de overlevering van een persoon geboren in 1998 met de Hongaarse en Roemeense nationaliteit. De opgeëiste persoon was gedetineerd in Nederland en verscheen bij de zittingen, waarbij zijn identiteit en nationaliteiten werden bevestigd.

De rechtbank onderzocht de geldigheid van het EAB, de aanwezigheid van de opgeëiste persoon bij het hoger beroep in Roemenië en mogelijke weigeringsgronden op grond van de Overleveringswet (OLW). Het verweer dat de opgeëiste persoon niet aanwezig was bij het hoger beroep werd verworpen op basis van aanvullende informatie.

De strafbare feiten betroffen illegale handel in verdovende middelen en een feit dat dubbele strafbaarheid vereist, waarvoor de rechtbank vaststelde dat aan de voorwaarden was voldaan. De rechtbank nam ook de detentieomstandigheden in Roemenië in overweging, waarbij zij eerder een algemeen risico op onmenselijke behandeling had vastgesteld vanwege overbevolking.

Echter, op basis van een gedetailleerde garantie van de Roemeense autoriteiten over de individuele celruimte en detentiefaciliteiten, concludeerde de rechtbank dat er geen concreet gevaar voor de opgeëiste persoon bestaat. Het verweer dat geweld door medegevangenen een risico vormt, werd niet onderbouwd met objectieve gegevens en verworpen.

De rechtbank oordeelde dat het EAB voldoet aan de wettelijke eisen en dat geen weigeringsgronden aanwezig zijn. Daarom werd de overlevering toegestaan. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering van de opgeëiste persoon naar Roemenië toe, ondanks algemene zorgen over detentieomstandigheden, vanwege verstrekte garanties en het ontbreken van een concreet individueel gevaar.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/334300-25
Datum uitspraak: 5 maart 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 16 december 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 15 juni 2023 door
the Law Court of Mureș County,Roemenië (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon]
geboren op [geboortedag] 1998 te [geboorteplaats] (Hongarije),
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
nu gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [locatie] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

Zitting 11 februari 2026
De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 11 februari 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. V.G. Kraal, advocaat in Amsterdam.
De rechtbank heeft de behandeling van de zaak aangehouden tot de zitting van 19 februari 2026 omdat er geen tolk in de Hongaarse taal aanwezig was.
De rechtbank heeft de gevangenhouding bevolen en de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Zitting 19 februari 2026
De behandeling van het EAB is, met instemming van partijen, in gewijzigde samenstelling voortgezet op de zitting van 19 februari 2026, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. V.G. Kraal, en door een tolk in de Hongaarse taal.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Hongaarse en Roemeense nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een vonnis
(Criminal Judgment no. 12)van 9 februari 2023 van
the Mureș Law Court, finalbij het arrest
(Criminal Decision no.17/C)van 19 mei 2023 van
the Târgu Mureș Court of Appeal.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaar en zeven maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Volgens het EAB moet hierop in mindering worden gebracht de tijd die hij in deze zaak gedetineerd heeft gezeten, te weten:
  • één dag in detentie in Roemenië, te weten op 20 april 2021; en
  • de dagen in voorarrest in Roemenië, te weten van 21 april 2021 tot 19 juni 2021.
De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest.
Dit arrest betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. [3]

4.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro

Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft verzocht de zaak aan te houden om de Roemeense autoriteiten te vragen of de opgeëiste persoon aanwezig was bij de zitting in hoger beroep, nu de opgeëiste persoon dit betwist. Daarbij heeft de raadsman erop gewezen dat volgens het A-formulier de
detention warrantis uitgevaardigd op 19 mei 2023, zijnde dezelfde datum als de datum waarop het arrest door
the Târgu Mureș Court of Appealis gewezen. Dit geeft aanleiding om te twijfelen aan de aanwezigheid van de opgeëiste persoon bij de zitting in hoger beroep.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat geen aanleiding bestaat om de zaak aan te houden, nu uit het EAB en de aanvullende informatie van 12 januari 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon aanwezig is geweest bij het proces dat heeft geleid tot het arrest. De omstandigheid dat het arrest op dezelfde datum is gewezen als de datum waarop de
detention warrantis uitgevaardigd, doet daaraan niet af.
Oordeel van de rechtbank
Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis Pro, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW Pro, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. [4]
Uit de aanvullende informatie van 12 januari 2026 blijkt dat de rechtbank enkel het arrest van
19 mei 2023 van
the Târgu Mureș Court of Appeal(
Criminal Decision no.17/C) hoeft te toetsen aan artikel 12 OLW Pro. Door de uitvaardigende justitiële autoriteit is immers meegedeeld dat deze beslissing “
is a final decisionthat can no longer be appealed through ordinary legal channels and which, consequently, definitively settles the case on its merits within the meaning of Case C-397/22 of the European Court of Justice dated 21.12.2023.”.
Uit onderdeel d) van het EAB en de aanvullende informatie van 12 januari 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing in hoger beroep heeft geleid. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro is daarom niet aan de orde.
De rechtbank overweegt dat de omstandigheid dat het arrest op 19 mei 2023 is gewezen en op dezelfde datum een
detention warrantis uitgevaardigd voor de opgeëiste persoon niet leidt tot twijfel aan de verstrekte informatie. De rechtbank merkt overigens op dat de datum van het arrest (19 mei 2023) niet betekent dat de zitting in de hoger beroepsprocedure eveneens op 19 mei 2023 heeft plaatsgevonden. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om nadere vragen te stellen. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

5.Strafbaarheid

5.1
Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het eerste van de twee strafbare feiten aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het eerste feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
5.2
Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het tweede feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod.

6.Artikel 11 OLW Pro; detentieomstandigheden

Inleiding
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat uit de algemene detentieomstandigheden in Roemenië een reëel gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 Handvest Pro van de grondrechten van de EU (Handvest) voortvloeit voor personen die in een Roemeense penitentiaire instelling worden gedetineerd, vanwege de overbevolking in de penitentiaire instellingen. [5]
Bij brief van 9 januari 2026 heeft de
Deputy General Managervan de
National Administration of Penitentiariesde volgende garantie verstrekt:
"1. In the event that the person deprived of liberty is handed over to the Romanian authorities at Henri Coandă International Airport, Bucharest, he will initially be taken toBucharest-Rahova Penitentiaryfor a 21-day quarantine period. The National Administration of Penitentiaries guarantees that, throughout the entire period of imprisonment, including the bed and related furniture, but excluding the space allocated for sanitary facilities, prisoners will have a minimum individual space as fellows:- 3 square meters during quarantine and observation;- 3 square meters during preventive detention;- 3 square meters in the case of serving a sentence in a maximum security regime;- 3 square meters in the case of serving a sentence in a closed regime;- 3 square meters in the case of serving a sentence in a semi-open regime;- 4 square meters in the case of serving a sentence in an open regime.
Considering the length of the sentence, it is most likely that the convicted person will initially serve the custodial sentence under asemi-open regime. Moreover, given their place of residence, it is most probable that, at first, they will serve their sentence in thePenitentiary of Târgu-Mureș.(…)
The person named[de opgeëiste persoon] shall benefit from a minimum individual space of 3 square meters throughout the entire period of imprisonment, except for those assigned to the open regime, during which time he will benefit from 4 square meters,including the bed and related furniture, without including the space allocated to the bathroom, the number of prisoners being determined by reference to the surface area of the room. Each prisoner shall be provided with an individual bed equipped with the specific bedding. (…)"
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering op grond van artikel 11 OLW Pro moet worden geweigerd, omdat de opgeëiste persoon vreest dat hij zal worden blootgesteld aan het gevaar van geweld door medegedetineerden. Het algemene gevaar ziet volgens de raadsman tevens op het geweld tussen gedetineerden onderling. Uit de verstrekte detentiegarantie volgt niet hoe de veiligheid van de opgeëiste persoon ten opzichte van andere gedetineerden zal worden gewaarborgd.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de detentiegarantie voldoende is om het individuele reële gevaar op onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 Handvest Pro ten aanzien van de opgeëiste persoon weg te nemen. Er is gegarandeerd dat de opgeëiste persoon kan beschikken over een persoonlijke celruimte van minimaal 3 m2 en dat de rechten en faciliteiten binnen de detentie-instellingen waar de opgeëiste persoon naar alle waarschijnlijkheid wordt geplaatst aan de vereisten voldoen. Het verweer van de raadsman is niet met objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens onderbouwd.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt allereerst dat zij eerder een algemeen reëel gevaar heeft aangenomen dat personen die in Roemenië gedetineerd zijn het risico lopen te worden blootgesteld aan onmenselijke of vernederende omstandigheden vanwege de overbevolking in Roemeense detentie-instellingen. Alleen ten aanzien van
the Giurgiu Prisonheeft de rechtbank aangenomen dat ook sprake is van een algemeen gevaar vanwege problemen rondom
ill-treatmenten
inter-prisoner violence. [6] De raadsman heeft geen objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens overgelegd waaruit blijkt dat een dergelijk algemeen reëel gevaar ook geldt voor de detentie-instellingen waar de opgeëiste persoon blijkens de aanvullende informatie zal worden geplaatst. De rechtbank beschikt ook ambtshalve niet over dergelijke gegevens. De rechtbank komt daarom niet toe aan de vraag of sprake is van een concreet (individueel) gevaar voor de opgeëiste persoon. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.
Aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt, gaat de rechtbank uit van de geboden zekerheid in de garantie van 9 januari 2026. [7] De rechtbank is, gelet op deze garantie, van oordeel dat er voor de opgeëiste persoon na overlevering geen reëel gevaar bestaat van een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 Handvest Pro. Het algemene gevaar dat de rechtbank ten aanzien van de detentieomstandigheden in Roemeense penitentiaire inrichtingen heeft aangenomen in verband met de overbevolkingsproblematiek wordt door de garantie immers uitgesloten ten aanzien van de opgeëiste persoon. Daarom staan de detentieomstandigheden niet aan overlevering in de weg.

7.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

8.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 3 en 11 Opiumwet en 2, 5 en 7 OLW.

9.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[de opgeëiste persoon]aan
the Law Court of Mureș County, Roemenië, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M. Westerman, voorzitter,
mrs. D.L.S. Ceulen en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D.F.A. Reuvekamp, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 5 maart 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, (
5.Zie onder andere: rechtbank Amsterdam, 2 mei 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:2629 en rechtbank Amsterdam, 27 januari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:463.
6.Rb. Amsterdam 22 maart 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:1666.
7.HvJ EU van 25 juli 2018, zaak ML, (C-220/18 PPU, ECLI:EU:C:2018:589), punt 114.