Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3910

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
5 maart 2026
Publicatiedatum
20 april 2026
Zaaknummer
13/347359-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 311 Wetboek van StrafrechtArt. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 7 OLWArt. 12 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel ondanks weigeringsgrond artikel 12 OLW

De Rechtbank Amsterdam behandelde op 5 maart 2026 de vordering van het Openbaar Ministerie tot in behandeling neming van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Poolse autoriteiten. Het EAB betreft de overlevering van een persoon geboren in 1990, zonder vaste verblijfplaats in Nederland, voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf van anderhalf jaar waarvan nog circa vier maanden en vijftien dagen resteren.

De rechtbank onderzocht de toepasselijkheid van de weigeringsgrond van artikel 12 van Pro de Overleveringswet (OLW), die ziet op het ontbreken van persoonlijke verschijning bij het proces in de uitvaardigende lidstaat. Hoewel het EAB aanvankelijk aangaf dat deze grond van toepassing was, concludeerde de rechtbank dat de opgeëiste persoon niet persoonlijk was gedagvaard en dat de overige subgronden van artikel 12 OLW Pro niet van toepassing zijn. De rechtbank zag aanleiding af te zien van weigering omdat de opgeëiste persoon kennelijk onzorgvuldig was met zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie.

Verder werd vastgesteld dat de feiten waarvoor overlevering wordt verzocht ook in Nederland strafbaar zijn, zodat aan het vereiste van dubbele strafbaarheid is voldaan. Hoewel er structurele zorgen zijn over de Poolse rechtsorde, bracht de opgeëiste persoon geen concrete aanwijzingen dat dit zijn zaak negatief beïnvloedde. De rechtbank concludeerde dat het EAB aan de wettelijke eisen voldoet en dat geen beletselen bestaan voor overlevering, waarna zij deze toestond.

De uitspraak is gedaan door drie rechters en is onherroepelijk, aangezien tegen deze beslissing geen gewoon rechtsmiddel openstaat.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de opgeëiste persoon op basis van het Europees aanhoudingsbevel toe ondanks de weigeringsgrond van artikel 12 OLW.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/347359-25
Datum uitspraak: 5 maart 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 29 december 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 25 maart 2025 door
the Regional Court in Kielce, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1990 te [geboorteplaats] (Polen),
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
nu gedetineerd in [detentieadres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 19 februari 2026, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. D.S. Altena, advocaat in Utrecht, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een vonnis van
the Local Court in Kielcevan 3 november 2020 (met referentie: IX K 1746/19).
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar en zes maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog vier maanden en vijftien dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. [3]

4.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro

Standpunt van partijen
De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
De officier van justitie heeft zich, onder verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank van
4 mei 2023, [4] op het standpunt gesteld dat kan worden afgezien van toepassing van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro, omdat de opgeëiste persoon kennelijk onzorgvuldig is geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank merkt allereerst op dat het onderhavige EAB is uitgevaardigd voor dezelfde feiten als waarvoor de rechtbank de overlevering van de opgeëiste persoon in een eerdere overleveringsprocedure op grond van het toen uitgevaardigde EAB heeft toegestaan bij uitspraak van 4 mei 2023. [5] De aanvullende informatie van 3 april 2023 van de uitvaardigende justitiële autoriteit die reeds in de eerdere overleveringsprocedure in 2023 door de rechtbank in het kader van artikel 12 OLW Pro is beoordeeld, is in het onderhavige dossier gevoegd. Nu geen nieuwe of andersluidende informatie door de uitvaardigende justitiële autoriteit is verstrekt, ziet de rechtbank geen aanleiding om af te wijken van haar eerdere oordeel en overweegt als volgt.
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis, terwijl de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid. In het EAB is aangekruist dat de omstandigheid als bedoeld in artikel 12, sub a, OLW zich voordoet. Uit de aanvullende informatie van 3 april 2023 volgt echter dat de opgeëiste persoon niet in persoon is gedagvaard zodat de situatie van artikel 12, sub a, OLW niet van toepassing is. Ook de in artikel 12 onder Pro b tot en met d OLW genoemde omstandigheden doen zich niet voor. De overlevering kan daarom worden geweigerd op grond van artikel 12 OLW Pro.
De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van toepassing van de weigeringsgrond. Het Openbaar Ministerie heeft gevraagd of de opgeëiste persoon een adresinstructie heeft ontvangen. In de aanvullende informatie van 3 april 2023 is meegedeeld dat in een Poolse strafzaak de verdachte tijdens het verhoor altijd een instructie krijgt met zijn rechten en plichten, waaronder de verplichting om adreswijzigingen door te geven en om, in geval van verblijf in het buitenland, een adres in Polen op te geven. De rechtbank begrijpt het antwoord van de uitvaardigende justitiële autoriteit – in samenhang bezien met de vraagstelling – zodat ook voor de opgeëiste persoon geldt dat hij bij zijn verhoor een adresinstructie heeft ontvangen. Daarnaast overweegt de rechtbank dat in de aanvullende informatie staat vermeld: “
the notice of the hearing date was sent to the address given by [de opgeëiste persoon] for service.” Ook hieruit leidt de rechtbank af dat de opgeëiste persoon daadwerkelijk een adres heeft opgegeven en de oproep voor de zitting naar dat adres is gezonden. De opgeëiste persoon was klaarblijkelijk op de hoogte van het proces en, zo hij al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen, is hij op zijn minst kennelijk onzorgvuldig geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie. Het vorenstaande maakt dat het toestaan van de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon oplevert.

5.Strafbaarheid; feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
diefstal door twee of meer verenigde personen;
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.

6.Artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de EU

De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [6]
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [7]

7.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

8.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 311 Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 7 en 12 OLW.

9.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[de opgeëiste persoon]aan
the Regional Court in Kielce, Polen, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M. Westerman, voorzitter,
mrs. D.L.S. Ceulen en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D.F.A. Reuvekamp, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 5 maart 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
6.Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
7.Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (