Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3892

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
1 april 2026
Publicatiedatum
20 april 2026
Zaaknummer
C/13/767432 / HA ZA 25-925
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 RvArt. 6:119 BWArt. 7 lid 1 RvArt. 8 onder 1 Brussel I bisArt. 11 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheid rechtbank Amsterdam in complexe mededingingsrechtelijke kartelzaak perindopril

In deze zaak vorderen Zorginkopers schadevergoeding van diverse producenten en Servier-ondernemingen wegens mededingingsrechtelijke inbreuken rond het geneesmiddel perindopril. De Europese Commissie stelde in een besluit van 2014 meerdere afzonderlijke kartelafspraken en misbruik van machtspositie vast, waarop verschillende boetes zijn opgelegd. De Zorginkopers baseren hun vorderingen op deze inbreuken en roepen meerdere partijen in Nederland en het buitenland in rechte.

De rechtbank onderzoekt haar bevoegdheid en toetst of de bijzondere ankergedaagde-regel uit Brussel I bis en het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van toepassing is. De rechtbank oordeelt dat de verschillende kartelafspraken afzonderlijke inbreuken zijn en niet als één enkele en voortdurende inbreuk kunnen worden beschouwd. De Nederlandse Servier-gedaagden zijn geen geadresseerden van het Commissie-besluit en kunnen niet als ankergedaagde dienen voor de buitenlandse producenten. Teva BV wordt niet ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende onderbouwing en misbruik van procesrecht.

De rechtbank verklaart zich onbevoegd voor vorderingen tegen buitenlandse producenten en veroordeelt de Zorginkopers in de proceskosten. De vrijwaringsverzoeken worden toegewezen zonder uitstel van de hoofdzaak. De zaak wordt verwezen voor verdere behandeling en overige beslissingen worden aangehouden.

Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd voor vorderingen tegen buitenlandse producenten en wijst het beroep op de ankergedaagde-regel af wegens gebrek aan nauwe band en misbruik van procesrecht.

Uitspraak

vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
afdeling privaatrecht
zaaknummer / rolnummer: C/13/767432 / HA ZA 25-925
vonnis in incidenten van 1 april 2026
1. de vennootschap naar het recht van België
RIJKSINSTITUUT VOOR ZIEKTE- EN INVALIDITEITSVERZEKERING,
gevestigd te Brussel, België,
en 58 andere vennootschappen naar vreemd recht als opgenomen in Bijlage I,
eiseressen in de hoofdzaak, verweersters in de (voorwaardelijke) incidenten,
hierna gezamenlijk: de Zorginkopers,
advocaat mr. R. Meijer,
tegen
1. de stichting
STICHTING FIRS,
gevestigd te Amsterdam,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
SERVIER INTERNATIONAL B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
SERVIER NEDERLAND FARMA B.V.,
gevestigd te Leiden,
4. de vennootschap naar het recht van Frankrijk
SERVIER SAS,
gevestigd te Suresnes, Frankrijk,
5. de vennootschap naar het recht van het Verenigd Koninkrijk
SERVIER LABORATORIES LIMITED,
gevestigd te Slough, Verenigd Koninkrijk,
6. de vennootschap naar het recht van Frankrijk
LES LABORATOIRES SERVIER,
gevestigd te Suresnes, Frankrijk,
7. de vennootschap naar het recht van Frankrijk
BIOGARAN,
gevestigd te Colombes, Frankrijk,
gedaagden in de hoofdzaak, eiseressen in het eerste vrijwaringsincident,
hierna gezamenlijk: de Servier-gedaagden,
advocaat mr. P.N. Malanczuk,
8. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
TEVA PHARMACEUTICALS EUROPE B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
hierna: Teva BV,
9. de vennootschap naar het recht van Israël
TEVA PHARMACEUTICAL INDUSTRIES LTD,
gevestigd te Tel Aviv, Israël,
10. de vennootschap naar het recht van het Verenigd Koninkrijk
TEVA UK LIMITED,
gevestigd te Castleford, Verenigd Koninkrijk,
hierna: Teva UK,
gedaagden in de hoofdzaak, eiseressen in het eerste bevoegdheidsincident, eiseressen in het tweede (deels onvoorwaardelijke, deels voorwaardelijke) vrijwaringsincident,
hierna gezamenlijk: Teva,
advocaat mr. J.M. Luycks,
11. de vennootschap naar het recht van Slovenië
KRKA, TOVARNA ZDRAVIL, D.D., NOVO MESTO,
gevestigd te Novo Mesto, Slovenië,
gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het tweede bevoegdheidsincident, eiseres in het derde (voorwaardelijke) vrijwaringsincident,
hierna: Krka,
advocaat mr. J.A. van de Hel,
12. de vennootschap naar het recht van India
LUPIN LIMITED,
gevestigd te Mumbai, India,
gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het derde bevoegdheidsincident, eiseres in het vierde (voorwaardelijke) vrijwaringsincident,
hierna: Lupin,
advocaat mr. P.L. Tjiam,
13. de vennootschap naar het recht van India
MYLAN LABORATORIES LIMITED,
gevestigd te Hyderabad, India,
14. de vennootschap naar vreemd recht
MYLAN INC.,
gevestigd te Canonsburg, Pennsylvania, Verenigde Staten van Amerika,
gedaagden in de hoofdzaak, eiseressen in het vierde bevoegdheidsincident, eiseressen in het vijfde (voorwaardelijke) vrijwaringsincident,
hierna gezamenlijk: Mylan,
advocaat mr. J.S. Kortmann,
15. de vennootschap naar het recht van het Verenigd Koninkrijk
NICHE GENERICS LIMITED,
gevestigd te Hitchin, Verenigd Koninkrijk,
16. de vennootschap naar het recht van India
UNICHEM LABORATORIES LIMITED,
gevestigd te Mumbai, India,
gedaagden in de hoofdzaak, eiseressen in het vijfde bevoegdheidsincident, eiseressen in het zesde (voorwaardelijke) vrijwaringsincident,
hierna gezamenlijk: Niche/Unichem,
advocaat mr. Chr.F. Kroes.
Gedaagden 1 tot en met 3 worden gezamenlijk ook wel de Nederlandse Servier-gedaagden genoemd. Gedaagden sub 4 tot en met 16 worden gezamenlijk de Producenten genoemd.
De gedaagden sub 8 tot en met 16 worden gezamenlijk “de Eisers in het Bevoegdheidsincident” genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 9 april 2025, met producties,
- de incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring ex artikel 210 RV Pro van de Servier-gedaagden,
- de incidentele conclusie houdende (I) onbevoegdheidsexceptie ex artikel 11 RV Pro en (II) vordering tot oproeping in vrijwaring, van Teva,
- de incidentele conclusie tot onbevoegdverklaring tevens verzoek tot oproeping in vrijwaring van Krka,
- de incidentele conclusie tot onbevoegdverklaring en voorwaardelijk verzoek tot oproeping in vrijwaring, met producties, van Lupin,
- de incidentele conclusie strekkende tot de onbevoegdheid van de rechtbank, tevens voorwaardelijk verzoek tot verlof voor oproeping in vrijwaring ex artikel 210 RV Pro van Mylan,
- de incidentele conclusie tot onbevoegdverklaring tevens houdende voorwaardelijke conclusie tot oproeping in vrijwaring tevens houdende voorwaardelijk verzoek tot aanhouding, met een productie, van Niche/Unichem,
- de incidentele conclusie van antwoord, met producties,
- de rolbeslissing van 16 juli 2025 waarin op verzoek van partijen een mondelinge behandeling in de incidenten is gelast,
- de e-mail van 4 december 2025 van de advocaat van Lupin waarin wordt bericht dat alle (groepen van) gedaagden zich aansluiten bij het voorwaardelijk verzoek tot aanhouding dat is opgenomen in het processtuk van Niche/Unichem,
- het proces-verbaal van 9 december 2025 van de mondelinge behandeling in de incidenten, en de daarin opgenomen proceshandelingen en processtukken.
1.2.
Niche/Unichem hebben in hun incidentele conclusie een voorwaardelijk verzoek tot aanhouding beargumenteerd. Dit is echter niet in de vorderingen van Niche/Unichem opgenomen. De Zorginkopers hebben verweer gevoerd tegen dit verzoek, de overige gedaagden hebben zich aangesloten bij dit verzoek en dit verzoek is ter sprake gekomen ter zitting. Daarom wordt ervan uitgegaan dat een voorwaardelijk verzoek tot aanhouding is ingesteld door de Producenten.
1.3.
Ten slotte is vonnis in de incidenten bepaald.

2.De feiten

2.1.
Servier S.A.S., Servier Laboratories Limited en Les Laboratoires Servier (gedaagden sub 4 t/m 6) zijn houdster geweest van verschillende octrooien op het geneesmiddel perindopril en op de wijze waarop dit medicijn of onderdelen daarvan wordt geproduceerd. Perindopril is een medicijn voor de bestrijding van cardiovasculaire ziekten, zoals hoge bloeddruk en hartfalen.
2.2.
De hierboven genoemde Servier-vennootschappen zijn onderdeel van een wereldwijd concern met vele vennootschappen in vele landen:
2.3.
De (huidige) organisatiestructuur van de Servier-groep blijkt uit het volgende overzicht dat op de website staat (dat ook is opgenomen in de dagvaarding):
De tekst rechtsonder luidt
“* The members of the Foundation Council and the Executive Committee are the same”.
2.4.
De Eisers in het Bevoegdheidsincident zijn producenten van onder meer generieke medicijnen (medicijnen waarop niet langer bescherming van een octrooi rust).
2.4.1.
Teva, Lupin en Mylan produceren daarnaast ook ‘active pharmaceutical ingredients’ (APIs) – kort gezegd de werkbare stoffen in een medicijn.
2.4.2.
Unichem Laboratories Limited produceert uitsluitend APIs. Niche/Unichem is een joint-venture van deze onderneming en Niche Generics Limited.
2.5.
De Europese Commissie heeft onderzoek gedaan naar het aanbieden van het geneesmiddel perindopril op de interne markt en heeft op 9 juli 2014 [1] daarover een Besluit genomen.
2.5.1.
Het Besluit van de Commissie is gericht aan de volgende geadresseerde partijen:
- Servier S.A.S.,
- Servier Laboratories Limited,
- Les Laboratoires Servier,
- Biogaran,
(de Servier-gedaagden sub 4 t/m 7, verder ook: de Servier-geadresseerden)
- Niche Generics Limited,
- Unichem Laboratories Limited,
- Mylan Laboratories Limited,
- Mylan Inc.,
- Teva UK,
- Teva BV,
- Teva Pharmaceutical Industries Ltd,
- Krka,
- Lupin Limited,
(de Eisers in het Bevoegdheidsincident).
De Nederlandse Servier-gedaagden zijn
geengeadresseerden van het Besluit.
2.5.2.
In de gepubliceerde samenvatting [2] van het Besluit is het volgende opgenomen (de voetnoten in het Besluit zijn weggelaten):
“(…)
1.
INLEIDING
(1) Het besluit
Perindopril (Servier)heeft betrekking op i) vijf overeenkomsten voor octrooigeschillenbeslechting tussen Servier, een producent van merkgeneesmiddelen, en vijf producenten van generische geneesmiddelen (2005-2007), en ii) een aanschaf van technologie door Servier (2004), waarmee deze de bedoeling had de introductie van generische middelen op de markt van perindopril, een geneesmiddel voor de behandeling van hart- en vaatziekten, te vertragen.
(2) De overeenkomsten betreffende de beslechting van octrooigeschillen werden ondertekend door Servier [de Servier-ondernemingen die geadresseerden zijn van het besluit, gedaagden sub 4 t/m 6, rb] en respectievelijk:
- Niche Generics Limited („Niche”) en Unichem Laboratories Limited („Unichem”) [gedaagden sub 15 en 16, rb]: een overeenkomst die alle lidstaten uitgezonderd Italië en Kroatië dekte. De aanvangsdatum van de inbreuk was 8 februari 2005 [met uitzondering van: Letland vanaf 1 juli 2005, Bulgarije en Roemenië vanaf 1 januari 2007, Malta vanaf 1 maart 2007, rb] en de einddatum was 15 september 2008 [behalve voor het Verenigd Koninkrijk geëindigd [in de samenvatting is onjuist opgenomen
‘aanving’; in artikel 1 van Pro het Besluit staat
‘ended’, rb] op 6 juli 2007 en voor Nederland geëindigd op 12 december 2007, rb] (…).
- Mylan Laboratories Limited (voorheen bekend als Matrix Laboratories Limited) (…) en Mylan Inc. („Mylan”) [gedaagden sub 13 en 14, rb]: een overeenkomst die alle lidstaten uitgezonderd Italië en Kroatië dekte. De aanvangsdatum van de inbreuk was 8 februari 2005 [met uitzondering van Italië en Kroatië, rb] en de einddatum was 15 september 2008 [met uitzondering van Verenigd Koninkrijk, geëindigd op 6 juli 2007 en Nederland op 12 december 2007, rb];
- Teva UK Limited, Teva Pharmaceutical Industries Ltd en Teva Pharmaceuticals Europe B.V. („Teva”) [gedaagden sub 8 t/m 10, rb]: een overeenkomst die het Verenigd Koninkrijk dekte van 13 juni 2006 tot en met 6 juli 2007;
- Krka, tovarna zdravil, d.d., Novo mesto („Krka”) [gedaagde sub 11, rb]: drie overeenkomsten die één enkele en voortdurende inbreuk vormden en betrekking hadden op alle lidstaten uitgezonderd Kroatië, Tsjechië, Hongarije, Letland, Litouwen, Polen, Slowakije en Slovenië. De aanvangsdatum van de inbreuk was 27 oktober 2006 [zie uitzonderingen hiervoor, rb] en de einddatum was 6 mei 2009 [met uitzondering van Verenigd Koninkrijk, geëindigd op 6 juli 2007 en Nederland op 12 december 2007, rb];
- Lupin Limited („Lupin”) [gedaagde sub 12, rb]: een overeenkomst die alle lidstaten uitgezonderd Kroatië dekte. De aanvangsdatum van de inbreuk was 30 januari 2007 [zie uitzonderingen hiervoor, rb] en de einddatum was 6 mei 2009 [met uitzondering van Verenigd Koninkrijk, geëindigd op 6 juli 2007, Nederland op 12 december 2007 en Frankrijk op 16 september 2008, rb];
(…)
(5) Uit bewijsmateriaal is gebleken dat Servier een strategie heeft opgesteld om haar exclusiviteit over perindopril te verlengen. Servier beriep zich op, en verzocht om erkenning van een aantal octrooien op processen en kristalstructuren. In 2004 kocht Servier technologie van Azad [producent van APIs, rb] om perindopril te produceren, waardoor een directe bron van concurrentie uit de markt werd geweerd, hetgeen verder reikte dan alleen maar ingaan op de concurrentie en zorgen voor een gerechtvaardigde verdediging van haar intellectuele eigendom. Vervolgens deed Servier ook haar octrooien te gelde en ging zij octrooigeschillen aan met een aantal van haar generische concurrenten, die van oordeel waren dat de kans bestond dat hun perindoprilproducten geen schending van de octrooien van Servier opleverden en/of dat het 947-octrooi van Servier ongeldig was.
(6) Daarnaast sloot Servier tussen 2005 en 2007 vijf overeenkomsten voor octrooigeschillenbeslechting op basis van aanzienlijke inducements ten aanzien van de respectieve generische producenten (zogenoemde schikkingsovereenkomsten met „reverse payment”). Deze inducements namen meestal de vorm aan van directe betalingen, die in het totaal mogelijk meer dan 90 miljoen EUR bedroegen. In het geval van Krka namen zij de vorm aan van een afspraak voor onderlinge verdeling van de markt, waarbij Servier een licentie voor de kernmarkten van Krka verleende en Krka zich in ruil daarvoor uit de concurrentie terugtrok in de grootste markten van Servier (met name het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk). Krachtens de vijf overeenkomsten voor octrooigeschillenbeslechting was toetreding tot de markt met het ontwikkelde generische product verboden vóór het verval van de in rechte betwiste octrooien en werd een einde gemaakt aan een reeks juridische betwistingen over de geldigheid van het 947-octrooi, dat later door een rechter in het Verenigd Koninkrijk werd vernietigd met de woorden dat „dit soort octrooien het octrooistelsel een slechte naam kan geven”.
(…)

3.SAMENVATTING VAN DE JURIDISCHE BEOORDELING DOOR DE COMMISSIE

(…)

1.Afbakening van de markt en machtspositie

(12) De Commissie heeft vastgesteld dat perindopril een afzonderlijke relevante markt vormde in het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk, Nederland en Polen.
(…)
(14) Servier bleek een machtspositie te hebben op de markt voor perindopril in het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk, Nederland en Polen, voor een periode die ingaat vanaf 2000 en eindigt tussen 2007 en 2009 (naargelang van de specifieke nationale markt).
(15) In het besluit wordt ook een markt afgebakend voor de technologieën om perindopril API te produceren. De conclusie was met name gebaseerd op de inelasticiteit van de vraag zoals gebleken is uit verschillende factoren (bijvoorbeeld het gebrek aan mogelijkheden om API-technologie te gebruiken voor andere geneesmiddelen om perindopril API aan te maken). Servier bleek ten minste voor de periode 2001-2007 eveneens een machtspositie te hebben op de technologiemarkt.
(…)
2.
Toepassing van artikel 101 van Pro het Verdrag betreffende octrooigeschillenbeslechting
(…)
(22) Voor de markten in het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk, Nederland en Polen heeft de Commissie geconcludeerd dat elk van de overeenkomsten voor octrooigeschillenbeslechting (met inbegrip van de daarmee gerelateerde overeenkomsten) restrictieve gevolgen kon meebrengen rekening houdend met de concurrentie die zich in geval van niet-bestaan van de overeenkomst zou hebben voorgedaan, en de beperkte graad van overblijvende concurrentie.
3.
Toepassing van artikel 102 Verdrag Pro op verwerving van technologie en overeenkomsten voor octrooigeschillenbeslechting
(…)
(28) De uitsluitingsstrategie die Servier ten uitvoer heeft gelegd door het sluiten van de bovengenoemde zes overeenkomsten binnen een periode van 27 maanden, vormt derhalve één enkele en voortdurende inbreuk op artikel 102 van Pro het Verdrag in de periode 2004-2009 op de markt voor perindoprilformuleringen in het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk, Nederland en Polen, en op de EU-markt voor perindopril API-technologie. In het besluit wordt geen enkele van de bestanddelen aangewezen als een op zichzelf staande inbreuk op artikel 102 van Pro het Verdrag.
(…)
6.
GELDBOETEN
(34) Voor de inbreuk op de artikelen 101 en 102 werden de volgende specifieke geldboeten opgelegd:
- voor de inbreuk op artikel 101 van Pro het Verdrag, tussen Niche/Unichem en Servier:
a) Niche Generics Limited en Unichem Laboratories Limited, gezamenlijk en hoofdelijk aansprakelijk: 13 968 773 EUR;
b) Servier S.A.S., Les Laboratoires Servier, Servier Laboratories Limited, en Biogaran, gezamenlijk en hoofdelijk aansprakelijk: 131 532 600 EUR;
- voor de inbreuk op artikel 101 van Pro het Verdrag, tussen Matrix/Mylan en Servier:
a) Mylan Laboratories Limited: 17 161 140 EUR, waarvan 8 045 914 EUR gezamenlijk en hoofdelijk aansprakelijk met Mylan Inc.;
b) Servier S.A.S. en Les Laboratoires Servier, (…) 79 121 700 EUR;
- voor de inbreuk op artikel 101 van Pro het Verdrag, tussen Teva en Servier:
a) Teva UK Limited, Teva Pharmaceuticals Europe B.V. en Teva Pharmaceutical Industries Ltd, gezamenlijk en hoofdelijk aansprakelijk: 15 569 395 EUR;
b) Servier S.A.S., Les Laboratoires Servier en Servier Laboratories Limited, gezamenlijk en hoofdelijk aansprakelijk: 4 309 000 EUR.
- voor de inbreuk op artikel 101 van Pro het Verdrag, tussen Krka en Servier:
a) Krka, tovarna zdravil, d.d., Novo mesto: 10 000 000 EUR;
b) Servier S.A.S. en Les Laboratoires Servier, gezamenlijk en hoofdelijk aansprakelijk: 37 661 800 EUR.
- voor de inbreuk op artikel 101 van Pro het Verdrag, tussen Lupin en Servier:
a) Lupin Limited: 40 000 000 EUR;
b) Servier S.A.S. en Les Laboratoires Servier, gezamenlijk en hoofdelijk aansprakelijk: 37 102 100 EUR;
- voor de inbreuk van Servier op artikel 102 van Pro het Verdrag:
(a) Servier S.A.S., gezamenlijk en hoofdelijk aansprakelijk met Les Laboratoires Servier: 41 270 000 EUR.
(…).”
2.6.
De Producenten hebben (per groep en sommige individueel) over dit Besluit gerechtelijke procedures ingesteld bij het Gerecht van de EU en het Hof van Justitie van de EU (HvJ EU).
2.6.1.
De gerechtelijke beroepsprocedures van gedaagden Mylan, Lupin, Niche Generics Limited, Unichem Laboratories Limited, Teva en Biogaran zijn bij arresten van 27 juni 2024 van het HvJ EU [3] geëindigd met verwerping van hun vordering tot vernietiging van het Besluit van 9 juli 2014 van de Commissie.
2.6.2.
Servier S.A.S., Servier Laboratories Limited en Les Laboratoires Servier hebben ook beroep ingesteld bij het Gerecht van de EU strekkende tot nietigverklaring van het gehele Besluit dan wel verlaging van het bedrag van de opgelegde geldboeten. Het Gerecht van de EU heeft bij uitspraak van 12 december 2018 [4] de beslissing van de Commissie over de inbreuk op artikel 101 VWEU Pro door enerzijds Krka en anderzijds Servier S.A.S. en Les Laboratoires nietig verklaard. Verder heeft het Gerecht van de EU de beslissing van de Commissie dat Servier S.A.S. en Les Laboratoires misbruik hebben gemaakt van hun machtspositie (artikel 102 VWEU Pro) nietig verklaard. De aan Krka, Servier S.A.S. en Les Laboratoires opgelegde geldboeten in het Besluit zijn eveneens vernietigd. De verzoeken van Servier S.A.S., Servier Laboratories Limited en Les Laboratoires Servier gericht op de overige beslissingen, waaronder de verschillende aan hen opgelegde geldboeten, in het Besluit van de Commissie zijn afgewezen door het Gerecht van de EU.
2.6.3.
Het HvJ EU heeft bij arrest van 27 juni 2024 [5] de (hiervoor onder 2.6.2 vermelde) procedure die was ingesteld door Servier S.A.S., Servier Laboratories Limited en Les Laboratoires Servier terug verwezen naar het Gerecht van de EU voor een nadere uitspraak over de kwalificatie van de overdracht- en licentieovereenkomst tussen Krka en Servier S.A.S. en Les Laboratoires Servier, over de door de Commissie vastgestelde inbreuk op artikel 102 VWEU Pro door Servier S.A.S. en Les Laboratoires Servier en de berekening van de daarvoor opgelegde geldboete.
2.6.4.
Het Gerecht van de EU heeft bij uitspraak van 12 december 2018 [6] de beslissing van de Commissie dat de overeenkomsten tussen Servier S.A.S. en Les Laboratoires Servier enerzijds en Krka anderzijds in strijd zijn met artikel 101 VWEU Pro vernietigd.
2.6.5.
Het HvJ EU heeft bij arrest van 27 juni 2024 [7] de procedure ingesteld door Krka de uitspraak van het Gerecht van de EU [8] terzijde geschoven en de procedure terug verwezen naar het Gerecht van de EU voor het opnieuw beoordelen van de aard van de overeenkomsten die Krka heeft gesloten met Servier S.A.S. en Les Laboratoires Servier.

3.Het geschil

in de hoofdzaak

3.1.
De Zorginkopers vorderen een verklaring voor recht dat de Producenten jegens ieder van hen hoofdelijk aansprakelijk zijn voor het geheel van de door hen geleden schade als gevolg van de Inbreuken, en de Producenten hoofdelijk te veroordelen tot een voor ieder van de eiseressen begroot bedrag (hetgeen neerkomt op een totaalbedrag van € 101.407.000), te vermeerderen met rente en kosten.
in de incidenten
vrijwaringsincidenten
3.2.
Alle (groepen van) gedaagden vorderen toestemming voor het in vrijwaring dagvaarden van de andere (groepen van) gedaagden.
3.3.
De Zorginkopers refereren zich aan het oordeel van de rechtbank, met het verzoek dat de hoofdzaak niet onnodig zal worden vertraagd door de vrijwaringsprocedures. Dit is ook niet nodig aangezien alle gedaagden uitsluitend elkaar in vrijwaring wensen op te roepen en dus al betrokken zijn in de hoofdzaak.
bevoegdheidsincidenten
3.4.
De Eisers in het Bevoegdheidsincident vorderen dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart kennis te nemen van de vorderingen van de Zorginkopers op hen.
3.4.1.
Krka verzoekt daarbij ook toestemming om tussentijds hoger beroep te mogen instellen bij een afwijzing van de door haar opgeworpen bevoegdheidsexceptie.
aanhoudingsincidenten
3.5.
De Producenten hebben een voorwaardelijk verzoek tot aanhouding ingesteld. Zij stellen daartoe – kort gezegd – dat het gerechtshof Amsterdam in de zaken ‘Karton’ en ‘Stroomkabels’ [9] prejudiciële vragen heeft gesteld aan het HvJ EU en dat de antwoorden op die vragen van belang zijn voor de vraag of deze rechtbank rechtsmacht toekomt voor de vorderingen van de Zorginkopers. Het gerechtshof Amsterdam heeft in een vergelijkbare procedure [10] de beslissing over zijn bevoegdheid aangehouden totdat het HvJ EU de gestelde prejudiciële vragen heeft beantwoord, aldus de Producenten.
kosten incidenten
3.6.
Eisers in het Bevoegdheidsincident hebben verzocht om veroordeling van de Zorginkopers in de kosten van de ingestelde incidenten, Teva en Lupin hebben een hoofdelijke veroordeling van de Zorginkopers verzocht.

4.De beoordeling in de bevoegdheidsincidenten

Inleiding

4.1.
Stichting FIRS, Servier International B.V., Servier Farma Nederland B.V. en Teva BV zijn in Nederland gevestigd. De overige gedaagde partijen zijn gevestigd in Frankrijk, Slovenië, het Verenigd Koninkrijk, de Verenigde Staten van Amerika, Israël en India. De Zorginkopers zijn gevestigd in verschillende EU-lidstaten en IJsland, geen van de eiseressen is gevestigd in Nederland. Dit alles maakt dat dit een internationaal geschil is, en dat deze rechtbank daarom ambtshalve moet toetsen of haar rechtsmacht toekomt voor de vorderingen van de Zorginkopers op de niet in Nederland gevestigde gedaagde partijen. Dit geldt dus ook voor de buiten Nederland gevestigde Servier-gedaagden ook al hebben zij geen bevoegdheidsexceptie opgeworpen.
4.2.
Voor het vaststellen van de rechtsmacht van deze rechtbank gelden de bevoegdheidsregels uit de Eerste afdeling van de Eerste titel van het Eerste boek Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) en Brussel I bis [11] , meer in het bijzonder:
voor de gedaagden gevestigd in Nederland (Stichting FIRS, Servier International B.V., Servier Farma Nederland B.V. en Teva BV) het bepaalde in artikel 2 Rv Pro;
voor de gedaagden gevestigd in een andere EU-lidstaat (Servier S.A.S., Les Laboratoires Servier, Biogaran en Krka) de bevoegdheidsregels in Brussel I bis; en
voor de overige buitenlandse gedaagden (Servier Laboratories Limited, Teva Pharmaceutical Industries Ltd, Teva UK, Mylan, Lupin en Niche/Unichem) de bevoegdheidsregels in artikelen 1 tot en met 14 Rv.
4.3.
Uitgangspunt in beide regelingen is dat partijen worden gedagvaard voor een rechtbank in hun woonplaats. Daarop zijn uitzonderingen mogelijk (bijzondere bevoegdheidsregels, zie artikel 5 Brussel Pro I bis en artikelen 6 tot en met 10 Rv). De Zorginkopers hebben een beroep gedaan op de bijzondere bevoegdheidsregels van artikel 8 onder Pro 1 Brussel I bis en artikel 7 lid 1 Rv Pro (de ‘ankergedaagde-regel’).
4.4.
Uit artikel 2 Rv Pro volgt dat deze rechtbank rechtsmacht heeft ten aanzien van de vorderingen van de Zorginkopers op Stichting FIRS, Servier International B.V., Servier Farma Nederland B.V. en Teva BV.
4.5.
Alle Servier-gedaagden zijn verschenen en hebben de bevoegdheid van deze rechtbank niet betwist. Deze rechtbank heeft dus rechtsmacht voor de vorderingen van de Zorginkopers op Servier S.A.S., Les Laboratoires Servier en Biogaran (alle in Frankrijk gevestigd, artikel 26 lid 1 Brussel Pro I bis) en Servier Laboratories Limited (gevestigd in het Verenigd Koninkrijk, artikel 9 Rv Pro).
Rechtsmacht voor vorderingen op de Eisers in het Bevoegdheidsincident
4.6.
In de kern is de stelling van de Zorginkopers, dat de Nederlandse rechter ten aanzien van de Eisers in het Bevoegdheidsincident rechtsmacht heeft, gebaseerd op de gedachte dat de verschillende door de Commissie in het Besluit vastgestelde inbreuken in feite zijn aan te merken als één enkele en voortdurende inbreuk op de artikelen 101 en 102 VWEU, waaraan alle geadresseerden van het Besluit hebben deelgenomen. Vervolgens doen de Zorginkopers een beroep op het ondernemingsbegrip in het Europese (mededingings)recht en de jurisprudentie van het HvJ EU (Akzo [12] , Sumal [13] en Heineken [14] ) om te concluderen dat deze rechtbank bevoegd is om van dit geschil kennis te nemen omdat de Nederlandse Servier-gedaagden en gedaagde sub 8 (Teva BV) in Nederland (en deels in Amsterdam) zijn gevestigd. Dit is, zoals hierna zal worden toegelicht, te kort door de bocht. Omdat de inhoud en reikwijdte van het Besluit van wezenlijk belang zijn voor de beoordeling van de bevoegdheidsincidenten, zal daarop hierna eerst worden ingegaan.
Inhoud en reikwijdte van het Besluit
4.7.
In de dagvaarding hebben de Zorginkopers – specifiek over de bevoegdheid van deze rechtbank – gesteld dat alle Servier-gedaagden gevestigd buiten Nederland (Servier S.A.S., Les Laboratoires Servier, Servier Laboratories Limited en Biogaran) en alle Eisers in het Bevoegdheidsincident hebben deelgenomen aan één overkoepelende uitsluitingsstrategie, ontwikkeld en geïmplementeerd door de Servier-gedaagden, die was gericht op het kunstmatig vertragen van markttoetreding van producenten van generieke medicijnen met een generiek perindopril medicijn. De vorderingen van de Zorginkopers zijn gebaseerd op hetzelfde overkoepelende doel en gedrag bestaande uit het misbruik van machtspositie door de Servier-gedaagden (artikel 102 VWEU Pro) en de daaruit voortkomende overeenkomsten tussen de Eisers in het Bevoegdheidsincident en de Servier-entiteiten (artikel 101 VWEU Pro). Zoals het letterlijk in de dagvaarding staat:
“alle gedaagden (worden) in rechte betrokken in hun hoedanigheid van ondernemingen die zich volgens het Besluit schuldig hebben gemaakt aan een enkele en voortdurende inbreuk op het mededingingsrecht.” [15]
4.8.
Dit is simpelweg onjuist. In het Besluit is niet één enkele en voortdurende inbreuk vastgesteld. In het Besluit zijn zes (6) afzonderlijke inbreuken vastgesteld. Dit zijn (i) de inbreuk op artikel 102 VWEU Pro door Servier S.A.S. en Les Laboratoires Servier (gedaagden sub 4 en 5) en daarnaast vijf ‘pay-for-delay-overeenkomsten’ (in het Besluit: overeenkomsten voor octrooigeschillenbeslechting (zogenoemde schikkingsovereenkomsten met „reverse payment”, zie 2.5.2)), tussen enerzijds verschillende Servier-ondernemingen die geadresseerden zijn van het Besluit en anderzijds:
(ii) Niche/Unichem (gedaagden sub 15 en 16);
(iii) Mylan (gedaagden sub 13 en 14);
(iv) Teva (gedaagden sub 8 t/m 10);
(v) Krka (gedaagde sub 11),
(vi) Lupin (gedaagde sub 12).
Deze laatste vijf inbreuken worden hierna ook wel genoemd ‘de kartelafspra(a)k(en)’.
Dat deze zes inbreuken gezamenlijk niet als één enkele en voortdurende inbreuk kunnen worden aangemerkt, wordt hierna toegelicht.
4.9.
Vooraf wordt opgemerkt dat de rechtbank dient uit te gaan van de juistheid van het Besluit van de Commissie, tenzij dit wordt vernietigd door het Gerecht van de EU of het HvJ EU [16] . Indien in een dergelijke beroepsprocedure nog geen definitieve uitspraak is gedaan, geldt het Besluit van de Commissie. Deze rechtbank kan niet anders beslissen dan de Commissie heeft beslist. Dit is ook niet in geschil.
4.10.
Zoals hiervoor vermeld hebben de Zorginkopers in hun dagvaarding gesteld dat sprake is van één enkele en voortdurende inbreuk op het mededingingsrecht. In de incidentele conclusie van antwoord hebben de Zorginkopers ter ondersteuning van deze stelling gewezen op de punten 2786, 2786, 2788, 2789 en 2791 van het Besluit:
“(…)
8.1.3
Servier’s strategy was broadly recognised by the generic industry
(2785)
Servier’s exclusionary strategy of buying out close sources of competitive threats (…) was promptly recognised as such by generic companies. (…).
(2786)
As early as 7 February 2005, an internal Teva email stated that
“Teva development [was] delayed as cannot acquire any API (Servier keep buying up API companies)”. (…).
(2787)
Just a few months later, on 17 Juni 2005, an internal Ivax/Teva email indicated, after a meeting with Krka, their perceptions:
“KRKA feel there is a strong likelihood that Servier will attempt to buyout all API manufacturers (…)”. (…).
(…)
(2789)
(…). This confirms that eliminating potential sources of competition was already perceived as a continuous source of conduct, in the further context of heightened barriers to entry, which was also part of Servier’s strategy in order to limit the number of potential sources.
(2790)
Then, shortly after the Krka settlement (…) Lupin showed, in an internal document of 14 November 2006, its awareness of Servier’s previous settlements and painted the overall picture of Servier’s implementation of its anti-generic strategy. (…) the picture Lupin paints clearly show how Servier fettered with the incentives of generic companies to engage in competition instead concluding settlements with them.
(2791)
The pattern of servier’s settlements became so obvious that, even after the Lupin settlement, generics anticipated further settlements. An internal Teva communication of 27 February 2007 commented on the litigation between Servier and Apotex, the last
“hostile player”after all the investigated transactions has taken place. (…).
(…).”
4.11.
Deze passages in het Besluit van de Commissie kunnen de stelling van de Zorginkopers echter niet dragen. Dat blijkt ook duidelijk uit het arrest van 12 december 2018 van het Gerecht van de EU in de beroepsprocedure, ingesteld door Servier S.A.S., Les Laboratoires Servier en Servier Laboratories Limited [17] , zoals de Eisers in het Bevoegdheidsincident terecht hebben aangevoerd.
4.11.1.
De door de Zorginkopers aangehaalde passages van het Besluit zijn onderdeel van hoofdstuk 8 getiteld
“Economic and legal assessment of Servier’s acquisition of technology and patent settlements concluded by Servier under article 102 of the Treaty”en zijn opgenomen in hoofdstuk 8.1.3 getiteld
“Servier’s strategy was broadly recognised by the generic industry”. Hoofdstuk 8 van het Besluit is gericht op de bevindingen van de Commissie over het onderzochte misbruik van machtspositie door Servier S.A.S. en Les Laboratoires Servier, en dus de inbreuk op artikel 102 VWEU Pro, zoals mr. Stein en mr. Kortmann namens alle Eisers in het Bevoegdheidsincident terecht hebben betoogd ter zitting.
4.11.2.
De door de Zorginkopers aangehaalde passages gaan slechts over de kennis die ieder van de Eisers in het Bevoegdheidsincident heeft gehad van de gedragingen van de Servier-geadresseerden. Uit die passages – en het gehele Besluit – volgt niet dat de kartelafspraken één enkele en voortdurende inbreuk vormen, gepleegd door de Servier-ondernemingen en de bij die kartelafspraken betrokken wederpartijen van de Servier-ondernemingen tezamen.
4.11.3.
De Commissie heeft wel beslist dat Servier S.A.S. en Les Laboratoires Servier zich schuldig hebben gemaakt aan één enkele en voortdurende inbreuk op artikel 102 VWEU Pro – misbruik van machtspositie – mede door het sluiten van de kartelafspraken met Teva, Mylan, Lupin, Krka en Niche/Unichem in verschillende jaren:
“(…)
8.1.4
Conclusion on Servier’s overall strategy
(2793)
Faced with the expiry of the compound patent protection after up to 15 years of product exclusively, Servier put in place and rigorously pursued a comprehensive strategy using all complementary means to protect perindopril. This broader strategy relied on creating a
“maze of patents”, and influencing regulatory standards so they would, for example
“lead to use of[Servier’s]
protected processes”and thus influenced the parameters for viable market entry by generic perindopril. Within the broader context, Servier pursued a targeted strategy (…) to remove, before market entry, all close sources of competitive threats (…). By and large, these threats were not ousted from competition based on the merit of Servier (…) but by string of technology acquisitions (Azad in 2004, Sandoz (failed) in 2008) and rent sharing in the form of a series of reverse payment patent settlements with generic companies (Niche/Unichem and Matrix [thans: Mylan, rb] in 2005, Teva and Krka in 2006, Lupin in 2007).
(2794)
(…) considering the clear pattern of Servier’s conduct and based on contemporaneous evidence, the acquisition of Azad’s patent application and related know-how by Servier (…) and the reverse payment patent settlements can be seen to form a single and continuous exclusionary strategy by Servier. (…).
(…)”
De Commissie heeft een separate boete opgelegd aan Servier S.A.S. en Les Laboratoires Servier voor de inbreuk op artikel 102 VWEU Pro.
4.11.4.
Ook hieruit kan niet worden afgeleid dat de Commissie de verwijten aan Servier S.A.S. en Les Laboratoires Servier ter zake misbruik van machtspositie ook toerekent aan de Eisers in het Bevoegdheidsincident.
4.11.5.
Deze gedragingen van de betrokken Franse Servier-gedaagden richtten zich bovendien juist tegen andere medicijnproducenten en dus ook tegen de Eisers in het Bevoegdheidsincident, zoals mr. Stein en mr. Kortmann namens deze groep gedaagden ter zitting – onweersproken – hebben betoogd.
4.12.
De Commissie heeft (dus) vijf verschillende inbreuken op artikel 101 VWEU Pro (kartelafspraken) vastgesteld tussen enerzijds deze Servier-gedaagden (en in het geval van Niche/Unichem ook Servier Laboratories Limited en Biogaran; en in geval van Teva ook Server Laboratories Limited) en anderzijds elk van de Eisers in het Bevoegdheidsincident. Dit zijn steeds separate inbreuken. De Commissie heeft de betrokken Servier-gedaagden expliciet vijf verschillende boetes opgelegd – één voor iedere separate kartelafspraak. Ook die verschillende kartelafspraken samen zijn door de Commissie dus niet beschouwd als één enkele en voortdurende inbreuk door de Producenten. Dit is ook in rechte vast komen te staan, zoals hierna wordt toegelicht.
4.12.1.
Met name Servier S.A.S. en Les Laboratoires Servier hebben de Commissie verzocht één boete op te leggen. De Commissie heeft overwogen:
“(…)
10.2.3
The calculation of the fines for Servier
(…)
(3120)
Servier argued in its reply to the Statement of Objections that the fine would be exceptionally severe if the infringements of Articles 101 and 102 of the Treaty were cumulated and different agreements were treated as separate infringements. As analysed in section 5, Servier entered into separate agreements with five (potential) competitors and each of these agreements infringed Article 101 of the Treaty. As analysed in section 8, the acquisition of technology from Azad and the reverse payment patent settlements also constituted a single and continuous infringement of Article 102 of the Treaty. It follows from Article 23(2) of Regulation (EC) No 1/2003 and is consistent with the Guidelines on fines that separate fines should be imposed for each infringement. (…).
(…).”
4.12.2.
Het Gerecht van de EU heeft in zijn arrest van 12 december 2018 in de beroepsprocedure van het Besluit ingesteld door Servier S.A.S., Les Laboratroires Servier en Servier Laboratories Limited over dit alles overwogen: [18]
“(…)
1271
Tot slot moet worden opgemerkt dat de complementariteit van de overeenkomsten of de onderling afgestemde feitelijke gedragingen een objectieve aanwijzing kan vormen voor het bestaan van een totaalplan dat als enige doel heeft de mededinging te beperken. Van een dergelijke complementariteit is sprake wanneer elke overeenkomst of onderling afgestemde feitelijke gedraging bedoeld is om het hoofd te bieden aan een of meer gevolgen van de normale mededinging en zij door hun wisselwerking bijdragen tot de verwezenlijking van één enkel doel, namelijk de mededinging beperken (zie in die zin arresten van 28 april 2010, Amann & Söhne en Cousin Filterie/Commissie, T446/05, EU:T:2010:165, punt 92 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 16 september 2013, Masco e.a./Commissie, T378/10, EU:T:2013:469, punten 22, 23 en 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Thans moeten in het licht van voorgaande algemene overwegingen de bijzondere omstandigheden van het geval worden onderzocht.
1272
Dienaangaande moet allereerst worden opgemerkt dat verzoeksters partij waren bij afzonderlijke schikkingsovereenkomsten die, naargelang van de overeenkomst, met één of met meerdere verschillende generieke ondernemingen waren gesloten, en dat die afzonderlijke overeenkomsten als zodanig een inbreuk vormden op artikel 101 VWEU Pro, zoals blijkt uit het onderzoek van de middelen die specifiek tegen elk van de overeenkomsten zijn gericht.
1273
In een dergelijke context had de Commissie, gelet op de hierboven in herinnering gebrachte rechtspraak, de betrokken schikkingsovereenkomsten uitsluitend als één enkele voortgezette inbreuk op artikel 101 VWEU Pro kunnen aanmerken indien zij met name had kunnen vaststellen dat die overeenkomsten deel uitmaakten van een totaalplan.
1274
Bijgevolg vereiste de vaststelling van één enkele inbreuk dat Servier en alle betrokken generieke ondernemingen de litigieuze overeenkomsten met ten minste één gemeenschappelijk doel hadden gesloten.
1275
Het bestaan van een dergelijk nauwkeurig omschreven doel wordt evenwel niet, althans niet uitdrukkelijk, door verzoeksters aangevoerd.
1276
1276
Dat van een dergelijk doel sprake is, blijkt evenmin uit de stukken van het dossier.
(…)
1282
Bij gebreke van een aan Servier en iedere generieke onderneming gemeenschappelijk doel en dus van een totaalplan heeft de Commissie terecht vastgesteld dat de betrokken schikkingsovereenkomsten niet één enkele inbreuk vormden.
(…)
1686
Wat het eerste argument betreft, kon de Commissie, zoals blijkt uit punt 1282 hierboven, niet vaststellen dat Servier en de afzonderlijke generieke ondernemingen een gemeenschappelijk doel en dus een totaalplan hadden.
1687
Bij gebreke van een dergelijk gemeenschappelijk doel en een totaalplan kon de Commissie niet concluderen dat er sprake was van één enkele inbreuk. Zij had dus het recht om Servier voor elk van de vastgestelde inbreuken een afzonderlijke geldboete op te leggen.
(…).”
4.12.3.
Deze overwegingen zijn niet aan de orde gesteld in het hoger beroep van dit arrest ten overstaan het HvJ EU [19] en staan daarom vast.
4.13.
Het Gerecht van de EU heeft dus uitdrukkelijk overwogen dat de kartelafspraken (de pay-for-delay-overeenkomsten) genoemd in het Besluit gezamenlijk niet als één enkele en voortdurende inbreuk op artikel 101 VWEU Pro kunnen worden beschouwd en dat de Commissie terecht voor iedere afzonderlijke kartelafspraak een afzonderlijke boete heeft opgelegd aan enerzijds de betrokken Servier-gedaagden en anderzijds de betrokken wederpartij (een van de Eisers in het Bevoegdheidsincident). De Commissie en het Gerecht van de EU hebben geen betrokkenheid geconstateerd van de Eisers in het Bevoegdheidsincident bij de voortdurende inbreuk op artikel 102 VWEU Pro door Servier S.A.S. en Les Laboratoires Servier.
4.14.
In het licht van dit alles wordt hier dan ook vastgesteld dat de juridische grondslagen van de vorderingen van de Zorginkopers op de Servier-gedaagden, die zijn gebaseerd op de inbreuk op artikel 102 VWEU Pro, niets van doen hebben met de vorderingen van de Zorginkopers die zijn gebaseerd op de inbreuk op artikel 101 VWEU Pro – zoals de Eisers in het Bevoegdheidsincident terecht hebben betoogd.
Ankergedaagde-regel
4.15.
De Zorginkopers doen een beroep op de bijzondere bevoegdheidsregel van ankergedaagde om de rechtsmacht van deze rechtbank voor haar vorderingen op de Eisers in het Bevoegdheidsincident vast te stellen (artikel 8 punt Pro 1 Brussel I bis voor in de EU gevestigde gedaagden en artikel 7 lid 1 Rv Pro voor de buiten de EU gevestigde gedaagden).
Beoordelingskader
4.16.
Artikel 8 Brussel Pro I bis voorziet in een bijzondere bevoegdheid in geval van pluraliteit van verweerders. Het eerste lid is hier van belang:
Een persoon die op het grondgebied van een lidstaat woonplaats heeft, kan ook worden opgeroepen:
1. indien er meer dan één verweerder is: voor het gerecht van de woonplaats van een hunner, op voorwaarde dat er tussen de vorderingen een zo nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven (…).
4.17.
De formulering van artikel 7 lid 1 Rv Pro is vrijwel gelijkluidend. Anders dan de Zorginkopers hebben betoogd, wordt ook voor de uitleg van deze bepaling aangesloten bij de uitleg van artikel 8 Brussel Pro I bis door het HvJ EU. Het verschil tussen artikel 8 onder Pro 1 Brussel I bis en artikel 7 lid 1 Rv Pro is de woonplaats van de ankergedaagde: voor artikel 8 onder Pro 1 Brussel I bis is vereist dat de ankergedaagde woonplaats heeft in het arrondissement van de aangezochte rechtbank (in dit geval dus Amsterdam) en voor artikel 7 lid 1 Rv Pro is voldoende dat de ankergedaagde woonplaats in Nederland heeft. De overige vereisten voor de ankergedaagde zijn voor beide artikelen gelijk en dienen conform de uitleg van het HvJ EU over artikel 8 Brussel Pro I bis te worden toegepast.
4.18.
Op grond van artikel 8 onder Pro 1 Brussel I bis kan de eiser, in geval hij meerdere verweerders uit verschillende EU-lidstaten dagvaardt, bij uitzondering kiezen een verweerder op te roepen voor het gerecht waar een van de verweerders woonplaats heeft, de ‘ankerverweerder’ (of ‘ankergedaagde’). Artikel 7 lid 1 Rv Pro biedt de eiser dezelfde uitzondering voor het geval van meerdere verweerders uit andere landen dan EU-lidstaten.
4.19.
Artikel 8 Brussel Pro I bis (en daarmee ook artikel 7 lid 1 Rv Pro) moet restrictief (“eng”) worden uitgelegd [20] . Er is slechts sprake van een (voldoende) ‘nauwe band’ tussen de vorderingen (per gedaagde, per vordering en per rechtsgrondslag) als voldaan is aan de volgende (cumulatieve) vereisten:
  • i) er moet sprake zin van eenzelfde situatie feitelijk en rechtens tussen (een van) de Nederlandse gedaagden (Stichting FIRS, Servier International B.V., Servier Nederland Farma B.V., Teva BV) enerzijds en (ieder van) de niet in Nederland gevestigde gedaagden (alle overige gedaagden) anderzijds;
  • ii) er mag in geval van afzonderlijke berechting geen gevaar voor onverenigbare beslissingen bestaan;
  • iii) de bevoegdheid van de Nederlandse rechter moet voor ieder van de niet in Nederland gevestigde gedaagden voorzienbaar zijn geweest
( iv) er mag geen sprake zijn van misbruik van recht.
4.20.
Met dit laatste vereiste wordt beoogd te voorkomen dat de eiser vorderingen instelt tegen verschillende verweerders met het enkele doel een verweerder af te trekken van de rechter van het land waar hij zijn woonplaats heeft. Een aangezochte rechter kan een eventuele omzeiling van de in artikel 8 onder Pro 1 Brussel I bis vastgelegde bevoegdheidsregel slechts vaststellen, indien er afdoende bewijs is op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat de verzoeker de voorwaarden voor toepassing van genoemde bepaling kunstmatig heeft gecreëerd of gehandhaafd.
4.21.
De vereisten onder (iii) en (iv) zijn bedoeld als beperking van toepassing van de bijzondere bevoegdheidsregel en niet als voorwaarde voor het toepassen van deze bijzondere bevoegdheidsregel. [22]
Wie als ankergedaagde?
4.22.
Om als ankergedaagde te worden gezien in deze procedure ten overstaan van deze rechtbank, is vereist dat die gedaagde partij is gevestigd in Amsterdam (artikel 8 onder Pro 1 Brussel I bis) dan wel in Nederland (artikel 7 lid 1 Rv Pro).
4.23.
Dat de buitenlandse Servier-gedaagden in deze procedure zijn verschenen zonder de bevoegdheid van deze rechtbank te betwisten (stilzwijgende forumkeuze), brengt – anders dan de Zorginkopers proberen te betogen – niet met zich dat deze als ankergedaagde kunnen dienen. Door een forumkeuze (expliciet dan wel stilzwijgend) verandert de vestigingsplaats van die rechtspersoon niet.
4.24.
Dan resteren de drie Nederlandse Servier-gedaagden en Teva BV. Deze gedaagden zijn ook expliciet aangewezen als ankergedaagde door de Zorginkopers.
4.25.
Onderzocht moet worden of een of meer van deze vier partijen als ankergedaagde kan worden aangemerkt – waarop dan mogelijk de rechtsmacht ten aanzien van de niet in Nederland gevestigde gedaagde partijen kan worden gebaseerd.
Nederlandse gedaagden
4.26.
Stichting FIRS, Servier International B.V. en Teva BV zijn alle drie gevestigd in Amsterdam. Zij zijn dus opgeroepen voor het gerecht van hun woonplaats (artikel 8 onder Pro 1 Brussel I bis). Daarnaast heeft deze rechtbank rechtsmacht ten aanzien van Stichting FIRS, Servier International B.V. en Teva BV (artikel 7 lid 1 Rv Pro). In beginsel kan elk van deze rechtspersonen als ankergedaagde dienen voor de overige niet in Nederland gevestigde gedaagden.
4.27.
Dit geldt niet voor Servier Nederland Farma B.V. (gevestigd in Leiden), Deze vennootschap kan niet worden beschouwd als ankergedaagde voor de gedaagden met een vestigingsplaats in de EU (Servier S.A.S., Les Laboratoires Servier, Biogaran en Krka) in deze procedure. Dit neemt niet weg dat wel dient te worden onderzocht of Servier Nederland Farma B.V. als ankergedaagde voor de andere gedaagden kan dienen (artikel 7 lid 1 Rv Pro).
4.28.
De Zorginkopers hebben een onderscheid gemaakt tussen de Nederlandse Servier-gedaagden en Teva BV. Volgens de Zorginkopers zijn de Nederlandse Servier-gedaagden medeaansprakelijk voor hun schade als gevolg van de inbreuken op het Europese mededingingsrecht door de andere Servier-gedaagden op grond van het ondernemingsbegrip ‘economische eenheid’ in het Europees mededingingsrecht. Teva BV is gedagvaard omdat zij geadresseerde is van het Besluit. Daarnaast heeft Teva BV een bevoegdheidsexceptie opgeworpen en de Nederlandse Servier-gedaagden niet. Door dit alles is er een verschil in de beoordeling of de Nederlandse Servier-gedaagden en/of Teva BV kunnen dienen als ankergedaagde voor de Eisers in het Bevoegdheidsincident.
Nederlandse Servier-gedaagden ankergedaagden voor Eisers in het Bevoegdheidsincident?
eenzelfde situatie feitelijk en rechtens?
4.29.
De Zorginkopers stellen dat de Nederlandse Servier-gedaagden, Stichting FIRS, Servier International B.V. en Servier Nederland Farma B.V., als ankergedaagden voor de overige gedaagden kunnen worden beschouwd.
4.30.
Over de grondslagen voor hun vorderingen op de Nederlandse Servier-gedaagden hebben de Zorginkopers betoogd dat de Servier-gedaagden een onderneming (in de zin van het Europese (mededingings)recht) vormen waarvan Servier S.A.S. aan het hoofd staat. Stichting FIRS heeft de exclusieve zeggenschap heeft over het bestuur van Servier S.A.S. en bepaalt de strategie van de Servier-groep. Servier S.A.S. houdt 52% van haar eigen aandelen en is de moedermaatschappij van Servier International B.V. die de moedermaatschappij is van Servier Laboratories Limited (geadresseerde in het Besluit) en Servier Nederland Farma B.V. De vennootschap Servier International B.V. houdt zich bezig met de wereldwijde handel in geneesmiddelen. De Servier-gedaagden vormen daarom een economische eenheid. De Nederlandse Servier-gedaagden zijn daarom medeaansprakelijk voor de schade die de overige Servier-gedaagden hebben veroorzaakt met de voortdurende inbreuk op het Europese mededingingsrecht, aldus steeds de Zorginkopers.
4.31.
De Servier-gedaagden hebben deze stellingen van de Zorginkopers in dit stadium van de procedure niet betwist.
4.32.
Ter zitting hebben de Zorginkopers bij herhaling (ten aanzien van iedere gedaagde partij die de bevoegdheid betwist) betoogd dat de vereiste nauwe band – dan wel samenhang – bestaat tussen haar vorderingen op de Servier-geadresseerden van het Besluit en de vorderingen op ieder van de Eisers in het Bevoegdheidsincident omdat (i) alle bedoelde partijen geadresseerden zijn van het Besluit en (ii) zij zich (kort gezegd) schuldig hebben gemaakt aan één enkele en voortdurende inbreuk op het mededingingsrecht.
4.33.
Dat een nauwe band – dan wel samenhang – bestaat tussen de vorderingen van de Zorginkopers op de Servier-geadresseerden en hun vorderingen op de Eisers in het Bevoegdheidsincident is in deze procedure niet van belang. De Servier-geadresseerden zijn immers geen ankergedaagde in deze procedure.
4.34.
Bovendien is de stelling van de Zorginkopers over de ene enkele en voortdurende inbreuk op het mededingingsrecht, zoals hiervoor reeds is overwogen, onjuist. Dit betekent dat de stelling van de Zorginkopers dat tussen hun vorderingen op de Eisers in het Bevoegdheidsincident en hun vorderingen op Stichting FIRS dan wel Servier International B.V. dan wel Servier Nederland Farma B.V. voldoende samenhang (artikel 7 lid 1 Rv Pro) of een nauwe band (artikel 8 onder Pro 1 Brussel I bis) bestaat, niet hierop kan worden gebaseerd. Ter nadere toelichting wordt nog het volgende overwogen.
4.34.1.
De vorderingen van de Zorginkopers op de Eisers in het Bevoegdheidsincident zijn gebaseerd op het Besluit.
4.34.2.
De Nederlandse Servier-gedaagden zijn geen geadresseerden van het Besluit. Indien de Nederlandse Servier-gedaagden al aansprakelijk zijn jegens de Zorginkopers, zal die aansprakelijkheid dan ook niet rechtsreeks kunnen berusten op het Besluit.
4.34.3.
De vorderingen van de Zorginkopers op de Nederlandse Servier-gedaagden kunnen dus alleen zijn gebaseerd op het ondernemingsbegrip in het Europese mededingingsrecht, zoals nader uitgewerkt in de jurisprudentie van het HvJ EU (Akzo, Sumal, Heineken). Dit is een feitelijk en juridisch andere grondslag.
4.34.4.
Voor zover de Zorginkopers hebben bedoeld dat de grondslag voor hun vorderingen op Servier-geadresseerden ook de grondslag is voor hun vorderingen op de Nederlandse Servier-gedaagden, kan dat betoog hen niet baten. Met de jurisprudentie Akzo en Sumal is het ondernemingsbegrip in mededingingsrechtelijke zin uitgebreid zodat – kort samengevat [23] – een dochter- of moederonderneming onder voorwaarden (het vormen van een economische eenheid) aansprakelijk kan worden gehouden voor een schadeveroorzakend voorval (een onrechtmatige gedraging) van een moeder- of dochteronderneming. Uit het arrest Athenian Brewery en Heineken volgt verder dat het Akzo-vermoeden (het vermoeden dat een rechtspersoon die 100% van de aandelen van een vennootschap houdt de volledige zeggenschap over die vennootschap heeft) ook in civielrechtelijke kartelschade van toepassing is. [24]
4.34.5.
Deze aansprakelijkheid voor een onrechtmatige daad van een andere partij houdt echter niet in dat het gedrag van de inbreuk makende onderneming ook het gedrag van die dochter- of moederonderneming is geweest. In dit geval betekent dit dat de vordering van de Zorginkopers op de Nederlandse Servier-gedaagden niet is gebaseerd op het Besluit, maar op hun aansprakelijkheid voor de schade die de Servier-geadresseerden van het Besluit – geen van alle Nederlandse rechtspersonen – hebben veroorzaakt door inbreuk te maken op de Europese mededingingsregels.
4.35.
De Zorginkopers hebben verder gesteld dat alle Eisers in het Bevoegdheidsincident, waaronder Teva BV, kartelafspraken met (in ieder geval) Servier S.A.S. en Les Laboratoires Servier hebben gemaakt, en dat het
“voorzienbaar was dat zij konden worden opgeroepen voor de gerechten van een land waar de mededingingsrechtelijke onderneming Servier is gevestigd, waaronder (ook) in Nederland.”
4.36.
Als deze gedachtegang van de Zorginkopers wordt gevolgd, zou ieder van de Eisers in het Bevoegdheidsincident ook in Slovenië, het Verenigd Koninkrijk, India of de Verenigde Staten van Amerika kunnen worden gedagvaard omdat Servier S.A.S. ook in die landen dochterondernemingen heeft, zoals de Eisers in het Bevoegdheidsincident terecht hebben betoogd. Dit staat haaks op voorspelbaarheid [25] van de toepassing van de bijzondere bevoegdheidsregels uit Brussel I bis en de Nederlandse wetgeving.
4.37.
Daarbij is ook van belang dat geen van de Eisers in het Bevoegdheidsincident (behalve Teva BV, waarop hierna nader wordt ingegaan) is gevestigd in Nederland en/of actief is op de Nederlandse markt. Zij zijn ook geen overeenkomsten aangegaan met in Nederland gevestigde Servier-ondernemingen. Zij hebben ‘pay-for-delay-overeenkomsten’ gesloten (kartelafspraken gemaakt) met de niet in Nederland gevestigde Servier-gedaagden, de Servier-geadresseerden.
4.38.
Eisers in het Bevoegdheidsincident hebben verder onweersproken gesteld dat zij bij het maken van de kartelafspraken – of de uitvoering daarvan – nimmer hebben gesproken met vertegenwoordigers van de Nederlandse Servier-gedaagden.
4.39.
De Zorginkopers hebben verder nagelaten duidelijk te maken welke (nauwe) band bestaat tussen deze rechtbank en hun vorderingen op de Eisers in het Bevoegdheidsincident of waarom een goede rechtsbedeling ertoe noopt dat hun vorderingen op de Eisers in het Bevoegdheidsincident door deze rechtbank worden behandeld. [26] Dit wringt in dit geval te meer omdat de Zorginkopers gekozen hebben voor deze rechtbank en niet voor een gerecht in de woonplaats van een van de Servier-geadresseerden van het Besluit. [27] Op Teva BV – wel geadresseerde van dat Besluit – specifiek wordt hierna (vanaf 4.48) nader ingegaan.
4.39.1.
De Zorginkopers hebben ter zitting betoogd dat de Nederlandse rechter slechts een van de nationale rechters is die in deze zaak bevoegd is om van hun schadevorderingen in één procedure kennis te nemen. Met het risico op tegenstrijdige uitspraken als die vorderingen in verschillende procedures worden behandeld, moesten de Zorginkopers wel een keuze maken wat betreft het forum voor hun vorderingen. Bij een dergelijke forumkeuze spelen, aldus de Zorginkopers, diverse factoren een rol, zoals [28] :
“(…)
- kennis en ervaring,
- kosten,
- verwachte doorlooptijden van procedures,
- het toepasselijke procesrecht,
- de erkenning van vonnissen in andere jurisdicties (voor zover het gedaagden buiten de EU betreft),
- de gebondenheid van de aangezochte rechter aan het Besluit.
(…).”
4.39.2.
Dit mogen allemaal valide redenen zijn om voor een gerecht in een bepaald land – in dit geval Nederland – te kiezen, maar dat betekent nog niet dat aan de vereisten van Brussel I bis is voldaan. Als de Zorginkopers zouden worden gevolgd dat dit valide redenen zouden zijn voor deze rechtbank om zich bevoegd te achten, zou het voorzienbaarheidsvereiste op onaanvaardbare wijze worden opgerekt. De Eisers in het Bevoegdheidsincident hebben terecht betoogd dat het antwoord op de vraag welk nationaal gerecht bevoegd is niet kan zijn:
“ieder gerecht in Europa”.
4.40.
Dit alles leidt (ook) tot de conclusie dat voor geen van de Eisers in het Bevoegdheidsincident redelijkerwijs voorzienbaar is geweest dat dit geschil aanhangig zou kunnen worden gemaakt voor deze rechtbank.
4.41.
Lupin en Mylan hebben ook aangevoerd dat de Zorginkopers Stichting FIRS, Servier International B.V. en Servier Nederland Farma B.V. hebben gedagvaard met als enig doel dat deze rechtbank op basis van de vestigingsplaats van die ondernemingen rechtsmacht zal vaststellen. Op die wijze proberen de Zorginkopers kunstmatig de bevoegdheid van deze rechtbank te creëren, aldus Lupin en Mylan.
4.42.
Lupin heeft er bovendien op gewezen dat de Zorginkopers alleen aan de zijde van Servier enkele rechtspersonen hebben gedagvaard die geen geadresseerde zijn van het Besluit en dan bovendien nog alleen rechtspersonen die in Nederland zijn gevestigd. Dit wekt de indruk dat de Nederlandse Servier-gedaagden (die geen geadresseerden zijn van het Besluit) slechts zijn gedagvaard om bevoegdheid van deze rechtbank te creëren. Dit geldt te meer nu aan de zijde van de Eisers in het Bevoegdheidsincident wel slechts de geadresseerde rechtspersonen van het Besluit – en dus geen moedermaatschappij of andere groepsvennootschappen – zijn gedagvaard, aldus Lupin. De Zorginkopers zijn niet inhoudelijk ingegaan op dit betoog.
4.43.
Het betoog van Lupin lijkt hout te snijden. In het geval van Teva wordt op dit ‘forum shopping’ argument nader ingegaan.
Buiten de EU gevestigde Eisers in het Bevoegdheidsincident – Servier Nederland Farma B.V.
4.44.
Servier Nederland Farma B.V. kan ook [29] niet als ankergedaagde dienen voor de buiten de EU gevestigde Eisers in het Bevoegdheidsincident – of voor Servier Laboratories Limited. Hiertoe wordt het volgende overwogen.
4.45.
De Zorginkopers hebben betoogd dat deze Nederlandse vennootschap de medicijnen van Servier
verkoopten op die wijze deelneemt aan dezelfde economische activiteit die door de Commissie als een inbreuk op de Europese mededingingsregels is vastgesteld. Dit is een opmerkelijk betoog. Alle (andere) gedagvaarde partijen zijn immers aangeduid als
producentenvan medicijnen. Die producenten zullen, naar mag worden aangenomen, ook verkoopfilialen van die medicijnen hebben in verschillende landen. De Zorginkopers hebben die regionale (landelijke) verkoopondernemingen van de andere medicijnproducenten niet gedagvaard, en hebben de Eisers in het Bevoegdheidsincident ook niet aangesproken als
verkopervan medicijnen – ook niet van specifiek perindopril. Dit alles duidt op selectieve dagvaarding van Servier Nederland Farma B.V. als gedaagde en dat zij slechts is gedagvaard om op kunstmatige wijze rechtsmacht van deze rechtbank te creëren, zoals de Eisers in het Bevoegdheidsincident (met name: Lupin) terecht hebben betoogd.
Tussenconclusie Nederlandse Servier-gedaagden als ankergedaagde
4.46.
Uit dit alles volgt dat de vereiste nauwe band of samenhang niet bestaat tussen de vorderingen van de Zorginkopers op de Nederlandse Servier-gedaagden en de Eisers in het Bevoegdheidsincident. Geen van de Nederlandse Servier-gedaagden kan dienen als ankergedaagde voor de Eisers in het Bevoegdheidsincident.
Teva BV ankergedaagde voor Eisers in het Bevoegdheidsincident?
4.47.
Teva BV wordt door de Zorginkopers beschouwd als ankergedaagde voor de andere Teva-entiteiten en Mylan, Lupin, Krka en Niche/Unichem. Ook dat gaat niet op. Hiervoor is het volgende redengevend.
4.47.1.
De Zorginkopers hebben allereerst betoogd dat de vorderingen op Teva – dus ook op Teva BV – zijn gebaseerd op de mededingingsrechtelijke inbreuken als vastgesteld door de Commissie. Teva heeft welbewust deelgenomen aan een overkoepelend, pan-Europese uitsluitingsstrategie van Servier die onder meer bestond uit het sluiten van pay-for-delay-overeenkomsten met de Producenten, aldus steeds de Zorginkopers.
4.47.2.
Zoals hiervoor al is overwogen, is dit een onjuiste interpretatie van het Besluit (en de uitspraak van het Gerecht van de EU in het door de Servier-geadresseerden ingestelde beroep tegen het Besluit), zodat hieraan voorbij wordt gegaan.
4.47.3.
De Zorginkopers hebben voorts gesteld dat de Teva-vennootschappen een kartelafspraak hebben gemaakt met Servier S.A.S., Les Laboratoires Servier en Servier Laboratories Limited en dat dit de feitelijke en juridische grondslag is van hun vorderingen op Teva. Daarnaast hebben de Zorginkopers gesteld dat Teva BV geadresseerde is van het Besluit en dat daarom een zelfde situatie, feitelijk en rechtens, bestaat voor hun vorderingen op Teva BV als voor hun vorderingen op de andere Teva-entiteiten, Mylan, Lupin, Krka, Niche/Unichem, en de niet in Nederland gevestigde Servier-gedaagden.
4.47.4.
Teva heeft aangevoerd dat de Zorginkopers zo weinig hebben gesteld over hun vorderingen op Teva BV dat niet duidelijk is waarom deze Nederlandse onderneming is gedagvaard, en dat reeds op voorhand duidelijk is dat de vorderingen op Teva BV niet toewijsbaar zijn. De Zorginkopers dienen daarom niet-ontvankelijk te worden verklaard in hun vorderingen op Teva. Daarbij heeft Teva ook gewezen op de volgende omstandigheden:
 haar kartelafspraak heeft slechts betrekking op het Verenigd Koninkrijk – anders dan de andere kartelafspraken die betrekking hadden op bijna de gehele EU;
 de daadwerkelijk betrokken partijen bij die kartelafspraak waren Servier Laboratories Limited en Teva UK;
 de Zorginkopers hebben in de dagvaarding niet gesteld welke rol Teva BV daarin heeft gespeeld;
 de Zorginkopers hebben in de dagvaarding niet gesteld waarom en hoe Teva BV als ankergedaagde voor Teva Pharmaceuticals Industries Ltd (verder Teva Pharmaceuticals) en Teva UK is te beschouwen;
 de Zorginkopers hebben niet gesteld dat zij actief zijn geweest op de markt van het Verenigd Koninkrijk of Nederland;
 de Zorginkopers hebben (anders dan voor andere landen) geen begroting gegeven van hun beweerde schade als gevolg van de kartelafspraak tussen Teva en Servier die de markt in het Verenigd Koninkrijk heeft verstoord;
 de Zorginkopers hebben hun beweerde schade niet laten vaststellen voor de markten in het Verenigd Koninkrijk (of Nederland), in het door de Zorginkopers overgelegde schaderapport staat niets over geleden schade in het Verenigd Koninkrijk;
 het zorgstelsel van het Verenigd Koninkrijk is niet uitgelegd door de Zorginkopers – anders dan voor de andere landen waar zij actief zijn.
De grondslag voor de schadevergoedingsvordering van de Zorginkopers op Teva BV is dus niet duidelijk. De Teva-kartelafspraak wordt ook niet nader geduid in de dagvaarding (slechts genoemd in een voetnoot). De vorderingen van de Zorginkopers op Teva zijn dus bij voorbaat kansloos, aldus steeds Teva.
4.48.
De rechtbank constateert dat de Commissie in het Besluit door Teva (en Servier S.A.S. en Les Laboratoires Servier) gepleegde inbreuk heeft beperkt tot het Verenigd Koninkrijk. De door de andere Eisers in het Bevoegdheidsincident gepleegde inbreuken zijn voor de gehele EU, met uitzonderingen van enkele EU-lidstaten in specifieke gevallen. Dit op zich maakt al dat geen sprake is van eenzelfde feitelijke situatie voor de vorderingen van de Zorginkopers op Teva en hun vorderingen op de andere Eisers in het Bevoegdheidsincident. Het enkele feit dat de Zorginkopers ‘de inbreuk’ op het mededingingsrecht als feitelijke grondslag stellen voor hun vorderingen op de Producenten, is daarvoor onvoldoende.
4.49.
Verder hebben de Zorginkopers kennelijk geen schade geleden als gevolg van de afspraken tussen Teva en Servier die de mededinging op markt voor perindopril in het Verenigd Koninkrijk hebben verstoord, althans dit hebben zij niet gesteld of laten begroten. Welke schade van de Zorginkopers zou moeten worden vergoed door Teva BV, is in het geheel niet toegelicht.
4.50.
Uit dit alles blijkt dat Teva BV uitsluitend is gedagvaard om rechtsmacht te creëren en dus de overige niet in Nederland gevestigde Producenten af te houden van het gerecht van hun woonplaats. Dat is misbruik van procesrecht. Daarom zijn de Zorginkopers niet-ontvankelijk in hun vorderingen op Teva BV, en daarom kan Teva BV geen ankergedaagde zijn in deze procedure.
Andere gronden voor rechtsmacht?
4.51.
De Zorginkopers hebben geen andere stellingen ingenomen waaruit de rechtsmacht van deze rechtbank voor hun vorderingen op de Eisers in het Bevoegdheidsincident kan volgen.
4.52.
Teva en Lupin hebben bovendien uitvoerig en onweersproken aangevoerd dat de Zorginkopers geen schade hebben geleden in Nederland, of dat hier schade voor hen is opgetreden als gevolg van de vijf kartelafspraken die de mededinging op demarkt voor perindopril hebben verstoord, zodat de rechtbank ook aan de bijzondere bevoegdheidsregel van artikel 7 onder Pro 2 Brussel I bis of artikel 6 aanhef Pro en onder e Rv geen bevoegdheid kan ontlenen.
4.53.
Er zijn geen andere bijzondere bevoegdheidsregels in dit geval waarop deze rechtbank rechtsmacht kan aannemen voor de vorderingen van de Zorginkopers op de Eisers in het Bevoegdheidsincident.
Slotsom
Bevoegdheidsincidenten
4.54.
Dit alles leidt tot de volgende conclusies:
4.54.1.
De rechtbank is (slechts) bevoegd om kennis te nemen van de vorderingen van de Zorginkopers op de Servier-gedaagden en Teva BV.
4.54.2.
De rechtbank is niet bevoegd om kennis te nemen van de vorderingen van de Zorginkopers op Mylan, Lupin, Krka, Niche/Unichem, Teva Pharmaceuticals Industries Ltd en Teva UK.
4.54.3.
De Zorginkopers zijn niet ontvankelijk in hun vorderingen op Teva BV.
4.55.
De Zorginkopers zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van ieder van de Eisers in het Bevoegdheidsincident worden veroordeeld. Voor iedere Eiser in het Bevoegdheidsincident worden die kosten begroot op:
- griffierecht
10.188,00
- salaris advocaat
1.306,00
(tarief II, € 653 per punt)
- nakosten
189,00
(plus verhoging als vermeld in de beslissing)
Totaal
11.683,00
In het geval van Teva zijn hier ook de kosten van Teva BV (waarover in de hoofdzaak wordt beslist in dit vonnis) inbegrepen.
Aanhoudingsincident
4.56.
Met deze uitkomst is er geen aanleiding deze procedure aan te houden in afwachting van de beantwoording van de prejudiciële vragen van het gerechtshof Amsterdam in de zaken bekend als Stroomkabels en Karton.
4.57.
De kosten in dit incident worden gecompenseerd zodat ieder de eigen kosten draagt.
Vrijwaringsincident van Servier
4.58.
De Zorginkopers hebben zich gerefereerd aan de beslissing van deze rechtbank over het vrijwaringsincident dat is ingesteld door de Servier-gedaagden. Daarbij hebben de Zorginkopers wel gevraagd om een redelijke voortgang in deze procedure te bewaken.
4.59.
De Servier-gedaagden hebben voldoende gesteld om Teva, Krka, Lupin, Mylan en Niche/Unichem in vrijwaring te mogen oproepen zodat die vordering zal worden toegewezen. De Servier-gedaagden krijgen echter geen uitstel voor het nemen van een inhoudelijk conclusie van antwoord. Deze hoofdzaak zal een eigen voortzetting kennen waarop de vrijwaringszaken niet van invloed zullen zijn.
4.60.
De kosten in dit vrijwaringsincident worden gecompenseerd zodat de Servier-gedaagden en de Zorginkopers de eigen kosten dragen.

5.De beslissing

De rechtbank
in de incidenten
5.1.
verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van de vorderingen van de Zorginkopers op Teva Pharmaceuticals Industries Ltd, Teva UK, Krka, Lupin, Mylan en Niche/Unichem,
5.2.
veroordeelt de Zorginkopers hoofdelijk in de proceskosten, aan de zijde van Teva Pharmaceuticals Industries Ltd en Teva UK tot op heden begroot op € 11.683,00,
5.3.
veroordeelt de Zorginkopers hoofdelijk in de proceskosten, aan de zijde van Lupin tot op heden begroot op € 11.683,00,
5.4.
veroordeelt de Zorginkopers in de proceskosten, aan de zijde van Krka tot op heden begroot op € 11.683,00,
5.5.
veroordeelt de Zorginkopers in de proceskosten, aan de zijde van Mylan tot op heden begroot op € 11.683,00,
5.6.
veroordeelt de Zorginkopers in de proceskosten, aan de zijde van Niche/Unichem tot op heden begroot op € 11.683,00,
5.7.
bepaalt dat deze proceskosten voor iedere partij worden vermeerderd met € 98,00 aan salaris advocaat en de betekeningskosten indien de Zorginkopers niet binnen 14 dagen na aanschrijving voldoen aan de kostenveroordelingen en dit vonnis moet worden betekend,
5.8.
veroordeelt de Zorginkopers – hoofdelijk in het geval van Teva en Lupin – tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten – aan de partij van welke de Zorginkopers de proceskosten niet hebben voldaan binnen 14 dagen na aanschrijving – vanaf 14 dagen na aanschrijving tot de dag van voldoening,
5.9.
verleent de Servier-gedaagden verlof om Teva, Krka, Lupin, Mylan en Niche/Unichem in vrijwaring op te roepen tegen de rol van
woensdag 1 juli 2026,
5.10.
compenseert de proceskosten in het vrijwaringsincident van de Servier-gedaagden aldus dat ieder de eigen kosten draagt,
5.11.
wijst de overige vorderingen af,
5.12.
compenseert de proceskosten in de overige incidenten aldus dat ieder de eigen kosten draagt,
5.13.
verklaart de kostenveroordelingen onder 5.2 tot en met 5.8 uitvoerbaar bij voorraad,
in de hoofdzaak
5.14.
verklaart de Zorginkopers niet ontvankelijk in hun vorderingen op Teva Pharmaceuticals Europe B.V.,
5.15.
veroordeelt de Zorginkopers in de proceskosten, aan de zijde van Teva Pharmaceuticals Europe B.V. tot op heden begroot op nihil,
5.16.
verwijst de zaak naar de rol van
woensdag 13 mei 2026voor conclusie van antwoord van de Servier-gedaagden,
5.17.
houdt iedere andere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Dudok van Heel, rechter, bijgestaan door mr. R.E.R. Verloo, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 1 april 2026.
Bijlage I: de namen van de overige 58 eisers

2.AMGROS I/S,

gevestigd te Kopenhagen, Denemarken
3.
AUDI BKK,
gevestigd te lngolstadt, Duitsland
4.
BERGISCHE KRANKENKASSE,
gevestigd te Solingen, Duitsland
5.
BERTELSMANN BKK,
gevestigd te Gütersloh, Duitsland
6.
BKK AKZO NOBEL BAYERN,
gevestigd te Erlenbach am Main, Duitsland
7.
BKK DIAKONIE,
gevestigd te Bielefeld, Duitsland
8.
BKK_DÜRKOPP ADLER,
gevestigd te Bielefeld, Duitsland
9.
BKK EUREGIO,
gevestigd te Heinsberg, Duitsland
10.
BETRIEBSKRANKENKASSE EWE,
gevestigd te Oldenburg, Duitsland
11.
BKK EXKLUSIV,
gevestigd te Lehrte, Duitsland
12.
BKK FABER-CASTELL & PARTNER,
gevestigd te Regen, Duitsland
13.
BKK FREUDENBERG,
gevestigd te Weinheim, Duitsland
14.
BKK GILDEMEISTER SEIDENSTICKER,
gevestigd te Bielefeld, Duitsland
15.
BETRIEBSKRANKENKASSE GROZ-BECKERT,
gevestigd te Albstadt, Duitsland
16.
BETRIEBSKRANKENKASSE HERKULES,
gevestigd te Kassel, Duitsland
17.
BETRIEBSKRANKENKASSE LINDE,
gevestigd te Wiesbaden, Duitsland
18.
MAHLE BETRIEBSKRANKENKASSE,
gevestigd te Stuttgart, Duitsland
19.
BKK MELITTA HMR,
gevestigd te Minden, Duitsland
20.
BETRIEBSKRANKENKASSE MIELE,
gevestigd te Gütersloh, Duitsland
21.
BETRIEBSKRANKENKASSE DER G. M. PFAFF AG, KAISERSLAUTERN,
gevestigd te Kaiserslautern, Duitsland
22.
BKK PFALZ,
gevestigd te Ludwigshafen, Duitsland
23.
BKK RIEKER • RICOSTA • WEISSER,
gevestigd te Tuttlingen, Duitsland
24.
BETRIEBSKRANKENKASSE SCHWARZWALD – BAAR – HEUBERG,
gevestigd te Trossingen, Duitsland

25.BETRIEBSKRANKENKASSE DER PAPIERFABRIK SCHEUFELEN,

gevestigd te Kirchheim/Teck, Duitsland
26.
BETRIEBSKRANKENKASSE TECHNOFORM,
gevestigd te Göttingen, Duitsland
27.
BKK MKK - MEINE KRANKENKASSE,
gevestigd te Berlijn, Duitsland
28.
BETRIEBSKRANKENKASSE VEREINIGTE DEUTSCHE NICKELWERKE - BKK VDN-,
gevestigd te Schwerte, Duitsland
29.
BKK VORALB HELLER * INDEX * LEUZE,
gevestigd te Nürtingen, Duitsland
30.
BKK WERRA-MEISSNER,
gevestigd te Eschwege, Duitsland
31.
BKK WIRTSCHAFT & FINANZEN DIE BKK DER WIRTSCHAFTSPRÜFENDEN
UND –BERATENDEN BERUFE,
gevestigd te Melsungen, Duitsland
32.
BKK ZF & PARTNER,
gevestigd te Friedrichshafen, Duitsland
33.
BETRIEBSKRANKENKASSE DER BMW AG,
gevestigd te Dingolfing, Duitsland
34.
BOSCH BKK,
gevestigd te Stuttgart, Duitsland
35.
CONTINENTALE BETRIEBSKRANKENKASSE,
gevestigd te Hamburg, Duitsland
36.
DEBEKA BKK,
gevestigd te Koblenz, Duitsland
37.
DEUTSCHE RENTENVERSICHERUNG KNAPPSCHAFT-BAHN-SEE,
gevestigd te Bochum, Duitsland
38.
ENERGIE- BETRIEBSKRANKENKASSE,
gevestigd te Hannover, Duitsland
39.
HEIMAT KRANKENKASSE,
gevestigd te Bielefeld, Duitsland
40.
KOENIG & BAUER BKK,
gevestigd te Veitshöchheim, Duitsland
41.
KRONES BETRIEBSKRANKENKASSE,
gevestigd te Neutraubling, Duitsland
42.
BETRIEBSKRANKENKASSE MOBIL,
gevestigd te München, Duitsland
43.
NOVITAS BKK,
gevestigd te Duisburg, Duitsland
44.
PRONOVA BKK,
gevestigd te Ludwigshafen, Duitsland
45.
R+V BETRIEBSKRANKENKASSE,
gevestigd te Wiesbaden, Duitsland
46.
SALUS BKK,
gevestigd te München, Duitsland
47.
SIEMENS-BETRIEBSKRANKENKASSE (SBK),
gevestigd te Heidenheim, Duitsland
48.
SKD BKK,
gevestigd te Schweinfurt, Duitsland
49.
SÜDZUCKER BKK,
gevestigd te Mannheim, Duitsland
50.
VIACTIV KRANKENKASSE,
gevestigd te Bochum, Duitsland
51.
MERCEDES-BENZ BETRIEBSKRANKENKASSE,
gevestigd te Stuttgart, Duitsland
52.
IKK - DIE INNOVATIONSKASSE (IK),
gevestigd te Lübeck, Duitsland
53.
TERVISEKASSA,
gevestigd te Tallinn, Estland
54.
KANSANELÄKELAITOS, KELA,
gevestigd te Helsinki, Finland
55.
SJÚKRATRYGGINGAR ÍSLANDS,
gevestigd te Reykjavik, IJsland
56.
ÖSTERREICHISCHE GESUNDHEITSKASSE,
gevestigd te Wenen, Oostenrijk
57.
SOZIALVERSICHERUNGSANSTALT DER SELBSTSTÄNDIGEN,
gevestigd te Wenen, Oostenrijk
58.
VERSICHERUNGSANSTALT ÖFFENTLICH BEDIENSTETER, EISENBAHNEN
UND BERGBAU,
gevestigd te Wenen, Oostenrijk
59.
DÔVERA ZDRAVOTNÁ POISŤOVŇA, A.S.,
gevestigd te Bratislava, Slowakije

Voetnoten

1.Zaak ‘AT.39612 – Perindopril (Servier)’. Kennisgeving van dit Besluit is geschied onder nummer C(2014) 4955. De tekst van het gehele Besluit is niet gepubliceerd.
2.Gepubliceerd onder 2016/C 393/05
3.Lupin: ECLI:EU:C:2024:545, C-144/19 P (waarin de opgelegde boete aan Servier is verlaagd door het HvJ EU); Niche Generics: ECLI:EU:C:2024:547 C-164/19 P; Unichem: ECLI:EU:C:2024:548, C-166/19 P; Mylan: ECLI:EU:C:2024:550, C-197/19 P
4.Gerecht van Eerste Aanleg, 12 december 2018, T-691/14, ECLI:EU:T:2018:922
5.HvJ EU 27 juni 2024, C-176/19 P, ECLI:EU:C:2024:549
6.Gerecht van Eerste Aanleg, 12 december 2018, T-684/14, ECLI:EU:T:2018:918
7.HvJ EU 27 juni 2024, C-151/19 P, ECLI:EU:C:2024:546
8.Gerecht van Eerste Aanleg, 12 december 2018, T-684/14, ECLI:EU:T:2018:918
9.Gerechtshof Amsterdam, 19 september 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:2571 (
10.Gerechtshof Amsterdam, 18 juni 2024, ECLI:NLGHAMS:2024:1683 (
11.Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europese Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking)
12.HvJ EU 10 september 2009, C97/08 P, EU:C:2009:536 (
13.HvJ EU 6 oktober 2021, C882/19, EU:C:2021:800 (
14.HvJ EU, 13 februari 2025, C-393/23, ECLI:EU:C:2025:85 (
15.Randnummer 315 van de dagvaarding van de Zorginkopers
16.Artikel 263 VWEU Pro en artikel 16 lid 1 Verordening Pro (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag respectievelijk Mededeling van de Commissie betreffende de samenwerking tussen de Commissie en de rechterlijke instanties van de EU-lidstaten bij de toepassing van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag (Publicatieblad C 101 van 27 april 2004); gerechtshof Amsterdam 24 september 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:3013 (
17.Gerecht van de EU, 12 december 2018, T-691/14, ECLI:EU:T:2018:922
18.Gerecht van de EU, 12 december 2018, T-691/14, ECLI:EU:T:2018:922.
19.HvJ EU 27 juni 2024, C-176/19 P, ECLI:EU:C:2024:549
20.HvJ EU, 13 februari 2025, C-393/23, ECLI:EU:C:2025:85 (
21.HvJ EU 13 juli 2006, C-103/05, ECLI:EU:C:2006:471 (
22.Zie ook Parket bij de Hoge Raad, 17 oktober 2025, ECLI:NL:PHR:2025:779, punt 4.13, en A-G Kokott (HvJ EU), 3 april 2025, C-672/23 en C-673/25, ECLI:EU:C:2025:243, punt 81 (over prejudiciële vragen gesteld in Stroomkabels en Karton).
23.Gebaseerd op punten 25 tot en met 33 in de conclusie van advocaat-generaal J. Kokott in de zaken C-672/23 en C-673/23 – de prejudiciële vragen die het hof Amsterdam in de zaken ‘Stroomkabels’ en ‘Karton’ heeft gesteld – van 3 april 2025, ECLI:EU:C:2025:243 en de daar aangehaalde jurisprudentie
24.Zie punt 55 en 56 van de conclusie van advocaat-generaal J. Kokott in de zaken C-672/23 en C-673/23, ECLI:EU:C:2025:243
25.Punt 15 van de considerans van Brussel I bis
26.Punt 16 van de considerans van Brussel I bis
27.Anders dan in HvJ EU, 21 mei 2015, zaak C-352/13, ECLI:EU:C:2015:335 (
28.Randnummer 11 van de spreekaantekeningen van de Zorginkopers voorgedragen ter zitting van 9 december 2025
29.Want voor de gedaagden gevestigd in een EU-lidstaat kan Servier Nederland Farma B.V. gevestigd in Leiden, geen ankergedaagde zijn in een procedure bij deze rechtbank, zie onder 4.27.