Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
vonnis van de kantonrechter
de cooperatie Cooperatieve Rabobank U.A.
[gedaagde]
Verloop van de procedure
Vordering
toets op inkomenwaarin enkele transacties met bedrag, nummer en datum in september, oktober en november 2017 staan vermeld;
Gronden van de beslissing
Op de tussen partijen gesloten kredietovereenkomst zijn de bepalingen van de titel 7:2A BW van toepassing. Uit rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie volgt dat richtlijn 87/102/EEG om een afdoende beschermingsniveau te waarborgen, de (nationale) rechter verplichten de nationale bepalingen waarin de richtlijnen zijn omgezet, ambtshalve toe te passen (HR 12 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:236 met verwijzing naar HvJ EU 4 oktober 2007, C-429/05, ECLI:EU:C:2007:575 en HvJ EU 16 november 2010, C-76/10 ECLI:EU:C:2010:685). Dat wil zeggen dat de bepalingen van titel 2A boek 7 BW ook moeten worden toegepast als de consument daar geen beroep op doet. Onder meer moet worden getoetst of de kredietverstrekker heeft voldaan aan de op haar rustende informatieplichten. Ook moet worden getoetst of de kredietgever vóór het sluiten van de overeenkomst de kredietwaardigheid van gedaagde partij toereikend heeft beoordeeld.
In dit geval mocht eiseres echter er mee volstaan de precontractuele informatie op dezelfde datum te verstrekken als de overeenkomst is ondertekend, omdat er sprake is van een reeds bestaande contractuele relatie tussen partijen.
Zonder nadere toelichting - die ontbreekt - kan niet worden vastgesteld dat gedaagde voldoende kredietwaardig was voor het aangaan van onderhavig krediet.
Eiseres heeft derhalve niet aannemelijk gemaakt dat het door haar verstrekte krediet aan gedaagde verantwoord was en dat zij toereikend aan haar zorgplicht heeft voldaan.
Dit betekent dat gedaagde op grond van artikel 6:203 BW Pro het geleende bedrag van € 900,00 zonder rente en kosten moet terugbetalen.
Nu eiseres niet heeft toegelicht hoe de huidige debetstand is ontstaan, wordt de hoofdsom voor het overige deel afgewezen.