Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3550

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
19 februari 2026
Publicatiedatum
9 april 2026
Zaaknummer
11991213 CV EXPL 25-16705
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:2A BWArt. 7:60 BWArt. 3:40 BWArt. 6:193b BWArt. 6:203 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging kredietovereenkomst kort roodstaan wegens onvoldoende kredietwaardigheidstoets

Partijen sloten op 21 december 2017 een doorlopend kredietovereenkomst kort roodstaan met een maximum van €900. De kredietverstrekker stelde dat zij de kredietwaardigheid van gedaagde had getoetst en dat de precontractuele informatie was verstrekt. Gedaagde verscheen niet in de procedure.

De rechtbank oordeelde dat de precontractuele informatie op dezelfde dag als de overeenkomst was verstrekt, wat in beginsel niet voldoet aan de wettelijke eis van geruime tijd vooraf. Dit was slechts toegestaan vanwege een bestaande contractuele relatie. De kredietwaardigheidstoets was onvoldoende onderbouwd; de bankafschriften daterden van 2023 en het overzicht van transacties uit 2017 was niet onderbouwd.

Daarom was niet aannemelijk dat het krediet verantwoord was verstrekt. De kredietovereenkomst werd vernietigd op grond van artikel 3:40 lid 1 BW Pro. Gedaagde werd veroordeeld tot terugbetaling van €900 zonder rente en kosten. De gevorderde hogere debetstand werd afgewezen. Eiseres werd veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De kredietovereenkomst wordt vernietigd en gedaagde moet €900 zonder rente en kosten terugbetalen.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht
zaaknummer: 11991213 CV EXPL 25-16705
vonnis van: 19 februari 2026
fno.: 393

vonnis van de kantonrechter

I n z a k e

de cooperatie Cooperatieve Rabobank U.A.

gevestigd te Amsterdam
eiseres
gemachtigde: Flanderijn & Van Eck Gerechtsdeurwaarders
t e g e n

[gedaagde]

wonende te [woonplaats]
gedaagde
niet verschenen

Verloop van de procedure

Bij exploot van dagvaarding van 29 oktober 2025 heeft eiseres gevorderd dat gedaagde zal worden veroordeeld tot betaling van primair een bedrag van € 3.660,94, vermeerderd met de wettelijke rente en nevenvordering(en), één en ander zoals in de dagvaarding nader omschreven.
Gedaagde is niet verschenen.
Vervolgens is een datum voor vonnis bepaald.

Vordering

Eiseres vordert primair betaling van € 3.660,94, aan hoofdsom vermeerderd met de wettelijke rente en kosten. Subsidiair vordert zij betaling van € 3.415,30 aan hoofdsom.
Eiseres stelt - kort weergegeven - het volgende. Op de bankrekening van gedaagde heeft eiseres aan gedaagde op 21 december 2017 een krediet ter beschikking gesteld tot een maximum van € 900,00, onder de voorwaarde dat hij een keer per drie maanden tenminste een dag een positief saldo op de betaalrekening moest hebben. Op deze overeenkomst zijn algemene (bank)voorwaarden van toepassing en de algemene voorwaarden voor betalen en online diensten van de Rabobank 2016. Gedaagde heeft de overeenkomst op 21 december 2017 digitaal ondertekend. De kredietwaardigheid van gedaagde is getoetst. Eiseres heeft inzage in de maandelijkse inkomsten die hoger moeten zijn dan het gewenste kredietlimiet. Daardoor is het vrij zeker dat het krediet steeds kan worden terugbetaald door gedaagde en is er geen sprake van overkreditering, aldus eiseres.
Eiseres heeft als productie overgelegd (voor zover van belang):
1. de kredietovereenkomst en het ESIC formulier beide gedateerd op 21 december 2017;
2. de algemene voorwaarden;
3. bankafschriften van de periode van 1 januari 2023 tot en met 17 augustus 2023;
4. een overzicht genaamd
toets op inkomenwaarin enkele transacties met bedrag, nummer en datum in september, oktober en november 2017 staan vermeld;
5. brieven waarin gedaagde is aangemaand omdat hij een negatief saldo had en het kredietlimiet was overschreden..

Gronden van de beslissing

Partijen hebben op 21 december 2017 online een doorlopend krediet “Rabo kort roodstaan krediet” gesloten tot een maximum van € 900,00 met een variabele effectieve rente die bij aanvang van de overeenkomst effectief 12,9 % per jaar bedroeg.
Gedaagde is consument, althans wordt vermoed een consument te zijn.
Op de tussen partijen gesloten kredietovereenkomst zijn de bepalingen van de titel 7:2A BW van toepassing. Uit rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie volgt dat richtlijn 87/102/EEG om een afdoende beschermingsniveau te waarborgen, de (nationale) rechter verplichten de nationale bepalingen waarin de richtlijnen zijn omgezet, ambtshalve toe te passen (HR 12 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:236 met verwijzing naar HvJ EU 4 oktober 2007, C-429/05, ECLI:EU:C:2007:575 en HvJ EU 16 november 2010, C-76/10 ECLI:EU:C:2010:685). Dat wil zeggen dat de bepalingen van titel 2A boek 7 BW ook moeten worden toegepast als de consument daar geen beroep op doet. Onder meer moet worden getoetst of de kredietverstrekker heeft voldaan aan de op haar rustende informatieplichten. Ook moet worden getoetst of de kredietgever vóór het sluiten van de overeenkomst de kredietwaardigheid van gedaagde partij toereikend heeft beoordeeld.
Precontractuele informatieverplichtingen
Op grond van het bepaalde in artikel 7:60 BW Pro moet de kredietverstrekker of kredietbemiddelaar geruime tijd voordat de consument aan de kredietovereenkomst of een kredietaanbod is gebonden bepaalde precontractuele informatie verschaffen, onder meer over de belangrijkste kenmerken van het krediet en over de overige informatie zoals opgenomen in het Europese standaard informatieformulier inzake consumentenkrediet (hierna: ESIC).
De achterliggende gedachte van het bepaalde in artikel 7:60 BW Pro is dat de consument in staat moet worden gesteld het krediet te beoordelen. De consument moet de precontractuele informatie daarom geruime tijd voordat zij aan de kredietovereenkomst of een aanbod is gebonden ontvangen. Wat onder geruime tijd moet worden verstaan, moet van geval tot geval worden beoordeeld, maar vaste jurisprudentie hierover is dat verstrekking van de informatie op dezelfde dag als de dag waarop de kredietovereenkomst is gesloten niet voldoet aan dit criterium (zie onder meer ECLI:NL:GHARL:2018:7970, ECLI:NL:RBNHO:2024:3436 en ECLI:NL:RBOBR:2019:7790).
Met de verplichte informatieverstrekking heeft de (Europese) wetgever willen bereiken dat de consument voldoende informatie ontvangt om een bewuste keuze te maken en zich van de gevolgen van het krediet op de hoogte te stellen. De consument moet voldoende tijd hebben om de aanbieding van de kredietgever te doorgronden en, indien de consument dat wenst, het aanbod kunnen vergelijken met aanbiedingen van andere kredietgevers, opdat zij goed geïnformeerd een besluit kan nemen over het sluiten van de kredietovereenkomst. Als deze precontractuele informatie niet geruime tijd voorafgaand aan het sluiten van de kredietovereenkomst aan de consument wordt verstrekt, dan maakt de kredietgever of kredietbemiddelaar zich schuldig aan een oneerlijke handelspraktijk in de zin van artikel 6:193b BW, zo bepaalt artikel 7:60 lid 3 BW Pro.
Vast staat dat de precontractuele informatie op dezelfde datum als de overeenkomst is verstrekt, zodat – in beginsel – er van uit wordt gegaan dat niet aan (de doelstelling van) artikel 7:60 BW Pro is voldaan door aan gedaagde geruime tijd voor het aangaan van de overeenkomst deze verplichte informatie te verstrekken (zie Gerechtshof Arnhem Leeuwarden 4 september 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:7970 en Gerechtshof Arnhem Leeuwarden 9 juli 2019 ECLI:NLGHARL:2019:5655).
In dit geval mocht eiseres echter er mee volstaan de precontractuele informatie op dezelfde datum te verstrekken als de overeenkomst is ondertekend, omdat er sprake is van een reeds bestaande contractuele relatie tussen partijen.
Kredietwaardigheidstoets
Op grond van artikel 4:34 lid 1 Wft Pro dient een kredietverstrekker vóór de totstandkoming van een kredietovereenkomst in het belang van de consument informatie in te winnen over diens financiële positie en te beoordelen, ter voorkoming van overkreditering, of het aangaan van de overeenkomst verantwoord is.
Eiseres stelt dat zij voor het afsluiten van onderhavig krediet de inkomsten van gedaagde aan de hand van de bankafschriften van drie maanden heeft getoetst en daarnaast overige controles heeft uitgevoerd, waaronder een BKR-toets. Volgens eiseres heeft zij de kredietwaardigheid van gedaagde toereikend getoetst.
Partijen zijn een doorlopend krediet overeengekomen van € 900,00 met de voorwaarde dat gedaagde gedurende een volledige werkdag per drie maanden een positief saldo op zijn rekening heeft per maand.
Dat betekent dat gedaagde in ieder geval voldoende inkomen moet hebben om een bedrag van € 900,00 gedurende een dag per maand terug te betalen. Dat is niet komen vast te staan.
Eiseres heeft alleen een uitdraai uit haar interne systeem overgelegd van enkele transactie bedragen van € 995,51 in de maand september, oktober en november 2017. Dit overzicht is niet onderbouwd met stukken, zodat daaruit kan niet worden vastgesteld dat zij de kredietwaardigheid van gedaagde toereikend heeft getoetst. De overgelegde bankafschriften dateren van 2023, dit is zes jaar na het sluiten van de kredietovereenkomst.
Zonder nadere toelichting - die ontbreekt - kan niet worden vastgesteld dat gedaagde voldoende kredietwaardig was voor het aangaan van onderhavig krediet.
Eiseres heeft derhalve niet aannemelijk gemaakt dat het door haar verstrekte krediet aan gedaagde verantwoord was en dat zij toereikend aan haar zorgplicht heeft voldaan.
Bovendien heeft eiseres niet toegelicht hoe de gevorderde debetstand van € 3.660,95 is ontstaan, terwijl het overeengekomen krediet (roodstand) € 900,00 bedroeg.
Vernietiging overeenkomst
Gelet op het voorgaande vernietigt de kantonrechter de kredietovereenkomst kort rood staan op grond van artikel 3:40 lid 1 BW Pro. Dit betekent dat er geen grondslag is voor het bij gedaagde in rekening brengen van kosten en rente.
Dit betekent dat gedaagde op grond van artikel 6:203 BW Pro het geleende bedrag van € 900,00 zonder rente en kosten moet terugbetalen.
Nu eiseres niet heeft toegelicht hoe de huidige debetstand is ontstaan, wordt de hoofdsom voor het overige deel afgewezen.
Tevens wordt eiseres met de proceskosten belast. Deze sancties acht de kantonrechter gelet op hetgeen hierboven is overwogen doeltreffend, evenredig en afschrikwekkend.
Eiseres wordt, zoals hiervoor is overwogen, met de proceskosten belast. Deze worden aan de zijde van gedaagde evenwel tot op heden begroot op nihil.

De beslissing

De kantonrechter
1. veroordeelt gedaagde tot betaling aan eiseres van € 900,00 aan hoofdsom;
2. veroordeelt eiseres in de proceskosten, aan de zijde van gedaagde tot op heden begroot op nihil;
3. verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
4. wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.W. Inden en in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2026