De rechtbank Amsterdam heeft op 3 maart 2026 uitspraak gedaan over het bezwaar van de verdachte tegen de afwijzing door de rechter-commissaris van diverse verzoeken tot onderzoekshandelingen in een strafzaak. De zaak betreft onder meer het bezit van beschermde diersoorten zonder juiste administratie, het valselijk opmaken van een CITES-administratie en witwassen van geld.
De verdediging verzocht onder meer om het horen van meerdere getuigen die inzicht zouden kunnen geven in de rechtmatigheid van het onderzoek en de herkomst van de dieren, alsmede om het toevoegen van ongelakte versies van zwartgelakte documenten in het dossier. De rechter-commissaris wees deze verzoeken grotendeels af, met uitzondering van enkele getuigen die mogelijk relevant zijn voor de beantwoording van vragen over de administratie.
De rechtbank oordeelde dat het bezwaar tegen het verzoek tot het horen van drie getuigen die de rechtmatigheid van het onderzoek zouden moeten toetsen ongegrond is, omdat deze getuigen geen belastende verklaringen hebben afgelegd en het verzoek onvoldoende gemotiveerd was. Het bezwaar tegen het verzoek tot het horen van getuigen die de verdachte bijstonden bij het opstellen van de administratie werd gegrond verklaard, en de rechter-commissaris werd opgedragen deze getuigen te horen.
Het bezwaar tegen het verzoek tot het toevoegen van ongelakte documenten werd niet-ontvankelijk verklaard, omdat dit niet de juiste procedure is. Het overige bezwaar werd ongegrond verklaard. De beslissing bevat uitgebreide motiveringen over de relevantie van de getuigen en de toepasselijkheid van wettelijke bepalingen omtrent processtukken en onderzoekshandelingen.