ECLI:NL:RBAMS:2026:1954

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
23 februari 2026
Publicatiedatum
24 februari 2026
Zaaknummer
AMS 25/613
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • B.J. Mulder
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit UWV over medische afzakker en eerste ziektedag

Eiseres werkte sinds 2002 in verschillende urenomvang en meldde zich in augustus 2022 ziek. Na een WIA-aanvraag kende het UWV haar een loongerelateerde WIA-WGA-uitkering toe met een eerste ziektedag in 2022. Eiseres betwistte dit en stelde dat zij vanaf 1 april 2015 om medische redenen minder was gaan werken, wat een eerdere eerste ziektedag en een medische afzakker impliceert.

De rechtbank oordeelt dat het UWV onvoldoende rekening heeft gehouden met meer dan twintig medische rapporten die een medische noodzaak voor de urenvermindering ondersteunen. Het besluit was vooral gebaseerd op twee arbodienstrapporten die een volledig werkende eiseres in de maanden voorafgaand aan april 2015 suggereren, terwijl eiseres aantoonde dat zij onder zware medicatie en met angst voor baanverlies werkte.

De verzekeringsarts heeft onvoldoende gemotiveerd waarom de urenvermindering als persoonlijke keuze moet worden gezien en niet mede voortvloeit uit medische noodzaak. De rechtbank concludeert dat het besluit niet zorgvuldig en onvoldoende gemotiveerd is, vernietigt het en draagt op tot een nieuw besluit na aanvullend medisch onderzoek. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Uitkomst: Het besluit van het UWV wordt vernietigd wegens onvoldoende zorgvuldigheid en motivering, met opdracht tot een nieuw besluit na aanvullend medisch onderzoek.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/613

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 februari 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. I.J.L. Gijsen),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder
(gemachtigde: mr. E.F.D.A. Römgens).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de vraag of verweerder terecht tot het oordeel is gekomen dat er in het geval van eiseres géén sprake is van een medische afzakker. Eiseres is het niet eens met deze conclusie en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het besluit van verweerder in stand kan blijven.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het besluit onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen en onvoldoende is gemotiveerd. Eiseres krijgt dan ook gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft vanaf 1 augustus 2002 als [functie] gewerkt bij het [bedrijf] . In eerste instantie voor 38 uur per week, later voor 34,2 uur per week, en per 1 april 2015 voor 22,8 uur per week.
2.1.
Eiseres heeft zich op 1 augustus 2022 ziekgemeld en op 23 april 2024 een WIA-uitkering aangevraagd. Bij besluit van 11 juli 2024, primair besluit I, heeft verweerder eiseres 80-100% arbeidsongeschikt geacht en een loongerelateerde WIA-WGA-uitkering toegekend per 29 juli 2024.
2.2.
Bij besluit van 1 augustus 2024 (primair besluit II) is verweerder tot een herziening van de uitkering gekomen (een verhoging), vanwege een correctie van het dagloon in verband met toekenning van onregelmatigheidstoeslag met terugwerkende kracht.
2.3.
Eiseres heeft tegen deze besluiten bezwaar gemaakt. Volgens eiseres is er sprake van een medische afzakker, waardoor de maatman(omvang), het dagloon en de eerste ziektedag niet juist zijn vastgesteld. De eerste ziektedag moet volgens eiseres worden vastgesteld op 1 april 2015. Dit omdat eiseres vanaf die datum, uit medische noodzaak, minder is gaan werken.
2.4.
Met het bestreden besluit van 13 december 2024 is verweerder bij de primaire besluiten gebleven. Volgens verweerder is er géén sprake van een medische afzakker op grond waarvan een andere eerste ziektedag of een andere maatman(omvang) toegepast zou moeten worden.
2.5.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.6.
De rechtbank heeft het beroep op 22 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en de gemachtigde van eiseres. Verweerder was niet aanwezig.

Beoordeling door de rechtbank

Het geschil
3. Eiseres stelt dat verweerder ten onrechte tot de conclusie komt dat er geen sprake is van een medische afzakker. De eerste ziektedag moet worden verplaatst naar 1 april 2015. Er is door verweerder onvoldoende gekeken naar de specifieke situatie van eiseres en de (meer dan twintig) medische rapporten die zij heeft overgelegd. Verweerder baseert haar besluit slechts op twee documenten, namelijk de terugkoppelingen van de arbodienst van 3 december 2014 en 7 januari 2015. Hieruit blijkt dat eiseres na een jarenlange periode van arbeidsongeschiktheid in de drie maanden vóór 1 april 2015 weer volledig aan het werk was. Deze twee documenten geven, louter op zichzelf beschouwd, echter geen juist beeld van de medische situatie. Eiseres stelt zich op het standpunt dat haar klachten en beperkingen ertoe noodzaakten om het aantal uren per 1 april 2015 te verminderen. Dit betreffen dezelfde klachten waarmee eiseres per 1 augustus 2022 volledig is uitgevallen. Hoewel alle medische stukken zorgvuldig bij de beoordeling hadden moeten worden betrokken, is verweerder op de andere door eiseres ingebrachte documenten (hierna: de overige onderbouwing) niet ingegaan. In bezwaar zijn deze stukken helemaal niet beoordeeld en de in beroep voor het eerst ingeschakelde verzekeringsarts merkt in zijn rapport van 1 oktober 2025 over de overige onderbouwing alleen op dat op basis daarvan ook niet kan worden geconcludeerd dat er sprake is van een medische afzakker. Hij motiveert dat ten onrechte niet. Volgens eiseres is er sprake van een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek in de besluitvorming. Uit de overige onderbouwing volgt wel degelijk dat er sprake is van een medische afzakker, aldus eiseres.
3.1.
Verweerder kan zich hierin niet vinden en verwijst naar het in beroep ingebrachte rapport van de verzekeringsarts van 1 oktober 2025. Hierin overweegt de verzekeringsarts dat uit de twee terugkoppelingen van de arbodienst blijkt dat eiseres in de drie maanden voorafgaand aan 1 april 2015 na een lange periode van arbeidsongeschiktheid weer volledig haar eigen werk verrichte. Eiseres heeft zelf een keuze gemaakt om minder te gaan werken.
Uit de medische gegevens kan niet worden bevestigd dat hier een medische noodzaak voor was. De medische onderbouwing geeft volgens de verzekeringsarts geen aanleiding om van een medische afzakker te spreken, aldus verweerder.
Het juridisch kader
4. Bij de beoordeling van deze zaak stelt de rechtbank voorop dat er sprake is van een medische afzakker als iemand als gevolg van ziekte of gebrek (tijdelijk) lager beloond werk gaat doen of om medische redenen de arbeidsurenomvang terugbrengt zonder zich ziek te melden. [1] Als iemand later uitvalt uit dit lager betaalde werk en dan pas een arbeidsongeschiktheidsuitkering aanvraagt, kan in zo’n geval het voorlaatste werk als uitgangspunt worden genomen.
4.1.
Iemand die hier een beroep op doet, dient met een voldoende specifieke medische onderbouwing aannemelijk te maken dat hij of zij als gevolg van een objectief medische noodzaak minder uren is gaan werken. Het vereiste van een voldoende specifieke medische onderbouwing voordat een medische afzakker kan worden aangenomen, is verankerd in vaste rechtspraak. [2] Een dergelijke beoordeling hoeft niet plaats te vinden op het moment dat iemand minder gaat werken, maar kan ook achteraf gezien plaatsvinden. [3] Verder is voor het aannemen van een eerdere eerste arbeidsongeschiktheidsdag niet bepalend wanneer de met de ziekte of ziektes samenhangende klachten zich voor het eerst hebben geopenbaard en hoe lang deze al bestonden, maar op welk moment iemand als gevolg van die klachten niet meer in staat was tot het verrichten van zijn werkzaamheden in de voor hem op dat moment normale omvang. [4]
Is er sprake van een medische afzakker?
5. Partijen zijn het erover eens dat eiseres al geruime tijd kampt met serieuze medische klachten op mentaal gebied. Partijen zijn het niet eens over de vraag of verweerder zorgvuldig en goed gemotiveerd tot de conclusie is gekomen dat eiseres niet uit medische noodzaak minder is gaan werken per 1 april 2015.
5.1.
Eiseres heeft specifieke medische onderbouwing ingebracht, bestaande uit meer dan twintig medische rapporten. Dat hieruit niet blijkt dat een medisch specialist op of rond 1 april 2015 expliciet heeft vastgesteld dat er een medische noodzaak voor de urenvermindering bestond, betekent niet dat eiseres daarom niet als een medische afzakker kan worden aangemerkt. Uit de in rechtsoverweging 4.1 genoemde rechtspraak blijkt dat dit ook achteraf kan worden vastgesteld.
5.2.
In bezwaar zijn geen van deze stukken van de overige onderbouwing door een (verzekerings)arts beoordeeld en heeft verweerder haar besluit gebaseerd op de twee rapporten van de arbodienst van 3 december 2014 en 7 januari 2015. Hoewel de in beroep ingeschakelde verzekeringsarts kennis heeft genomen van de overige medische informatie, blijkt uit de rapportage van 1 oktober 2025 dat doorslaggevende betekenis is toegekend aan de twee rapporten van de arbodienst, waaruit volgt dat eiseres in de maanden voorafgaand aan 1 april 2015 weer nagenoeg volledig werkzaam was. De overige medische stukken zijn daarbij onvoldoende kenbaar en inhoudelijk in de beoordeling betrokken.
5.3.
Uit die overige medische stukken volgt namelijk onder meer dat het ziektebeeld van eiseres al in 2005 bestond, feitelijk ver daarvoor haar oorsprong heeft en al een groot deel van het leven een zware last voor eiseres is. Ook blijkt uit deze stukken dat eiseres zich in 2012 veelvuldig heeft ziekgemeld met dezelfde klachten en in 2013 en 2014 als gevolg van deze klachten langdurig arbeidsongeschikt is geweest. In de hierop volgende re-integratiefase, de maanden vóór 1 april 2015 (waarop verweerder haar besluit overwegend lijkt te baseren), heeft eiseres voor het eerst weer drie maanden gewerkt (op enkele dagen na). De rechtbank volgt de conclusie van de verzekeringsarts dat uit de stukken van de werkgever blijkt dat het in die periode goed ging met eiseres, zij in die drie maanden fulltime heeft gewerkt en dit (op een paar migrainedagen na) gelukt is. Maar eiseres heeft toegelicht dat zij zich in die drie maanden genoodzaakt voelde om door te blijven werken, omdat zij volgens de bedrijfsarts anders haar baan zou verliezen. Dit, volgens de bedrijfsarts, vanwege haar langdurige arbeidsongeschiktheid in de jaren daarvoor. Eiseres ging hierin zo ver dat zij gedurende deze re-integratiefase veel zware medicatie nam, haar hond heeft verkocht, haar aan de andere kant van het land woonachtige ouders heeft gevraagd om haar huishouden over te nemen en vaak een dag per week vakantiedagen heeft opgenomen, om zich maar niet ziek te hoeven melden. Daarbij blijkt uit het stuk van psychiater van Balkom van 14 maart 2016 dat de klachten in die periode door medicatie en behandeling verbeterd waren en het haar lukte om haar werk volledig te hervatten, maar dat zij ervoor koos om van vier na drie dagen per week werk te gaan omdat zij zich dan veel ontspannener voelde en zij haar psychische klachten beter in de hand kon houden.
5.4.
Hoewel eiseres in de maanden voorafgaand aan 1 april 2015 fulltime heeft gewerkt, kan dit niet zonder meer worden aangemerkt als bewijs dat geen sprake was van een medische noodzaak voor de urenvermindering. Doorslaggevend is niet uitsluitend het aantal gewerkte uren, maar de medische belastbaarheid van eiseres in die periode.
5.5.
Uit de overgelegde medische stukken blijkt dat het ziektebeeld van eiseres reeds jarenlang bestond en in 2012 opnieuw leidde tot frequente ziekmeldingen en langdurige arbeidsongeschiktheid. De diagnoses en klachten bestaan op dit moment nog steeds. Eiseres heeft gemotiveerd toegelicht dat zij zich genoodzaakt voelde om in de drie maanden voor 1 april 2015 te blijven werken uit angst om haar baan te verliezen, daarbij zware medicatie gebruikte en vakantiedagen inzette om gedurende de week rust te nemen en ziekmeldingen te vermijden. Deze omstandigheden zijn onvoldoende meegewogen door de verzekeringsarts. Daarnaast volgt uit de medische informatie dat de verbetering in functioneren het gevolg was van behandeling en medicatie. De verzekeringsarts heeft onvoldoende toegelicht waarom de urenvermindering volledig als een persoonlijke keuze kan worden aangemerkt en niet (mede) voortvloeit uit de medische situatie van eiseres. Te meer nu in het stuk van de psychiater ook staat dat het een noodzakelijke aanpassing was van haar kant om de psychische klachten beheersbaar te houden. Bovendien is het de rechtbank niet duidelijk waarom verweerder in haar besluit van 11 juli 2024 concludeert dat eiseres 80-100% arbeidsongeschikt is, maar ook stelt dat eiseres op 1 april 2015 niet om medische redenen minder is gaan werken, terwijl het ziektebeeld in de tussengelegen periode niet lijkt te zijn veranderd.
De verzekeringsarts heeft, gelet op het voorgaande, onvoldoende inzichtelijk gemaakt waarom eiseres haar langdurige klachten, in samenhang met het ziekteverloop en de door eiseres geschetste omstandigheden tijdens de re-integratie, niet aannemelijk maken dat eiseres haar arbeidsomvang heeft verminderd wegens een objectieve medische noodzaak. Door het zwaartepunt te leggen bij de twee arbodienstrapporten en de overige medische informatie slechts beperkt bij de medische beoordeling te betrekken, komt de rechtbank tot de conclusie dat het bestreden besluit strijdig is met het zorgvuldigheids- en het motiveringsbeginsel.
5.6.
Het beroep slaagt.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien, omdat er medisch onderzoek noodzakelijk is voordat er een nieuwe beslissing kan worden genomen. Ook draagt de rechtbank niet aan verweerder op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat te verwachten is dat het onderzoek dat nodig is om de gebreken te herstellen enige tijd zal duren en te onzeker is wanneer dat kan worden afgerond.
6.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor zes weken.
6.2.
Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten.
Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 13 december 2024;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 53,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.J. Mulder, rechter, in aanwezigheid van mr. E.M. de Buur, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 23 februari 2026.
buiten staat mede
te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie o.a. Centrale Raad van Beroep (de Raad) van. 28 augustus 2015 ECLI:NL:CRVB: 2015:2938) en Rechtbank Midden-Nederland 20 december 2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:6278.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 5 oktober 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2171 r.o. 4.1.3.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 3 februari 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:229 r.o. 4.3.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 29 december 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:3327 r.o. 7.4.