Uitspraak
31 maart 2022, 21/4001 (aangevallen uitspraak)
OVERWEGINGEN
31 december 2017 had appellant een dienstverband als leerling-machinist. Aansluitend is hem een WW-uitkering toegekend en vanuit die situatie heeft hij zich op 23 februari 2018 ziek gemeld. Het Uwv heeft appellant een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. Na een eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) heeft het Uwv bij besluit van 3 oktober 2019, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 25 maart 2020, de ZW-uitkering van appellant met ingang van 4 november 2019 beëindigd, omdat hij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. Het beroep van appellant tegen het besluit van
3 oktober 2019 is door de rechtbank bij uitspraak van 31 mei 2021 ongegrond verklaard. Appellant heeft tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld (de procedure 21/2420 ZW)
Appellant heeft er tevens op gewezen dat na de WIA-beoordeling per 16 juli 2012 er meerdere momenten waren waarop sprake was van uitval met dezelfde klachten. Hij heeft het Uwv daarom ook verzocht om een Amber-beoordeling op grond van artikel 55, eerste lid, van de Wet WIA.
Over de aanvraag van een Amber-beoordeling heeft het Uwv overwogen dat appellant niet met medische stukken heeft aangetoond dat er een toename is geweest van de arbeidsongeschiktheid ten gevolge van dezelfde ziekteoorzaak, zodat de aanvraag niet in behandeling is genomen.
Appellant heeft ter ondersteuning van zijn standpunt gewezen op de zich in het dossier bevindende medische informatie van zijn behandelaars over de periode van 2004 tot en met 2012. Deze informatie door appellant is overlegd in de bezwaarprocedure tegen het besluit van 11 mei 2012. Deze stukken zijn in die procedure door een verzekeringsarts bezwaar en beroep reeds betrokken bij de beoordeling van de belastbaarheid van appellant voor zijn arbeidsmogelijkheden per 16 juli 2012. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geen aanleiding gezien voor een urenbeperking en met inachtneming van de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep vastgestelde beperkingen heeft een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep appellant geschikt bevonden voor het verrichten van werkzaamheden in passende functies voor een volledige werkweek. Gelet hierop kan deze medische informatie niet leiden tot het standpunt dat er sprake is van een medische afzakker. Ook de in hoger beroep overgelegde contra-expertise bevat geen overtuigende medische gegevens waaruit moet worden afgeleid dat urenvermindering of het aanvaarden van lager beloonde arbeid medisch noodzakelijk was. De bij de expertise gevoegde bijlagen van de arbodienst uit 2004 zien op een ziekmelding van 30 juni 2004 en op een volledige werkhervatting in de eigen functie rond 1 september 2004.
WGA-uitkering is ontstaan omdat de verzekerde op die dag niet gedeeltelijk arbeidsongeschikt is, alsnog recht op die uitkering ontstaat met ingang van de dag dat de verzekerde wel (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt wordt, indien hij op de dag hieraan voorafgaand minder dan 35% arbeidsongeschikt was en de (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak als die op grond waarvan hij gedurende de wachttijd ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid.