ECLI:NL:RBAMS:2026:135

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
14 januari 2026
Zaaknummer
13-044249-24
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Overlevering van een opgeëiste persoon aan Hongarije in het kader van een Europees aanhoudingsbevel met betrekking tot detentieomstandigheden

Op 14 januari 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak betreffende de overlevering van een opgeëiste persoon aan Hongarije op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). De rechtbank heeft vastgesteld dat de overlevering kan plaatsvinden, omdat er geen weigeringsgronden van toepassing zijn. De zaak betreft een vordering van de officier van justitie tot behandeling van het EAB, dat op 22 november 2023 door de Hongaarse autoriteiten is uitgevaardigd. De opgeëiste persoon is geboren in 1993 in Hongarije en heeft een vrijheidsstraf van drie jaar en zeven maanden opgelegd gekregen, waarvan nog één jaar, twee maanden en twaalf dagen resteert. De rechtbank heeft de detentieomstandigheden in Hongarije beoordeeld aan de hand van een rapport van het CPT van 16 december 2025, waarin werd geconcludeerd dat de situatie in de penitentiaire inrichting in Tiszalök aanzienlijk is verbeterd. De rechtbank oordeelde dat er geen algemeen reëel gevaar bestaat voor onmenselijke of vernederende behandeling van gedetineerden in Hongarije, en dat de opgeëiste persoon niet in een onveilige situatie zal worden geplaatst na zijn overlevering. De rechtbank heeft het gelijkstellingsverweer van de raadsman verworpen, omdat de opgeëiste persoon niet voldoet aan de vereisten voor gelijkstelling met een Nederlander. De rechtbank heeft uiteindelijk de overlevering toegestaan, omdat het EAB voldoet aan de eisen van de Overleveringswet en er geen weigeringsgronden zijn die aan de overlevering in de weg staan.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-044249-24
Datum uitspraak: 14 januari 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 6 november 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 22 november 2023 door
the Penal Group of the Tribunal Court of Kaposvár, Hongarije, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1993 in [geboorteplaats] (Hongarije),
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[BRP-adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 31 december 2025, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. A.M.C.J. Baaijens, advocaat in Utrecht, en door een tolk in de Hongaarse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Hongaarse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een vonnis van
the Siófok District Courtvan 7 september 2020
, judgment no. 5.B.5/2020/127-I,waarover in hoger beroep is geoordeeld door
the Kaposvár Regional Court, met referentienummer 2.Bf.226/2020/49, welke onherroepelijk is geworden op 9 juni 2021.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van drie jaar en zeven maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog één jaar, twee maanden en twaalf dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest.
Dit arrest betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. [3]

4.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW

Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. [4] De rechtbank zal op grond hiervan alleen het arrest toetsen aan artikel 12 OLW.
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaring van de opgeëiste persoon bij de voorgeleiding vragen doet rijzen over de kennisname dan wel de betekening in persoon van de veroordeling dan wel eventueel opgelegde voorwaarden die zijn verbonden aan de straf. Hierdoor zou artikel 12 OLW een weigeringsgrond kunnen vormen. Verzocht is om over de gang van zaken in de hoger beroepsfase vragen te stellen aan de Hongaarse autoriteiten.
De officier van justitie heeft geen standpunt ingenomen.
De rechtbank stelt vast dat Onderdeel d) van het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot het arrest heeft geleid. Dit betekent dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet van toepassing is. Dat er volgens de raadsman vragen zijn over de kennisname dan wel de betekening van het arrest is daarom niet van belang. De rechtbank verwerpt het verweer en wijst het verzoek om aanhouding af.

5.Strafbaarheid

5.1
Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten één tot en met drie aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:
georganiseerde of gewapende diefstal.
Uit het EAB volgt dat op de feiten één tot en met drie naar het recht van Hongarije een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld. Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van deze feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
5.2
Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft feit vier niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
Standpunten van partijen
De raadsman heeft ten aanzien van dit punt geen standpunt ingenomen.
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat feit vier niet voldoet aan het vereiste van dubbele strafbaarheid. Verzocht is om af te zien van toepassing van de weigeringsgrond, omdat straffeloosheid voorkomen moet worden.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt, met de officier van justitie, vast dat ten aanzien van feit vier niet is voldaan aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd, omdat dit feit naar Nederlands recht niet strafbaar is. De Nederlandse wet kent namelijk geen strafbaarstelling voor het exploiteren van de opbrengsten prostitutie zonder dat er minderjarigen bij betrokken zijn en/of sprake is van een uitbuitingssituatie. Blijkens het EAB waren de twee prostituees meerderjarig en was van een uitbuitingssituatie geen sprake. Dit betekent dat de weigeringsgrond van artikel 7 OLW van toepassing is.
De rechtbank ziet aanleiding om van deze weigeringsgrond af te zien, omdat het feit geen aanknopingspunten met de Nederlandse rechtsorde heeft. Het feit is begaan in Hongarije door een onderdaan van Hongarije tegen andere onderdanen van Hongarije. Weigering van de overlevering zou leiden tot straffeloosheid, wat in beginsel voorkomen moet worden. Of de opgeëiste persoon gelijk kan worden gesteld met een Nederlander en de overlevering om die reden geweigerd zou moeten worden, zal de rechtbank hierna bespreken.

6.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW

Standpunt van de raadsman
De raadsman verzoekt de rechtbank om de opgeëiste persoon gelijk te stellen met een Nederlander en de overlevering te weigeren onder gelijktijdige strafovername. De opgeëiste persoon verblijft nog geen vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland, maar blijkens de overgelegde stukken liggen zijn re-integratiekansen in Nederland en niet in Hongarije.
Standpunt van de officier van justitie
Volgens de officier van justitie is de weigeringsgrond van artikel 6a OLW niet van toepassing. Hij voert aan dat het gelijkstellingsverweer van de opgeëiste persoon niet slaagt, omdat de opgeëiste persoon niet heeft aangetoond dat hij ten minste vijf jaren ononderbroken en rechtmatig in Nederland heeft verbleven. De opgeëiste persoon is naar eigen zeggen in augustus 2021 naar Nederland gekomen en staat sinds februari 2022 ingeschreven in de Basisregistratie Personen. Onder verwijzing naar jurisprudentie van deze rechtbank stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat een verblijf van minder dan vijf jaar niet volstaat. [5]
Oordeel van de rechtbank
Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling kan op basis van artikel 6a, eerste en negende lid, OLW worden geweigerd als deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen.
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6a, negende lid, OLW onder meer zijn voldaan aan het vereiste dat de opgeëiste persoon ten minste vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000.
De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat niet aan dit vereiste is voldaan. Op grond van de overgelegde stukken kan niet worden vastgesteld dat de opgeëiste persoon ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000 en daarmee een duurzaam verblijfsrecht heeft verworven. Anders dan de raadsman heeft aangevoerd, biedt de wet geen ruimte om op deze voorwaarde een uitzondering te maken.
Nu niet aan de eerste voorwaarde is voldaan, komt de rechtbank niet toe aan een bespreking van de tweede voorwaarde. Het gelijkstellingsverweer wordt verworpen.

7.Artikel 11: detentieomstandigheden in Hongarije

7.1
Inleiding
De rechtbank heeft in eerdere uitspraken op basis van het rapport van
the Comittee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading treatment or Punishment(hierna: het CPT) van
3 december 2024 overwogen dat sprake is van een onveilige situatie in de penitentiaire inrichting in Tiszalök gelet op de
ill-treatmentvan gedetineerden door het gevangenispersoneel en het geweld tussen gedetineerden onderling. [6] Daarop heeft de rechtbank geoordeeld dat er voor gedetineerden in de penitentiaire inrichting in Tiszalök een algemeen reëel gevaar bestaat dat zij aan een onmenselijke of vernederende behandeling zullen worden blootgesteld in de zin van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest).
Op 4 december 2025 heeft
the Ministry of Justice of Hungaryop verzoek van het IRC ten behoeve van de opgeëiste persoon een detentiegarantie verstrekt waaruit – kort gezegd – blijkt dat de opgeëiste persoon naar alle waarschijnlijkheid na zijn overlevering zal worden gedetineerd in
the Szombathely National Penitentiaryen dat de opgeëiste persoon gedurende zijn detentie niet zal worden gedetineerd in
the Tiszalök National Penitentiary.
Het CPT heeft in de periode van 25 maart tot april 2025 een “
follow up visit” aan, onder meer, de penitentiaire inrichting in Tiszalök gebracht om de behandeling van gedetineerden en de detentieomstandigheden opnieuw te evalueren.
Naar aanleiding van dit bezoek heeft het CPT op 16 december 2025 een nieuw rapport gepubliceerd. [7] Op dezelfde datum is de reactie op het rapport van de Hongaarse autoriteiten gepubliceerd. [8] Volgens het CTP is de situatie in Tiszalök de laatste tijd aanzienlijk verbeterd, wat wordt toegeschreven aan het vernieuwde management van de penitentiaire inrichting dat is aangesteld in november 2024. De verbeteringen en de getroffen maatregelen na het vorige bezoek in 2023 worden in onderstaande passages uit het rapport benoemd:
“21. Given the gravity of its findings, in the report on the 2023 visit, the CPT recommended that the Hungarian authorities initiate a thorough and independent inquiry into the situation at Tiszalök Prison regarding ill-treatment by staff. By letter of 13 May 2024, the Hungarian authorities transmitted to the committee an extract from the report on a visit carried out to Tiszalök Prison by the Commissioner for Fundamental Rights (Ombudsperson), acting in his capacity as the National Preventive Mechanism (NPM). According to the report, inter alia, several detainees interviewed during the NPM visit reported that physical abuse by staff had been of regular occurrence prior to the change of management in November 2023. Moreover, a few detainees still reported that some staff members continued to abuse prisoners, both physically and verbally. Consequently, the NPM formulated a series of recommendations to prevent ill-treatment by staff, including by the provision of training and proper documentation of injuries.
22. Following the 2023 visit carried out by the CPT, the Hungarian authorities took a series of measures to tackle ill-treatment by staff. In particular, the number of CCTV cameras had been significantly increased and the recordings were stored for 30 to 60 days, and an instruction had been issued to ensure that when allegations of ill-treatment are made, as a matter of urgency, a medical examination must be carried out (see, however, paragraph 38), the relevant CCTV footage must be analyzed and saved, and witnesses must be heard. (…).
Further, various training courses were provided to staff, including on the definition and legal consequences of ill-treatment and, for educative and preventive purposes, case studies of incidents in which a staff member had been convicted of ill-treatment. Staff were also repeatedly instructed by senior officers about the critical importance of avoiding any abuse of prisoners. All staff at Tiszalök Prison received training organised by the psychology department on the behavioral characteristics of prisoners with special needs and their treatment. There was also training on stress reduction.
In addition, the management team of Tiszalök Prison was replaced on 15 November 2023, and then again as of 1 November 2024. The CPT takes note of these steps.
[…]
26. It is a promising development that, according to the prisoners interviewed at Tiszalök Prison, the situation had considerably improved recently, which was attributed to the change in the management of the establishment in November 2024. (…) The CPT notes positively the commitment of the Hungarian authorities to tackle ill-treatment of prisoners by staff. (…)“
Tot slot heeft het CPT de Hongaarse autoriteiten opgeroepen waakzaam te blijven om deze cultuurverandering in stand te houdenn, gelet op een verhoogd risico op een terugval. Dit blijkt onder andere uit de volgende passage:
“26. The Committee fully understands that changing the culture in an establishment and ensuring that all staff including frontline staff, fully comply with the new approach in their daily operation, which is required by the new management, takes time. At the same time, there is a high risk of relapsing to the deeply entrenched attitudes, which would appear to have existed for several years.
The CPT recommends that the Hungarian authorities build on the recent promising developments at Tiszalök Prison and provide full support to the management of the establishment in their efforts to eradicate ill-treatment of prisoners by staff.”
Ten aanzien van het geweld tussen gedetineerden onderling heeft het CPT overwogen:
42. Inter-prisoner violence occurred in both establishments and involved both physical attacks and verbal abuse. Prison officers intervened when they were aware of these incidents, the prisoners involved were medically examined and the incident was registered. (…)
The CPT recommends that staff at Szombathely and Tiszalök Prisons remain vigilant to any signs of inter-prisoner violence and intimidation, and intervene immediately and proportionately when such incidents occur (…).
7.2
Standpunten van partijen
Standpunt van de raadsman
De raadsman verzoekt om het EAB niet in behandeling te nemen gelet op artikel 11 OLW. Volgens hem is onduidelijk waar de opgeëiste persoon, na eventuele overlevering, zal worden gedetineerd. Daarnaast is sprake van zorgwekkende detentieomstandigheden in Szombathely, waarbij de raadsman verwijst naar het CPT-rapport van 16 december 2025.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de Hongaarse detentieomstandigheden niet aan overlevering in de weg staan. Uit de aanvullende informatie blijkt dat wordt gegarandeerd dat de opgeëiste persoon niet zal worden gedetineerd in Tiszalök. Het algemene gevaar wordt voor de opgeëiste persoon met de verstrekte garantie weggenomen.
7.3
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank is, gelet op de onder overweging 6.1 aangehaalde passages uit het CPT-rapport, van oordeel dat niet langer sprake is van (voldoende) objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens op grond waarvan een algemeen reëel gevaar kan worden aangenomen dat personen die in Tiszalök zijn gedetineerd onmenselijk of vernederend worden behandeld in verband met de
ill-treatmentvan gedetineerden door het gevangenispersoneel en het geweld tussen gedetineerden onderling. Uit dit rapport blijkt dat de omstandigheden sinds het CPT-rapport van 3 december 2024 aanzienlijk zijn verbeterd, met name door de aanstelling van het nieuwe management. Uit het rapport van 16 december 2025 blijkt dat er door het management een cultuurverandering is ingezet waardoor geweld door medewerkers tegen gedetineerden en tussen gedetineerden onderling is verminderd tot incidentele gevallen. Hoewel iedere vorm van geweld voorkomen moet worden, zijn de omstandigheden in Tiszalök niet langer zodanig dat sprake is van een algemeen reëel gevaar dat gedetineerden onmenselijk of vernederend worden behandeld. In het rapport staat dat er een risico bestaat op een terugval en dat de Hongaarse regering daarom waakzaak moet blijven. Bij de vaststelling van een algemeen gevaar kan de rechtbank echter geen rekening houden met dit risico nu het gaat om een onzekere toekomstige gebeurtenis. Bij de beoordeling van de detentieomstandigheden gaat het erom hoe de omstandigheden nu feitelijk zijn en uit het rapport van 16 december 2025 blijkt dat die omstandigheden inmiddels geen algemeen reëel gevaar van schending van de mensenrechten meer opleveren. De detentieomstandigheden staan dan ook niet aan overlevering van de opgeëiste persoon in de weg. Gelet hierop komt de rechtbank niet meer toe aan een bespreking van de op 4 december 2025 verstrekte detentiegarantie.

8.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

9.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 2, 5 en 7 van de Overleveringswet.

10.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[de opgeëiste persoon]aan
the Penal Group of the Tribunal Court of Kaposvár, Hongarije, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. I. Verstraeten, voorzitter,
mrs. M.C.M. Hamer en M. Scheeper, rechters,
in tegenwoordigheid van M.L. Kole, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 14 januari 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, (
5.Rb. Amsterdam 2 oktober 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:7264 en Rb. Amsterdam 4 november 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:8345.
6.Bijvoorbeeld Rb. Amsterdam 13 februari 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:1257, na de tussenuitspraak van 7 januari 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:232.