ECLI:NL:RBAMS:2025:8474

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
5 november 2025
Publicatiedatum
7 november 2025
Zaaknummer
C/13/755604 / HA ZA 24-928
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Proceskostenveroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aantasting van een rechtshandeling door tegenstrijdig belang en strijd met statutaire besluitvorming

In deze zaak heeft de Rechtbank Amsterdam op 5 november 2025 uitspraak gedaan in een civiele procedure tussen de naamloze vennootschap ROYAL SCHOUTEN GROUP N.V. (RSG) en de besloten vennootschap MERCATOR B.V. (Mercator), met als derde opgeroepen partij [gedaagde 2]. RSG vorderde de nietigverklaring van een bestuursbesluit dat door [gedaagde 2] als bestuurder van Mercator was genomen op 24 augustus 2021, waarbij Mercator een schikking aanging met Vermont c.s. RSG stelde dat [gedaagde 2] een tegenstrijdig belang had bij dit besluit, omdat hij zowel bestuurder als grootaandeelhouder was en zijn persoonlijke belangen niet in lijn waren met die van de vennootschap. De rechtbank oordeelde dat er geen sprake was van een tegenstrijdig belang in de zin van artikel 2:239 lid 6 BW, omdat het persoonlijke belang van [gedaagde 2] niet in strijd was met het belang van Mercator. De rechtbank benadrukte dat de vertegenwoordigingsbevoegdheid van bestuurders onbeperkt is, tenzij de wet anders bepaalt. De vorderingen van RSG werden afgewezen, en zowel RSG als Mercator werden veroordeeld in de proceskosten van [gedaagde 2].

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummer: C/13/755604 / HA ZA 24-928
Vonnis van 5 november 2025
in de zaak van
de naamloze vennootschap,
ROYAL SCHOUTEN GROUP N.V.,
gevestigd te Rotterdam,
eiseres (hierna:
RSG),
advocaat: mr. P. Habermehl,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid,
MERCATOR B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde (hierna:
Mercator),
advocaat: mr. P. Habermehl,
en
[gedaagde 2],
wonende te [woonplaats] ,
als derde opgeroepen partij (hierna:
[gedaagde 2]),
advocaat: mr. S.M. Campmans.

1.De procedure

1.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 8 januari 2025 (hierna: het
tussenvonnis) [1] ,
- het exploot ‘processtukken en oproeping’, betekend aan [gedaagde 2] op 20 januari 2025,
- de conclusie van antwoord van [gedaagde 2] met producties,
- het tussenvonnis van 30 april 2025 waarin een mondelinge behandeling is bepaald,
- de akte overlegging producties 30 tot en met 32 van [gedaagde 2] ,
- de akte overlegging producties 15 tot en met 17 van RSG,
- de akte overlegging productie 18 van RSG,
- de mondelinge behandeling van 22 september 2025 en de daar gewisselde spreekaantekeningen, het schriftelijke bezwaar van RSG en Mercator tegen de aanwezigheid van de advocaat van Vermont c.s. (dat is afgewezen) en de eiswijziging van RSG.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De verdere beoordeling
Wat is er gebeurd?
2.1.
RSG en Mercator hebben onder bijstand van één en dezelfde advocaat elkaar gedagvaard respectievelijk van antwoord gediend om, bij voorkeur zonder mondelinge behandeling en met een snelle uitspraak, te bewerkstelligen dat een bestuursbesluit in rechte nietig wordt verklaard of wordt vernietigd.
2.2.
Het gaat om het besluit dat [gedaagde 2] als bestuurder van Mercator heeft genomen op 24 augustus 2021, te weten het namens Mercator aangaan van de Schikking met Vermont c.s. (zie tussenvonnis onder 2.5). RSG stelt grootaandeelhouder van Mercator te zijn. Volgens RSG lag primair de bevoegdheid tot het nemen van het bedoelde besluit privatief bij de aandeelhoudersvergadering vanwege de aanwezigheid van een tegenstrijdig belang van [gedaagde 2] . Daarnaast stelt RSG dat het nemen van het bedoelde besluit in strijd was met de statuten van Mercator, dan wel met de redelijkheid en billijkheid. Dit leidt volgens RSG en Mercator tot de nietigheid dan wel vernietigbaarheid van het bedoelde besluit.
2.3.
In het tussenvonnis is geoordeeld dat de door RSG gevorderde beslissing, waar
erga omneswerking van uitgaat, de oproeping behoeft van [gedaagde 2] .
2.4.
[gedaagde 2] is als derde opgeroepen en heeft van antwoord gediend. [gedaagde 2] betwist dat RSG aandeelhouder van Mercator is, onder verwijzing naar een voorblad en een aantal bladzijden van een aandeelhoudersregister met “de gegevens van de vennootschap vanaf 27 mei 2014”. Daarin komt RSG niet voor als aandeelhouder. Als laatste staan er Stichting Administratiekantoor Confamiliaris als houder van 399 Mercator-aandelen en de heer [naam] (hierna:
[naam]) als houder van één Mercator-aandeel. Verder betwist [gedaagde 2] de nietigheid dan wel vernietigbaarheid van het bedoelde besluit.
Eisaanvulling van RSG
2.5.
Op zitting heeft RSG haar eis bestaande uit – samengevat – primair nietigverklaring en subsidiair vernietiging van het bedoelde besluit en een proceskostenveroordeling, vermeerderd met de volgende eis:
“daarnaast wordt gevorderd, indien en voor zover de rechtbank vaststelt en voor recht verklaart, dat het door [gedaagde 2] in diens toenmalige hoedanigheid van (indirect) bestuurder van Mercator genomen besluit tot aanvaarding van het voorstel van Vermont c.s. als vervat in de brief van 12 augustus 2021 nietig is op een van de aangevoerde gronden, dat het besluit tevens – voorwaardelijk – op de betreffende grond wordt vernietigd, voor het geval (later) vast zou komen te staan dat het besluit niet nietig is maar vernietigbaar
.
2.6.
Namens RSG en Mercator is verklaard dat zij een nietigverklaring dan wel vernietiging willen gebruiken in hun procedure tegen Vermont c.s. in hoger beroep. In hun optiek heeft ook [gedaagde 2] daar belang bij, omdat hij als bestuurder aansprakelijk riskeert te zijn tegenover Mercator voor de nadelige gevolgen van het bedoelde besluit. Uitdrukkelijk is daarop namens RSG en Mercator op zitting bevestigd dat deze procedure niet de insteek heeft om – na nietigverklaring of vernietiging – vervolgstappen te ondernemen tegen [gedaagde 2] . Het belang bij deze procedure is zuiver gelegen in de vervolgstappen tegen Vermont c.s. waarbij RSG en Mercator erop rekenen eventuele derdenbescherming die uitgaat van een aangetast besluit te kunnen bestrijden.
Is RSG wel aandeelhouder van Mercator?
2.7.
Op zitting heeft RSG haar grootaandeelhouderschap onderbouwd door te verwijzen naar een voorblad en losse bladzijden van een nieuw overgelegd aandeelhoudersregister. Daarop zou de huidige situatie staan nadat twee weken voorafgaand aan de zitting een aantal niet doorgevoerde notariële akten uit 2016 alsnog op de juiste wijze zou zijn geadministreerd. Volgens het voorblad betreft het “de gegevens van de vennootschap vanaf datum oprichting” en [gedaagde 2] wijst er onder meer op dat transacties en pagina’s ontbreken. Blijkens de opmaak is het een geheel ander aandeelhoudersregister dan [gedaagde 2] heeft overgelegd. Desgevraagd deelde de advocaat van zowel RSG als Mercator mee niet te weten wie dit register had geparafeerd namens “directeur(en) en/of commissaris(sen)”. De ter zitting aanwezige bestuurder van zowel RSG als Mercator had deze paraaf niet geplaatst en zei dat de notaris dit zal zijn geweest. Gevraagd naar leveringsakten reageerden RSG en Mercator te kunnen volstaan met dit aandeelhoudersregister omdat de discussie zich daarop toespitste, maar dat zij nader bewijs aanbieden.
2.8.
Later op zitting gaf de advocaat van RSG en Mercator aan alsnog de betreffende leveringsakten bij zich te hebben. Daarin kon echter niet een levering aan RSG worden gelezen. Hoewel minst genomen opvallend is dat de gepretendeerde leveringsakten niet zijn ingediend, zal de rechtbank het geschil hier niet op afdoen en wordt dus ook niet de vraag beantwoord of nog ruimte bestaat voor bewijslevering. Er zijn andere redenen waarom de vordering strandt.
Was sprake van een tegenstrijdig belang?
2.9.
RSG en Mercator stellen dat [gedaagde 2] bij het aangaan van de Schikking een persoonlijk belang had. Dit zou zijn gelegen in het afweren van een aansprakelijkheidsclaim van Vermont c.s. Met de Schikking deed Mercator afstand van de calloptie, wat haar enig actief vormde en inmiddels een miljoenenwaarde zou vertegenwoordigen. Daar stond tegenover dat Vermont c.s. af zou zien van “schadeclaims, procedurekosten etc.” tegen Mercator en [gedaagde 2] , maar volgens RSG hoefden zij daarvoor toch niet te vrezen omdat de (conservatoire) beslagen geen schade hadden veroorzaakt. De Schikking was dus niet in Mercators belang waardoor [gedaagde 2] slechts zijn persoonlijke belangen nastreefde. Hij had zich daarom moeten onthouden van besluitvorming en deze aan de aandeelhoudersvergadering moeten overlaten, aldus steeds RSG en Mercator.
2.10.
[gedaagde 2] betwist dit en licht de omstandigheden omtrent de besluitvorming – samengevat – als volgt toe. [gedaagde 2] zou zowel bestuurder als grootaandeelhouder van Mercator worden gedurende het juridisch conflict met Vermont c.s. Hij had met UBO [naam] afgesproken voor 10% in de waarde van de calloptie mee te delen en zo miljonair te worden. Mercator werd echter in twee instanties in het ongelijk gesteld (zie tussenvonnis onder 2.4) en de levering van de aan [gedaagde 2] verkochte Mercator-aandelen werd steeds maar niet doorgezet. [gedaagde 2] ontdekte onregelmatigheden bij bedrijven van [naam] die media-aandacht hadden gegenereerd en werd kritisch bevraagd door een faillissementscurator en de FIOD over mogelijke malversaties binnen bedrijven van [naam] . Vermont c.s. dreigde met concrete en substantiële schadevorderingen wegens onrechtmatige beslaglegging, te verhalen op Mercator en [gedaagde 2] . Deze schade bestond uit kosten en winstderving door verhindering van uitbreiding en revitalisering van het tankpark, de aanhouding van een subsidieaanvraag, hogere financieringslasten, de noodzaak van extra zekerheden en aanvullende verplichtingen aan de bank, aldus steeds [gedaagde 2] .
2.11.
De rechtbank oordeelt als volgt. Van een tegenstrijdig belang in de zin van artikel 2:239 lid 6 BW is pas sprake als het persoonlijke belang van een bestuurder
strijdigis met het belang van de vennootschap. Daarvoor is niet relevant of het genomen besluit als zodanig goed of slecht was voor de vennootschap. Terecht wijst [gedaagde 2] erop dat een met de vennootschap
parallellopend persoonlijk belang geen reden vormt om de bestuurder uit te sluiten van de besluitvorming. Het feit dat [gedaagde 2] persoonlijk ook een belang had bij de Schikking levert dus nog geen tegenstrijdig belang op.
2.12.
In de Schikking heeft Vermont c.s. afstand gedaan van vorderingen op [gedaagde 2] op grond van bestuurdersaansprakelijkheid. Logischerwijze zou bestuurdersaansprakelijkheid zich echter alleen voordoen als primair Mercator aansprakelijk zou zijn voor dezelfde schade en daarvoor geen verhaal zou bieden. De belangen van [gedaagde 2] en Mercator liepen dus parallel. Van enige strijd tussen de betreffende belangen is geen sprake.
Was het nemen van het besluit in strijd met de statuten?
2.13.
Bij de beoordeling van de vertegenwoordigingsbevoegdheid van bestuurders van een besloten vennootschap moet worden vooropgesteld dat deze onbeperkt en onvoorwaardelijk is, voor zover uit de wet niet anders voortvloeit (artikel 2:240 lid 3 BW). In andere gevallen kan een statutaire beperking slechts interne gevolgen hebben. Hier is gesteld noch gebleken dat sprake is van een extern werkende beperking van de vertegenwoordigingsbevoegdheid van [gedaagde 2] als bestuurder, zodat het direct extern werkende besluit tot het aangaan van de Schikking niet op basis van de hier ingeroepen statutaire beperking kan worden aangetast. Mercator blijft dus aan deze rechtshandeling tegenover Vermont c.s. gebonden, ook al zou het nemen ervan in strijd zijn geweest met artikel 15 lid 5 onder e) en f) van de statuten van Mercator. RSG heeft daarom geen belang bij haar vorderingen voor zover deze zijn gebaseerd op een statutaire beperking van de vertegenwoordigingsbevoegdheid van [gedaagde 2] .
2.14.
RSG en Mercator hebben daarnaast nog aangevoerd dat Vermont c.s. bedacht had moeten zijn op een statutaire regeling waarin het [gedaagde 2] was verboden om zonder goedkeuring van aandeelhouders een vaststellingsovereenkomst te sluiten of een samenwerking te verbreken. Kennelijk doen zij daarmee impliciet een beroep op de
Bibolini-exceptie. [2] Daarvoor is echter niet alleen vereist dat de wederpartij (Vermont c.s.) wist van het overtreden van een interne bevoegdheidsregel, maar ook dat die wederpartij betrokken was bij de totstandkoming van die bevoegdheidsregel, waardoor de
Bibolini-exceptie slechts in uitzonderlijke gevallen opgaat. Deze zaak is daar geen van.
Was het nemen van het besluit in strijd met de redelijkheid en billijkheid?
2.15.
Ook dit beroep van RSG en Mercator duidt slechts op interne werking, via de band van artikel 2:8 BW, en kan dan ook niet tot een ander oordeel leiden.
Slotsom
2.16.
Het voorgaande betekent dat de vorderingen van RSG niet toewijsbaar zijn.
Kosten
2.17.
RSG en Meractor worden, als eiseres en gedaagde, beiden in het ongelijk gesteld en daarom veroordeeld in de proceskosten van de als derde opgeroepen [gedaagde 2] :
- griffierecht
320,00
- salaris advocaat
1.228,00
(2 punten × € 614,00)
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
totaal
1.726,00
2.18.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. Deze proceskostenveroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. [3]

3.De beslissing

De rechtbank
3.1.
wijst het gevorderde af,
3.2.
veroordeelt RSG en Mercator hoofdelijk in de proceskosten van [gedaagde 2] van € 1.726,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als RSG of Mercator niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.3.
veroordeelt RSG en Mercator hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
3.4.
verklaart deze kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. F.L. Bolkestein, in tegenwoordigheid van de griffier, en in het openbaar uitgesproken op 5 november 2025.

Voetnoten

1.Rb Amsterdam 8 januari 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:6.
2.HR 17 december 1982, ECLI:NL:HR:1982:AG4503.
3.HR 23 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1942, r.o. 4.1.2.