ECLI:NL:RBAMS:2025:10538

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
24 december 2025
Publicatiedatum
30 december 2025
Zaaknummer
13-268879-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Overlevering van een Bulgaarse verdachte op basis van een Europees aanhoudingsbevel met betrekking tot detentieomstandigheden en weigeringsgronden

In deze zaak heeft de Rechtbank Amsterdam op 24 december 2025 uitspraak gedaan over een vordering tot overlevering van een Bulgaarse verdachte op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). De officier van justitie had op 21 oktober 2025 verzocht om de behandeling van het EAB, dat was uitgevaardigd door de Bulgaarse autoriteiten op 2 februari 2024. De opgeëiste persoon, geboren in 1973, was gedetineerd in Nederland en werd bijgestaan door zijn raadsman tijdens de zitting op 11 december 2025. De rechtbank heeft de termijn voor uitspraak verlengd en de gevangenhouding bevolen.

De rechtbank heeft de detentieomstandigheden in Bulgarije beoordeeld aan de hand van rapporten van het Europees Comité voor de Preventie van Foltering. Ondanks eerdere zorgen over de detentieomstandigheden, concludeerde de rechtbank dat de Bulgaarse autoriteiten voldoende garanties hadden gegeven dat de opgeëiste persoon niet het risico liep op onmenselijke of vernederende behandeling. De raadsman had betoogd dat de overlevering op grond van artikel 12 van de Overleveringswet (OLW) moest worden geweigerd, maar de rechtbank oordeelde dat de weigeringsgrond niet van toepassing was, omdat de opgeëiste persoon aanwezig was bij de procedure die leidde tot de veroordeling.

De rechtbank concludeerde dat het EAB voldeed aan de eisen van de OLW en dat er geen weigeringsgronden waren die aan de overlevering in de weg stonden. De rechtbank heeft de overlevering toegestaan, waarbij de opgeëiste persoon moet voldoen aan de opgelegde straffen in Bulgarije. De uitspraak is openbaar gedaan en er staat geen gewoon rechtsmiddel open tegen deze beslissing.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-268879-25
Datum uitspraak: 24 december 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 21 oktober 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 2 februari 2024 door
the District Prosecutor’s Office – Plovdiv,Bulgarije (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Bulgarije) op [geboortedag] 1973,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP-adres] ,
gedetineerd in [detentieplaats] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 11 december 2025, in aanwezigheid van mr. G.M. Kolman, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. M. de Klerk, advocaat in Haarlem, en door een tolk in de Bulgaarse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Bulgaarse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een vonnis van
the Plovdiv District Court, 5th Criminal Panel,van
12 januari 2023 (
sentence no. 6), bevestigd in hoger beroep bij het arrest van
the Plovdiv Regional Court, 1st Panel,van 11 mei 2023 (
judgement no. 218).
Verder blijkt uit onderdeel (b) van het EAB en aanvullende informatie van 21 november 2025 dat bij de beslissing van 11 mei 2023 van
the Plovdiv Regional Court, 1st Panel,de tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijke straf van zes maanden is bevolen, die was opgelegd bij beslissing van
the Plovdiv District Courtvan 28 maart 2018 met kenmerk 1659/2018.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen voor de duur van respectievelijk één jaar en drie maanden (218/11.05.2023) en zes maanden (1659/2018), door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraffen zijn aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest van 11 mei 2023 en de beslissing van 28 maart 2018.
Het arrest en de beslissing betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. [3]

4.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW

Het standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering op grond van artikel 12 OLW moet worden geweigerd. De opgeëiste persoon betwist dat hij de oproep voor de zitting heeft ontvangen, omdat hij niet op het door hem opgegeven adres verbleef. Ook betwist de opgeëiste persoon dat hij is bijgestaan door een gemachtigd advocaat, zoals in onderdeel (d) van het EAB staat vermeld. Tot slot is de verstrekte verzetsgarantie onvoldoende onvoorwaardelijk.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet aan overlevering in de weg staat nu sprake is van de situatie zoals bedoeld in artikel 12, onder b, OLW. Op basis van het vertrouwensbeginsel moet van de juistheid van de informatie in het EAB worden uitgegaan. In het arrest van 11 mei 2023 is de tenuitvoerlegging van de bij beslissing van 28 maart 2018 voorwaardelijk opgelegde straf van zes maanden bevolen wegens een nieuw strafbaar feit. Om die reden moet ook de procedure die heeft geleid tot de beslissing van 28 maart 2018 worden getoetst aan artikel 12 OLW getoetst. Aangezien de
opgeëiste persoon blijkens de aanvullende informatie van 21 november 2025 in persoon aanwezig is geweest bij de procedure waarbij de voorwaardelijke straf is opgelegd, is de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet van toepassing.
Het oordeel van de rechtbank
Het arrest van 11 mei 2023 vanthe Plovdiv Regional Court, 1st Panel
Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. [4] De rechtbank zal daarom het arrest van 11 mei 2023 van
the Plovdiv Regional Court, 1st Panel,toetsen aan artikel 12 OLW.
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest terwijl de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid. Op grond van de stukken stelt de rechtbank vast dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van het voorgenomen proces, een advocaat heeft gemachtigd om zijn verdediging te voeren, en dat deze advocaat tijdens het proces zijn verdediging ook daadwerkelijk heeft gevoerd. Gelet op het vertrouwensbeginsel gaat de rechtbank uit van de juistheid van die informatie. Er zijn geen objectieve stukken overgelegd waaruit zou blijken dat de informatie in het EAB onjuist is. De enkele ontkenning van de opgeëiste persoon is daartoe onvoldoende. De rechtbank is daarom van oordeel dat sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 12, sub b, OLW. Dit betekent dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet van toepassing is.
De beslissing van 28 maart 2018 vanthe Plovdiv District Court
In de beslissing van
the Plovdiv District Courtvan 28 maart 2018 is de vrijheidsstraf van zes maanden aanvankelijk in voorwaardelijke vorm aan de opgeëiste persoon opgelegd. Bij beslissing van 11 mei 2023 van
the Plovdiv Regional Court, 1st Panel,is de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijke vrijheidsstraf bevolen. Uit de aanvullende informatie van
21 november 2025 blijkt dat de reden voor tenuitvoerlegging is gelegen in een strafbaar feit dat is gepleegd op 25 december 2019 en waarvoor de opgeëiste persoon bij arrest van 11 mei 2023 is veroordeeld. Ten aanzien van dat arrest heeft de rechtbank zojuist vastgesteld dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet van toepassing is.
Aangezien de overlevering ook wordt gevraagd voor de executie van de aanvankelijk voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van zes maanden, dient de procedure die heeft geleid tot de beslissing waarin die voorwaardelijk gevangenisstraf is opgelegd, eveneens te worden getoetst aan artikel 12 OLW.
Uit de aanvullende informatie van 21 november 2025 blijkt dat de opgeëiste persoon in persoon aanwezig is geweest bij de procedure die tot deze beslissing heeft geleid. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is daarom ook ten aanzien van deze procedure niet van toepassing.
Conclusie
De rechtbank concludeert dat artikel 12 OLW niet in de weg staat aan toewijzing van het overleveringsverzoek.

5.Strafbaarheid

Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden
toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994, meermalen gepleegd.

6.Artikel 11 OLW

6.1.
Bulgaarse detentieomstandigheden
De rechtbank heeft op grond van het
Public statementvan het
European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment(CPT) van
26 maart 2015 geoordeeld dat in het algemeen een reëel gevaar bestaat dat personen die in Bulgarije zijn gedetineerd onmenselijk of vernederend worden behandeld, in de zin van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest). [5] Bij uitspraak van 11 februari 2020 heeft de rechtbank geoordeeld dat het CPT-rapport van 4 mei 2018, naar aanleiding van bezoeken tussen 25 september 2017 en 6 oktober 2017, niet tot een ander oordeel leidt. [6] Dit geldt eveneens ten aanzien van het CPT-rapport van 18 oktober 2022. [7]
In een brief van 20 november 2025 afkomstig van de
Director Generalbij
the Ministry of Justice, Directorat General for execution of punishments,is aanvullende informatie verstrekt. Daarin staat onder meer het volgende vermeld:
“The execution of the punishments is conducted in accordance with the internal and international legal acts, including the European Convention for the Protection of Human Rights and the Fundamental Freedoms. (…)
In accordance with article 58 of the Law on execution of punishments and arrest, the imprisoned people will be allocated in prisons in accordance with a procedure determined with Order No.JI-919/08.03.201 7 of the Director General of the Directorate General for Execution of Punishments, based on the existing option for the prisoners to serve their sentence as close to their permanent address as possible and the requirements of article 43, paragraph 4 of the law on execution of punishments and arrest, stipulating that the minimum living area shall be no less than 4 square meters.
As can be seen from your letter, [de opgeëiste persoon] permanent address is on the territory of the town of [geboorteplaats] and he is to serve the imposed sentence based on an initially determined general regime, owing to which upon his arrival on the territory of the Republic of Bulgaria, he will be sent to the prison in the city of Plovdiv and, in particular, one of its open-type dormitories. (…)
With reference to the aforementioned, we would like to inform you that as on 20.11.2025, 375 people in total have been accommodated in the prison in the city of Plovdiv, including the prisoner’s dormitories, while the total capacity is 564 people on the grounds of the principle of 4 square meters per person. (…)”
Het standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering op grond van artikel 11 OLW moet worden geweigerd, omdat de detentiegarantie op meerdere punten onvoldoende duidelijk is. Zo blijkt uit de formuleringen ‘
no less than 4 square meters’ en ‘
the principle of 4 square meters’ niet dat daadwerkelijk ten minste 4 m2 wordt gegarandeerd. Meer in het algemeen is de aanvullende informatie volgens de raadsman ongeloofwaardig.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de geboden garantie het reële gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling voor de opgeëiste persoon wegneemt. Artikel 11 OLW staat daarom niet aan overlevering in de weg.
Het oordeel van de rechtbank
Aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt, gaat de rechtbank uit van de geboden zekerheid in de aanvullende informatie van 20 november 2025. [8] De rechtbank is, gelet op de toezegging van de Bulgaarse autoriteiten, van oordeel dat voor de opgeëiste persoon na overlevering geen reëel gevaar bestaat van een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 Handvest. Het algemene gevaar dat de
rechtbank ten aanzien van de detentieomstandigheden in Bulgaarse penitentiaire inrichtingen heeft aangenomen, wordt door deze garantie immers uitgesloten ten aanzien van de opgeëiste persoon in deze detentie-instelling. Anders dan de raadsman heeft aangevoerd, is de rechtbank van oordeel dat uit de aanvullende informatie blijkt dat voor de opgeëiste persoon 4 m2 aan persoonlijke leefruimte wordt gegarandeerd. De suggestie van de raadsman dat de met de aanvullende informatie verstrekte detentiegarantie ongeloofwaardig zou zijn, is op geen enkele wijze onderbouwd. Ook ambtshalve is de rechtbank geen informatie bekend op basis waarvan zou moeten worden getwijfeld aan de afgegeven garantie. De rechtbank verwerpt daarom het verweer .
6.2.
Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU
Het standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering op grond van artikel 11 OLW moet worden geweigerd, nu de opgeëiste persoon vreest geen eerlijke behandeling te krijgen gelet op de rol die de vader van de opgeëiste persoon in het verleden heeft gehad als burgemeester. Ter onderbouwing hiervan heeft de raadsman een aantal krantenartikelen uit Bulgarije overgelegd. Subsidiair moeten hierover aanvullende vragen worden gesteld.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 11 OLW niet aan overlevering in de weg staat. De krantenartikelen dateren uit 1997 en betreffen geen objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens die duiden op een algemeen reëel gevaar dat personen in Bulgarije politiek worden vervolgd, dan wel anders worden behandeld vanwege politieke overtuigingen. Onduidelijk hoe de overgelegde stukken relevant zijn voor de actuele veiligheidssituatie van de opgeëiste persoon.
Het oordeel van de rechtbank
Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de raadsman niet op basis van objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens heeft onderbouwd dat sprake is van een algemeen reëel gevaar dat personen in Bulgarije wegens politieke betrekkingen of overtuigingen geen eerlijke behandeling krijgen. Reeds hierom slaagt het verweer niet. Nu geen sprake is van een
algemeengevaar, komt de rechtbank niet toe aan de vraag of sprake is van een
concreetgevaar voor de opgeëiste persoon. De individuele situatie van de opgeëiste persoon kan namelijk alleen worden onderzocht wanneer een algemeen gevaar is vastgesteld. De rechtbank verwerpt ook dit verweer.

7.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan
het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

8.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 8 en 176 Wegenverkeerswet 1994 en 2, 5 en 7 OLW.

9.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[de opgeëiste persoon]aan
the District Prosecutor’s Office – Plovdiv,Bulgarije, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,
mrs. E.M. de Bie en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.A. Harland, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 24 december 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, (
5.Zie HvJ EU 5 april 2016, ECLI:EU:C:2016:198, punten 88-90 en o.a. Rechtbank Amsterdam 28 november 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:1269.
6.Rechtbank Amsterdam, 11 februari 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:1097.
7.Rechtbank Amsterdam, 27 oktober 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:6217.
8.Hof van Justitie van de Europese Unie, 25 juli 2018, ML (C-220/18 PPU, ECLI:EU:C:2018:589), punt 114.