Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2024:6872

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
12 november 2024
Publicatiedatum
11 november 2024
Zaaknummer
AWB - 24 _ 1682
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17a, eerste lid, aanhef en onder a, van de AOWArtikel 1, vierde en vijfde lid, van de AOW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling gezamenlijke huishouding voor AOW-pensioen herziening

Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de herziening van haar AOW-pensioen door de Sociale verzekeringsbank, waarbij haar uitkering werd aangepast van alleenstaande naar gehuwdennorm. De herziening volgde op een onderzoek met huisbezoek en gesprekken, waarbij werd vastgesteld dat eiseres en [naam] een gezamenlijke huishouding voeren.

De rechtbank beoordeelde het huisvestingscriterium en het zorgcriterium, de twee objectieve criteria voor gezamenlijke huishouding volgens vaste rechtspraak. Uit verklaringen van [naam], die ondertekend zijn, blijkt dat hij zijn hoofdverblijf voert op het adres van eiseres sinds mei 2022. De rechtbank achtte deze verklaringen betrouwbaar en vond geen aanleiding voor aanvullend onderzoek.

Daarnaast is vastgesteld dat er sprake is van wederzijdse zorg, onder meer door gezamenlijke boodschappen, gezamenlijke maaltijden, vakanties en huishoudelijke taken. Ondanks dat sommige lasten gescheiden worden betaald, leidt dit niet tot het ontbreken van een gezamenlijke huishouding.

De rechtbank concludeert dat verweerder terecht het AOW-pensioen heeft herzien naar de gehuwdennorm en verklaart het beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de herziening van haar AOW-pensioen naar de gehuwdennorm wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/1682

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 november 2024 in de zaak tussen

[eiseres] , te Moormerland (Duitsland), eiseres

(gemachtigde: mr. V.C.D. Klaassen),
en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Procesverloop

Met een besluit van 17 oktober 2023 (het primaire besluit) heeft verweerder het pensioen van eiseres op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) met ingang van [datum] herzien [1] naar de norm voor gehuwden.
Met een besluit van 7 februari 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 oktober 2024. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Wat aan deze procedure voorafging
1. Eiseres heeft op [datum] de pensioengerechtigde leeftijd bereikt. Zij heeft in een aanvraagformulier AOW van 3 maart 2022 en een op 24 september 2022 ondertekend formulier ‘Onderzoek woonsituatie’ aangegeven dat er geen andere personen wonen op haar adres, [adres] te Moormerland in Duitsland (het uitkeringsadres). Met een besluit van
9 juni 2022 is aan eiseres met ingang van [datum] een AOW-pensioen naar de norm voor een alleenstaande toegekend.
2. Verweerder heeft onderzoek gedaan naar de rechtmatigheid van de AOW-uitkering van eiseres. Dat heeft onder meer bestaan uit een huisbezoek op het uitkeringsadres op
20 augustus 2023 en telefoongesprekken met de heer [naam] (hierna: [naam] ) en eiseres. De resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in een handhavingsrapportage van 31 augustus 2023 en zijn voor verweerder aanleiding geweest om met het primaire besluit het AOW-pensioen van eiseres met ingang van oktober 2023 te herzien naar de norm voor gehuwden. Met het bestreden besluit is verweerder daarbij gebleven. Vóór het primaire besluit werd genomen heeft verweerder met een besluit van 18 september 2023 het
AOW-pensioen van eiseres per september 2023 geschorst. Daartegen heeft eiseres geen bezwaar gemaakt.
Standpunt eiseres
3. Eiseres stelt zich op het standpunt dat zij geen gezamenlijke huishouding voert met [naam] . Hij heeft verklaard dat hij sinds mei 2020 op het uitkeringsadres staat ingeschreven, maar verweerder legt deze inschrijving onjuist uit. [naam] heeft niet zijn hoofdverblijf in Duitsland, maar moest zich in mei 2020 bij de autoriteiten in [plaats] melden vanwege de covid-regels. [naam] heeft niet de huissleutels en zijn administratie ligt niet bij eiseres. Eiseres en [naam] hebben ieder hun eigen woning waarvan zij de lasten betalen. [naam] staat ingeschreven op het adres waar hij in Nederland hoofdverblijf heeft en daar staat het merendeel van zijn bezittingen. Verder baseert verweerder zich alleen en ook buiten eiseres om op de niet ondertekende verklaring van [naam] . Dat is onvoldoende, aldus eiseres. Ook is geen sprake van wederzijdse zorg. Het is normaal dat [naam] betaalt voor eten en drinken, als hij bij eiseres is. Hij werkt in de tuin omdat hij dat leuk vindt, niet omdat dit van hem verwacht wordt. Als hij weg is doet eiseres dit, net als het groot onderhoud. Er is weleens sprake van een incidenteel klusje, zoals het ophangen een schilderijtje, maar dit is een incidentele activiteit, wat onvoldoende is om van wederzijdse zorg te spreken.
Het oordeel van de rechtbank
De gezamenlijke huishouding
4. De rechtbank zal aan de hand van de twee criteria voortvloeiend uit de AOW [2] beoordelen of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van een gezamenlijke huishouding. Het eerste criterium is of twee personen in dezelfde woning hun hoofdverblijf hebben (huisvestingscriterium). Het tweede criterium is of sprake is van wederzijdse verzorging door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding of anderszins (zorgcriterium).
5. Of in een bepaald geval sprake is van een gezamenlijke huishouding dient volgens vaste rechtspraak [3] van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) te worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria. Daarbij zijn de omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie niet van belang.
Huisvestingscriterium
6.1.
[naam] heeft tijdens het huisbezoek verklaard dat corona het omslagpunt is geweest dat hij volledig op het uitkeringsadres woont, dat hij sinds 30 mei 2022 staat ingeschreven op het uitkeringsadres en dat hij veel heeft gereisd, maar dat hij blij is dat hij hier nu woont. Verder heeft hij verklaard dat hij sinds corona maar één week per jaar verblijft op het adres waar hij in Utrecht staat ingeschreven en dat hij daar staat ingeschreven voor zijn post. Ook heeft [naam] verklaard dat hij de rest van de tijd verblijft in Duitsland op het adres van eiseres en dat hij eraan zit te denken zich uit Nederland te laten uitschrijven.
6.2.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder op grond hiervan terecht heeft geconcludeerd dat sprake is van hoofdverblijf van [naam] op het uitkeringsadres. Volgens vaste rechtspraak [4] van de Raad geldt dat van de juistheid van een tegenover een sociaal rechercheur of handhavingsspecialist afgelegde en ondertekende verklaring in het algemeen mag worden uitgegaan. Anders dan eiseres aanvoert heeft [naam] zijn verklaringen wel degelijk ondertekend. De rechtbank verwijst naar de checklist die ten behoeve van het gesprek met hem is gebruikt, waarop vragen staan die hem tijdens het gesprek zijn gesteld. Met de ondertekening van de ‘Checklist gezamenlijke huishouding’ heeft [naam] verklaard dat hij de vragen naar waarheid heeft beantwoord, dat het ingevulde formulier met hem is doorgenomen voordat hij dit heeft ondertekend en dat hij de mogelijkheid heeft gekregen correcties in de tekst aan te brengen. Van die mogelijkheid heeft hij geen gebruik gemaakt. Op de zitting is aangevoerd dat [naam] alleen heeft getekend voor de aanwezigheid van twee handhavingsmedewerkers bij het huisbezoek, maar niet voor wat hij toen heeft gezegd. De rechtbank stelt vast dat [naam] ook een ‘Verklaring omtrent huisbezoek’ heeft ondertekend. Daarin staat alleen dat [naam] begrijpt dat de medewerkers die het huisbezoek hebben verricht hem vragen zullen stellen om na te gaan of sprake is van een gezamenlijke huishouding en dat zij vragen zullen stellen over zijn verblijfplaats. Voor zover de gemachtigde van eiseres naar dit formulier heeft verwezen, merkt de rechtbank op dat dit formulier niet afdoet aan wat hiervoor is geoordeeld over de door [naam] ondertekende checklist.
6.3.
Dat geen sprake zou zijn van hoofdverblijf of slechts een niet bestendige situatie van hoofdverblijf vanwege de reisbeperkingen die in de corona-periode hebben gegolden, volgt de rechtbank niet. [naam] ’s verklaringen bieden daarvoor geen aanknopingspunt. Dat verweerder zich baseert op slechts de verklaringen van [naam] , buiten eiseres om, betekent niet dat verweerder zich niet mocht baseren op zijn verklaringen over waar hij verblijf houdt of dat verweerder aanvullend onderzoek had moeten doen. Het betreft immers - meerdere en ook zeer concrete - verklaringen uit eigen wetenschap. De rechtbank wijst er verder op dat [naam] tijdens het latere gesprek met hem en eiseres op 30 augustus 2023 niet is teruggekomen op zijn eerdere verklaringen. Hij heeft toen juist advies gevraagd aan de medewerkers van verweerder wat hij en eiseres het beste kunnen doen, met bijvoorbeeld het afsluiten van een samenlevingscontract. Daarom heeft verweerder geen aanvullend onderzoek hoeven doen of doorslaggevende betekenis hoeven toekennen aan de enkele verklaring van eiseres dat [naam] , ondanks het voorgaande, geen hoofdverblijf zou houden op het uitkeringsadres sinds corona. Die verklaring komt de rechtbank niet geloofwaardig voor.
Wederzijdse zorg
7.1.
De rechtbank neemt als uitgangspunt dat volgens vaste rechtspraak van de Raad [5] geldt dat wederzijdse zorg kan blijken uit een financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan alleen het delen van de met wonen samenhangende lasten. Als er weinig of geen financiële verstrengeling is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in zorg voor elkaar voorzien. Daarbij moeten alle gebleken, niet van subjectieve aard zijnde feiten en omstandigheden worden betrokken.
7.2.
Eiseres stelt dat het normaal is dat [naam] betaalt voor wat hij eet en drinkt. Uit zijn verklaringen blijkt echter dat hij de gezamenlijke boodschappen betaalt voor eiseres en hemzelf en dat hij hieraan per week ongeveer € 100,- kwijt is. Zoals overwogen onder
6 houdt [naam] hoofdverblijf op het uitkeringsadres. Dat betekent dat (in ieder geval) sinds [datum] sprake is van een structurele uitgave ten behoeve van hen allebei die duidt op wederzijdse zorg. [naam] heeft verder verklaard dat hij en eiseres samen op vakantie zijn geweest, dat zij elke dag samen dineren, dat eiseres meestal kookt voor hen allebei en [naam] af en toe. Volgens [naam] doet eiseres doorgaans de was voor hen allebei en doet hij meestal de klusjes in en rond het huis. Ook bezoeken zij gezamenlijk de kleinkinderen van [naam] . Daarmee zijn feiten en omstandigheden geschetst waaruit volgt dat eiseres en [naam] voor elkaar zorgen. De verklaringen van eiseres bevestigen dit beeld.
7.3.
Daarom heeft verweerder ook terecht gesteld dat sprake is van wederzijdse zorg. Er is dus voldaan aan de criteria van een gezamenlijke huishouding. Dat eiseres en [naam] ook dingen gescheiden houden (bijvoorbeeld hun woonlasten) en dingen gescheiden doen (zoals ontbijten) doet niet af aan de conclusie dat is voldaan aan de criteria van een gezamenlijke huishouding. Verweerder heeft daarom terecht het AOW-pensioen van eiseres met ingang van [datum] herzien naar de norm voor gehuwden.
Conclusie
8. Het beroep is ongegrond.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Greebe, rechter, in aanwezigheid van
mr.E.M. de Buur, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
12 november 2024.
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. U kunt ook hoger beroep instellen door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 17a, eerste lid, aanhef en onder a, van de AOW.
2.Artikel 1, vierde en vijfde lid, van de AOW.
3.Zie in dit kader de uitspraak van de Raad van 7 november 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:2284.
4.Zie in dit kader de uitspraak van de Raad van 9 mei 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:862.
5.Zie voetnoot 3.