Uitspraak
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
Samenvatting
Inleiding
Het oordeel van de Raad
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 23 oktober 2021 ongegrond.
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene ontving sinds 2007 een AOW-uitkering als alleenstaande. De Sociale verzekeringsbank (Svb) herzag in 2021 haar uitkering naar de gehuwdennorm vanaf december 2017, omdat zij aannam dat betrokkene en X een gezamenlijke huishouding voerden. Betrokkene voerde aan dat X pas vanaf januari 2020 bij haar woonde en dat zij op basis van uitlatingen van een Svb-medewerker en brieven mocht aannemen dat dit geen gevolgen had voor haar uitkering.
De rechtbank oordeelde in eerste aanleg dat de herziening met terugwerkende kracht in strijd was met het rechtszekerheidsbeginsel en vernietigde het besluit. De Svb ging in hoger beroep. De Raad oordeelde dat betrokkene onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij gerechtvaardigd vertrouwen had op uitlatingen van de Svb-medewerker en dat de brieven geen toezeggingen inhielden die het vertrouwen konden rechtvaardigen.
Verder stelde de Raad vast dat X vanaf november 2017 zijn hoofdverblijf bij betrokkene had en dat sprake was van wederzijdse zorg, waardoor een gezamenlijke huishouding bestond. Het beroep van betrokkene werd ongegrond verklaard, de herziening bleef in stand en de eerdere uitspraak van de rechtbank werd vernietigd.
Uitkomst: De herziening van de AOW-uitkering naar de gehuwdennorm vanaf november 2017 blijft in stand.