Verzoeker heeft bij de rechtbank Amsterdam een verzoek ingediend tot schadevergoeding en vergoeding van kosten van rechtsbijstand op grond van artikel 67 vanPro de Overleveringswet in samenhang met artikelen 530 en 533 van het Wetboek van Strafvordering. Het verzoek betrof vergoeding voor de periode van overleveringsdetentie in Nederland.
De rechtbank heeft vastgesteld dat het verzoek niet binnen de vereiste termijn van drie maanden na het einde van de overleveringsprocedure in Nederland is ingediend. De termijn begint te lopen vanaf 22 februari 2022, de datum waarop de overlevering door de rechtbank werd toegestaan. Verzoeker diende zijn verzoek pas op 14 januari 2024 in, ruim na het verstrijken van de termijn.
Verzoeker stelde dat de termijnoverschrijding verschoonbaar was vanwege de lopende Duitse strafzaak en de noodzaak om te herstellen van de detentie aldaar. De rechtbank oordeelde echter dat de termijn strikt ziet op het einde van de overleveringsprocedure in Nederland en niet afhankelijk is van de uitkomst van de buitenlandse strafzaak.
Daarnaast overwoog de rechtbank dat er geen sprake was van onrechtmatige detentie in Nederland, aangezien de overlevering op een geldig Europees aanhoudingsbevel was gebaseerd en door de rechtbank was toegestaan. Daarom bestaat geen grond voor schadevergoeding op grond van artikel 67 OLWPro.
De rechtbank verklaarde het verzoek niet-ontvankelijk en wees het af. Tegen deze beschikking staat hoger beroep open.
Uitkomst: Verzoek tot schadevergoeding wegens overleveringsdetentie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de wettelijke termijn.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
Parketnummers / RK-nummers: 001283-24 & 001287-24
BESCHIKKING
Op de verzoeken tot schadevergoeding en de daarmee samenhangende vergoeding van kosten van rechtsbijstand op grond van artikel 67 vanPro de Overleveringswet (hierna: OLW) in samenhang met artikelen 533 en 530 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) van
[verzoeker]
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1997
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres], [woonplaats],
hierna te noemen: verzoeker.
1.Procesgang
Bij schriftelijke verzoeken, bij de rechtbank ingediend op 14 januari 2024, heeft verzoeker vergoeding verzocht van gestelde schade geleden ten gevolge van vrijheidsbeneming (overleveringsdetentie) en van de kosten van rechtsbijstand in het kader van het opstellen, indienen en op zitting toelichten van het verzoek.
De rechtbank heeft op 5 maart 2023 de raadsman van verzoeker, mr. G. Palanciyan, advocaat in Amsterdam, en de officier van justitie, mr. W.H.R. Hogewind, in openbare raadkamer gehoord.
2.Voorgeschiedenis
De rechtbank gaat uit van de volgende feiten:
- Op 7 januari 2020 heeft het Amtsgericht Münster (Duitsland) een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd, strekkende tot de overlevering van verzoeker aan Duitsland op 7 januari 2020.
- Op vordering van de officier van justitie van 29 september 2020 is het overleverings-verzoek behandeld op de zitting van 8 februari 2022.
- Bij uitspraak van de rechtbank van 22 februari 2022 is de overlevering toegestaan
- Op 22 november 2023 is verzoeker in Duitsland vrijgesproken van de feiten waarvoor hij is overgeleverd. Voor de periode die verzoeker in Duitsland gedetineerd is geweest (van 4 mei 2023 tot en met 22 november 2023), is hem in Duitsland een schadevergoeding toegekend.
3.Verzoeken
De verzoeken strekken tot het toekennen van een vergoeding door de Nederlandse Staat van:
€ 1.020,- voor de vergoeding van de ondergane vrijheidsbeneming van verzoeker in Nederland in de overleveringsprocedure, nader gespecificeerd:
4 dagen politiebureau: 4 x € 130,- = € 520,-
5 dagen Huis van Bewaring 5 x € 100,- = € 500,-;
- € 680,- € 680,- voor de vergoeding van de kosten die in verband met het opstellen, indienen en behandelen van de verzoeken om schadevergoeding zijn gemaakt.
De raadsman heeft ter zitting de verzoeken nader toegelicht. Hij heeft, zakelijk weergegeven, aangevoerd dat verzoeker schadevergoeding op grond van artikel 67 vanPro de OLW toekomt, omdat het onrechtvaardig zou zijn als de tijd die verzoeker in Nederland ten onrechte in detentie heeft gezeten, niet wordt vergoed. Duitsland heeft wel de dagen in Duitse detentie, maar niet de dagen in Nederlandse overleveringsdetentie vergoed.
De raadsman heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat de verzoeken weliswaar niet tijdig zijn ingediend, maar dat deze termijnoverschrijding verschoonbaar is omdat er eerst duidelijkheid moest zijn over de uitkomst van de Duitse strafzaak. Bovendien heeft verzoeker ook tijd nodig gehad om bij te komen van zijn tijd in Duitse detentie.
4.Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een situatie waarin verzoeker ten onrechte gedetineerd is geweest in de overleveringsprocedure. Er was een geldig EAB en dat heeft vervolgens tot overlevering geleid na een beslissing van de rechtbank. Voor schadevergoeding op grond van artikel 67 OLWPro bestaat dan ook geen grond.
5.Oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat het verzoek te laat is ingediend en dat verzoeker daarom daarin niet-ontvankelijk is. De zinsnede “binnen drie maanden na de beëindiging van de zaak” in artikel 533, derde lid, Sv en de zinsnede “binnen drie maanden na het eindigen van de zaak” in artikel 529, tweede lid, Sv moeten in de context van artikel 67 OLWPro zo worden verstaan, dat zij zien op de beëindiging van de overleveringsprocedure in Nederland, niet op de strafzaak in de uitvaardigende lidstaat. [1] Dit betekent dat de verzoeken tot schadevergoeding en vergoeding van de kosten in verband met het opstellen, indienen en behandelen van de verzoeken, binnen drie maanden na 22 februari 2022 ingediend hadden moeten zijn. Deze termijn is dus niet afhankelijk van het verloop of de uitkomst van de Duitse strafrechtelijke procedure.
Ten overvloede overweegt de rechtbank dat de overlevering van verzoeker destijds is toegestaan, zodat ook daarom geen sprake kan zijn van schadevergoeding op grond van artikel 67 OLWPro. Er is immers geen sprake van weigering van de overlevering of van een andere situatie die daarmee in de recente rechtspraak is gelijkgesteld. [2]
6.Beslissing
De rechtbank verklaart de verzoeker in zijn verzoeken tot schadevergoeding en vergoeding van kosten van rechtsbijstand NIET-ONTVANKELIJK.
Deze beslissing is gegeven op 5 maart 2024 en in het openbaar uitgesproken door
mr. Ch.A. van Dijk, voorzitter,
mrs. A.S. Dogan en E. Biçer, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. A.T.P. van Munster, griffier.
Tegen deze beslissing staat voor verzoeker hoger beroep open, in te stellen ter griffie van deze rechtbank, binnen een maand na betekening van deze beschikking.