Verzoeker heeft bij de rechtbank Amsterdam een verzoek tot schadevergoeding ingediend wegens vrijheidsbeneming in het kader van een overleveringsprocedure op grond van een Europees aanhoudingsbevel uit Duitsland. De overleveringsdetentie vond plaats vanaf juli 2020, waarna de overlevering in april 2022 werd toegestaan. Verzoeker werd in februari 2023 in Duitsland vrijgesproken.
De raadsman van verzoeker stelde dat ondanks de toestemming tot overlevering, de detentie achteraf onterecht was en dat billijkheidshalve vergoeding van de geleden schade en kosten van rechtsbijstand toewijsbaar is. De officier van justitie betoogde dat het verzoek te laat was ingediend, namelijk na de wettelijke termijn van drie maanden na beëindiging van de overleveringsprocedure in Nederland, en dat er geen gronden van billijkheid waren voor vergoeding.
De rechtbank oordeelde dat de termijn van drie maanden ziet op de beëindiging van de overleveringsprocedure in Nederland en niet op de strafzaak in de uitvaardigende lidstaat. Aangezien de overleveringsprocedure op 6 april 2022 eindigde, had het verzoek uiterlijk drie maanden daarna ingediend moeten worden. Het verzoek, ingediend op 7 april 2023, is derhalve te laat en niet-ontvankelijk verklaard.
De beslissing werd op 31 augustus 2023 in het openbaar uitgesproken door de rechtbank Amsterdam. Verzoeker heeft de mogelijkheid om binnen een maand na betekening hoger beroep in te stellen.