Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 februari 2023 in de zaak tussen
[eiser] , uit Amsterdam, eiser
de raad van bestuur van de sociale verzekeringsbank (verweerder)
Inleiding
21 januari 2022 waarin staat dat eiser vanaf 1 november 2021 recht heeft op een
AOW [1] -pensioen voor een gehuwde en de teveel uitbetaalde uitkering (€ 757,58) moet terugbetalen.
Beoordeling door de rechtbank
1 november 2021 en terecht een bedrag van € 757,58 van eiser heeft teruggevorderd. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
29 april 2022 heeft verweerder eiser een voorlopige AIO-aanvulling toegekend vanaf
24 januari 2022. Eiser is tegen dit besluit niet in bezwaar gegaan.
9 februari 2022 aangevraagd. Die aanvulling is niet eerder dan per 24 januari 2022 toegekend. Eiser is het daarmee niet eens, maar zijn bezwaar daartegen kan niet worden beoordeeld in het kader van dit beroep. Dit beroep betreft niet een besluit over de AIO-aanvulling. Voor eiser stond bezwaar open tegen de ingangsdatum van de aanvulling, maar eiser heeft geen bezwaar gemaakt. Verweerder heeft zich dus op goede gronden op het standpunt gesteld dat geen sprake is van dringende redenen om van terugvordering af te zien. Naar het oordeel van de rechtbank zijn er ook geen redenen om aan te nemen dat de terugvordering onevenredig is.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
3 februari 2023.