Cotoland vordert erkenning van een Servisch vonnis dat twee leningsovereenkomsten met RIEEF nietig verklaart en betaling van ontvangen rente. De rechtbank beoordeelt eerst de internationale bevoegdheid en het toepasselijke recht, waarbij zij vaststelt dat de Nederlandse rechter bevoegd is en Servisch recht van toepassing is op materiële geschilpunten.
De erkenning van het Servische vonnis wordt afgewezen omdat RIEEF niet tijdig is geïnformeerd, wat een schending van het beginsel van hoor en wederhoor inhoudt, waardoor het vonnis niet voldoet aan de eisen van behoorlijke rechtspleging volgens de Gazprombank-criteria.
Vervolgens beoordeelt de rechtbank inhoudelijk de nietigheid van de leningsovereenkomsten. Cotoland heeft onvoldoende feitelijke en juridische onderbouwing gegeven voor haar stellingen dat de overeenkomsten niet door RIEEF zijn ondertekend en dat een renteclausule ongedefinieerd zou zijn. Hierdoor faalt de nietigheidsgrond en worden de vorderingen afgewezen.
Cotoland wordt veroordeeld in de proceskosten, terwijl Raiffeisen, die zich voegde aan de zijde van RIEEF, niet in de kosten wordt veroordeeld. De procedure bevestigt het belang van correcte betekening en voldoende onderbouwing bij erkenning van buitenlandse vonnissen en nietigheidsvorderingen.