Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2022:6115

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
23 september 2022
Publicatiedatum
26 oktober 2022
Zaaknummer
13/659125-17 (ontneming)
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 2 OpiumwetArt. 10 OpiumwetArt. 6 EVRMArt. 511b Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel op grond van kasopstelling bij cocaïnehandel

De rechtbank Amsterdam heeft op 23 september 2022 uitspraak gedaan in een ontnemingszaak tegen betrokkene, die eerder veroordeeld is voor overtreding van de Opiumwet met betrekking tot cocaïnehandel. De ontnemingsvordering van het Openbaar Ministerie bedroeg maximaal €50.344,49, gebaseerd op een kasopstelling die het verschil tussen legale inkomsten en daadwerkelijke uitgaven vaststelde.

De verdediging stelde dat betrokkene slechts als katvanger fungeerde en geen wederrechtelijk voordeel had genoten, met name omdat contante betalingen en aankopen niet van hem waren. De rechtbank oordeelde dat de kasopstelling een toelaatbare methode is en dat betrokkene onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de uitgaven uit legale bronnen afkomstig waren.

De rechtbank stelde vast dat het wederrechtelijk verkregen voordeel €50.344,49 bedroeg, maar matigde dit bedrag met €5.000 vanwege een overschrijding van de redelijke termijn van anderhalf jaar. De betalingsverplichting aan de Staat werd daarmee vastgesteld op €45.344,49. Tevens werd de maximale duur van gijzeling vastgesteld op 906 dagen.

Uitkomst: Betrokkene moet €45.344,49 betalen aan de Staat wegens wederrechtelijk verkregen voordeel, na matiging wegens termijnoverschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS
Parketnummer: 13/659125-17 (ontnemingsvordering)
Datum uitspraak: 23 september 2022 (aanstonds uitspraak)
Vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam, op vordering van de officier van justitie als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak behorende bij de strafzaak met parketnummer 13/659125-17, tegen:
[betrokkene],
geboren op [geboortedag] 1973 in [geboorteplaats] ([geboorteland]),
ingeschreven in Basisregistratie Personen op het adres [adres].

1.Het onderzoek ter terechtzitting

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van de vordering van de officier van justitie en het onderzoek op de terechtzitting van 23 september 2022.
De rechtbank heeft onder meer kennisgenomen van:
  • het vonnis in de strafzaak van 1 mei 2019;
  • de vordering van het Openbaar Ministerie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van 14 april 2021;
  • het “Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel door middel van een kasopstelling (ex artikel 36e 2e lid (de rechtbank leest: 3e) Sr)” van 12 juni 2019 (inclusief bijlagen), opgemaakt door [naam brigadier], brigadier, Senior Tactische Opsporing, werkzaam bij de Eenheid Amsterdam, Dienst Regionale Recherche afdeling FINEC;
  • de Conclusie van Antwoord van 29 juli 2021;
  • de Conclusie van Repliek van 27 augustus 2021;
  • de e-mail van de raadsman van 24 september 2021.
De rechtbank heeft verder kennisgenomen van wat de officier van justitie mr. L. Bertels, en de raadsman van de betrokkene mr. V.A. van Biljouw naar voren heeft gebracht.

2.De vordering

De vordering van het Openbaar Ministerie van 14 april 2021 strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en het aan de betrokkene opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van dat geschatte voordeel tot een maximumbedrag van € 50.344,49.

3.De grondslag van de vordering

De betrokkene is bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 1 mei 2019 ter zake van de volgende strafbare feiten veroordeeld:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod; en
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.
Tegen dit vonnis is hoger beroep ingesteld.
De vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel is gebaseerd op artikel 36e, derde lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht.

4.Het wederrechtelijk verkregen voordeel

4.1.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft betoogd dat de betrokkene zich op het standpunt stelt dat hij geen wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten en de vordering zou moeten worden afgewezen dan wel drastisch gematigd zou moeten worden. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd.
Uit de verklaring van de betrokkene die hij heeft afgelegd op de terechtzitting van het hof Amsterdam van 7 september 2020 kan worden opgemaakt dat de betrokkene als katvanger heeft gefungeerd en dat hij stellig ontkent de cocaïne aanwezig te hebben gehad, laat staan dat hij deze cocaïne daadwerkelijk zou hebben aangekocht voor een exorbitant bedrag van € 3.535.000,-. Dat geldt ook voor het contant voldane aankoopbedrag van de Opel Vivaro van € 14.999,- en de huursom van € 4.100,-, aangezien de betrokkene namens een ander heeft betaald. De betrokkene verbleef niet in de woning en het voertuig was niet daadwerkelijk van hem. De contante stortingen op de bankrekening kunnen vervolgens ook bezwaarlijk als wederrechtelijk verkregen voordeel worden aangemerkt.
4.2.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft samengevat het volgende naar voren gebracht. Het wederrechtelijk verkregen voordeel is berekend op basis van een zogenaamde kasopstelling. Uit de kasopstelling blijkt dat de betrokkene € 50.344,49 meer heeft uitgegeven dan hij gezien zijn legale inkomsten zou kunnen doen. In haar conclusie van antwoord stelt de verdediging kort samengevat dat de betrokkene als katvanger gebruikt is. Het verweer van de betrokkene kan niet overtuigen, aangezien hij verzuimt een nadere verklaring te geven voor de – in het licht van de stellingname dat hij zich helemaal niet met de handel in cocaïne bezig heeft gehouden – dan dus onverklaarbare inkomsten, die uit de voornoemde kasopstelling naar voren komen.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
Artikel 36e, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht houdt onder meer in dat op vordering van het Openbaar Ministerie bij een afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld wegens een misdrijf dat naar de wettelijke omschrijving wordt bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie, de verplichting kan worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, indien aannemelijk is dat of dat misdrijf of andere strafbare feiten op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. In dat geval kan ook worden vermoed dat uitgaven die de veroordeelde heeft gedaan in een periode van zes jaren voorafgaand aan het plegen van dat misdrijf, wederrechtelijk verkregen voordeel belichamen, tenzij aannemelijk is dat deze uitgaven zijn gedaan uit een legale bron van inkomsten.
De rechtbank stelt het volgende voorop.
1. De rechter die over een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel moet oordelen, is gebonden aan het oordeel van de rechter in de hoofdzaak. De rechter die op deze vordering moet oordelen, komt nochtans een zelfstandig oordeel toe ten aanzien van alle verweren die betrekking hebben op de vaststelling van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden geschat. [1]
2. Ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel kan plaatsvinden op grond van artikel 36e, derde lid, Sr, als – kort samengevat – aannemelijk is dat het misdrijf waarvoor de betrokkene is veroordeeld of andere strafbare feiten er op enigerlei wijze toe hebben geleid dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Anders dan het tweede lid stelt het derde lid van artikel 36e Sr niet de eis dat die ‘andere strafbare feiten’ door de betrokkene zijn begaan; voldoende is dat aannemelijk wordt dat de betrokkene uit die strafbare feiten wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. [2]
3. De methode van kasopstelling is een toelaatbare grondslag voor de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Bij een kasopstelling wordt vastgesteld of de betrokkene in een bepaalde periode meer heeft uitgegeven dan kan worden verklaard met legale inkomsten. Daartoe wordt eerst het legale beginsaldo van de betrokkene vastgesteld, waarbij de legale ontvangsten worden opgeteld. Hiervan wordt vervolgens het eindsaldo over de in aanmerking te nemen periode afgetrokken. Het bedrag dat daaruit voortvloeit wordt geacht (legaal) beschikbaar te zijn geweest voor het doen van uitgaven. Wordt een hoger bedrag aan daadwerkelijk gedane uitgaven vastgesteld, dan kan het verschil als wederrechtelijk verkregen voordeel worden aangemerkt. Indien het verschil negatief is, is sprake van contante ontvangsten met een onbekende herkomst waarmee de contante uitgaven zijn gedaan. Een negatieve kas is immers niet mogelijk: men kan niet meer uitgeven dan men fysiek aan kasgeld beschikbaar heeft, tenzij sprake is van een andere, onbekende (illegale) inkomstenbron. Als voorwaarden gelden dat het (a) moet gaan om een beredeneerde kasopstelling die is gebaseerd op wettige bewijsmiddelen (bijvoorbeeld een rapport dat door een daartoe gekwalificeerd persoon is opgemaakt in het kader van een ingesteld strafrechtelijk financieel onderzoek), alsmede dat (b) de betrokkene de gelegenheid is geboden om – zo nodig door bescheiden gestaafd – tegenover de rechter aannemelijk te doen worden dat en waarom de door middel van die methode vastgestelde onverklaarde ontvangsten niet of niet geheel hun oorsprong vinden in feiten als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht dan wel anderszins niet kunnen gelden als voordeel in de zin van die bepaling. [3]
4. In ontnemingsprocedures geldt een ‘redelijke bewijslastverdeling’ en van de betrokkene mag worden gevergd dat hij concreet en gemotiveerd aanvoert dat en waarom de aannames en/of de berekeningsmethode van het Openbaar Ministerie onjuist zijn. Wanneer een veroordeelde de stellingen van het Openbaar Ministerie niet kan weerleggen omdat de administratie onvoldoende nauwkeurig is vastgelegd, is dat het risico van de betrokkene en kan dat het Openbaar Ministerie niet worden tegengeworpen. Uiteindelijk moet de rechtbank het wederrechtelijk verkregen voordeel schatten op basis van wettige bewijsmiddelen. Het gaat er daarbij om dat het voordeel aannemelijk is geworden. [4]
De betrokkene is in de hoofdzaak onder meer veroordeeld wegens het op 31 januari 2017 opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder B van de Opiumwet gegeven verbod (vervoeren van ongeveer een kilo cocaïne). Dit betreft een misdrijf waarvoor krachtens artikel 10, vierde lid van de Opiumwet een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd. Dit feit kan dus als grondslag dienen voor het ontnemen van wederrechtelijk verkregen voordeel “indien aannemelijk is dat of dat misdrijf of andere strafbare feiten op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen”. Dat dit feit op zichzelf geen voordeel heeft opgeleverd, doet hier niet aan af. Het voordeel kan ook uit andere strafbare feiten afkomstig zijn. Het is dan aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat aan die uitgaven een legale bron van herkomst ten grondslag ligt.
In het “Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel door middel van een kasopstelling” van 12 juni 2019 (inclusief bijlagen), opgemaakt door [naam brigadier], brigadier, Senior Tactische Opsporing, werkzaam bij de Eenheid Amsterdam, Dienst Regionale Recherche afdeling FINEC staat zakelijk weergegeven onder meer het volgende:
In het strafrechtelijk onderzoek naar de betrokkene is geen zicht verkregen op alle individuele transacties / strafrechtelijke activiteiten en de daarmee samenhangende opbrengsten. Bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel is er daarom voor gekozen om een eenvoudige kasopstelling te vervaardigen. De onderzoeksperiode betreft 1 januari 2016 tot en met 1 maart 2017. Uit de bankafschriften van de rekeningen van betrokkene bleek dat er in december 2015 contante geldbedragen zijn opgenomen vanaf deze bankrekeningen. Omdat ervan wordt uitgegaan dat iemand geld van zijn bankrekening opneemt als zijn portemonnee leeg is, is het beginsaldo (legale) contanten van de betrokkene daarom op € 0,- gesteld.
Beginsaldo contant geld € 0,00-
+/+ Legale contante ontvangsten inclusief bankopnamen € 8.055,50-
-/- Eindsaldo contant geld € 0,00-
Beschikbaar voor het doen van uitgaven € 8.055,50-
-/- Werkelijk contante uitgaven inclusief bankstortingen € 58.399,99-
Verschil (wederrechtelijk verkregen voordeel) € 50.344,49
Werkelijke contante uitgaven (€ 58.399,99)
Deze post is opgebouwd uit:
Contante stortingen bankrekeningen (€ 4.300)
Contante betaling aankoop Opel Vivaro [kenteken] (€ 14.999,99)
Contante betaling huur [straatnaam] (€ 4.100)
Contante betaling aankoop cocaïne (€ 35.000)
De rechtbank is op grond van het rapport, dat wat betreft de hoogte van de daarin genoemde bedragen door de betrokkene niet is weersproken, van oordeel dat aannemelijk is dat bepaalde strafbare feiten op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen en dat daarom ook kan worden vermoed dat uitgaven die de betrokkene in een periode voorafgaand aan het plegen van dat misdrijf heeft gedaan, wederrechtelijk verkregen voordeel belichamen. De rechtbank schat het wederrechtelijk op basis van het rapport op € 50.344,49.
5.
De redelijke termijn
De rechtbank stelt voorop dat in artikel 6, eerste lid, EVRM het recht van iedere veroordeelde is gewaarborgd dat binnen een redelijke termijn op de ontnemingsvordering wordt beslist. Die termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem een vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel aanhangig zal worden gemaakt.
Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de veroordeelde en/of zijn raadsman op het procesverloop, de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld, de termijn die met de behandeling van de strafzaak is gemoeid alsmede de termijn als bedoeld in artikel 511b, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering waarbinnen de ontnemingsvordering aanhangig is gemaakt.
Overschrijding van de redelijke termijn wordt in beginsel gecompenseerd door vermindering van het aan de Staat te betalen ontnemingsbedrag dat zou zijn vastgesteld indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden. [5]
De redelijke termijn is aangevangen op 17 april 2019, het moment waarop de officier van justitie, bij gelegenheid van zijn requisitoir in de hoofdzaak, zijn voornemen kenbaar heeft gemaakt een ontnemingsvordering aanhangig te zullen maken. Van bijzondere omstandigheden die zouden kunnen rechtvaardigen waarom de zaak niet binnen twee jaar kon worden afgerond, is niet gebleken,
De rechtbank is van oordeel dat de redelijke termijn in aanzienlijke mate, te weten met anderhalf jaar, is overschreden en dat deze overschrijding moet leiden tot matiging van de betalingsverplichting die aan de betrokkene wordt opgelegd. De rechtbank zal de betalingsverplichting matigen in die zin dat het bedrag dat de rechtbank als wederrechtelijk verkregen voordeel heeft geschat met € 5.000,- wordt verminderd.

6.De verplichting tot betaling

De rechtbank stelt het bedrag dat door de betrokkene dient te worden betaald aan de Staat vast op € 45.344,49

7.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

8.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Stelt vast als wederrechtelijk verkregen voordeel een bedrag van € 50.344,49.
Legt op aan de betrokkene, [betrokkene], de verplichting tot betaling van
€ 45.344,49 (vijfenveertigduizend driehonderdvierenveertig euro en negenenveertig cent)aan de Staat.
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste door de officier van justitie kan worden gevorderd op
906 (negenhonderdzes) dagen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. A.J. Scheijde, voorzitter,
mr. R.A. Sipkens en mr. C. van Eck, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M. Cordia, griffier
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 23 september 2022.
De jongste rechter is buiten staat
dit vonnis te ondertekenen.

Voetnoten

1.HR 1 juni 2021 ECLI:NL:HR:2021:789 met verwijzing naar HR 8 juni 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1501.
2.HR 14 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:414,
3.HR 17 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE3569.
4.Hoge Raad 15 juni 2022. ECLI:NL:HR:2002:AD8950,
5.Hoge Raad 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578.