De rechtbank Amsterdam behandelde een vordering tot overlevering van een persoon aan Polen op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Circuit Court in Poznań. De zaak betrof de beoordeling van de voorwaarden voor overlevering, waaronder de gelijkstelling met een Nederlander op grond van de Overleveringswet (OLW).
Tijdens de procedure werd vastgesteld dat de opgeëiste persoon Poolse nationaliteit heeft en dat het EAB voldeed aan de formele eisen. De rechtbank onderzocht of voldaan was aan de eerste voorwaarde voor gelijkstelling met een Nederlander, namelijk dat de opgeëiste persoon ten minste vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland verbleef. Dit kon niet worden aangetoond, ondanks dat de persoon sinds 14 november 2017 verblijfsrecht heeft en een eenmanszaak in Nederland exploiteert.
De rechtbank oordeelde dat de overige voorwaarden voor gelijkstelling niet hoefden te worden getoetst. Tevens werd beoordeeld of er een concreet gevaar bestond dat het recht op een eerlijk proces in Polen zou worden geschonden. Hoewel er structurele gebreken zijn in de Poolse rechtsorde, was niet gebleken dat deze een individuele schending voor de opgeëiste persoon zouden veroorzaken.
Gelet op het ontbreken van weigeringsgronden en het voldoen aan de wettelijke eisen, besloot de rechtbank de overlevering toe te staan en de afgifte van een in beslag genomen bestelauto aan de Poolse autoriteiten te bevelen. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.