ECLI:NL:RBAMS:2022:4033

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
12 juli 2022
Publicatiedatum
13 juli 2022
Zaaknummer
AWB 22/842
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 WW
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing WW-uitkering wegens ontbreken privaatrechtelijke dienstbetrekking

Eiser heeft een WW-uitkering aangevraagd na beëindiging van zijn samenwerking met werkgever, maar deze aanvraag is afgewezen omdat hij niet als werknemer wordt beschouwd volgens artikel 3 van Pro de WW. De rechtbank bevestigt dat tussen eiser en werkgever geen privaatrechtelijke dienstbetrekking bestond, maar een overeenkomst van opdracht, zoals eerder vastgesteld door de kantonrechter en bekrachtigd door het gerechtshof Den Haag.

Eiser betoogt dat er wel een arbeidsovereenkomst was, onder meer vanwege een gezagsverhouding, doorbetaling tijdens vakanties en het gebruik van een auto en laptop van de zaak. De rechtbank oordeelt echter dat verweerder een zorgvuldig onderzoek heeft gedaan en dat de eerdere rechterlijke uitspraken gezag van gewijsde hebben. Eiser heeft geen cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het gerechtshof.

Daarom is de conclusie dat eiser geen werknemer was en geen recht heeft op een WW-uitkering. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er worden geen proceskosten toegekend.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard omdat geen sprake is van een arbeidsovereenkomst en hij geen recht heeft op WW-uitkering.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 22/842

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 juli 2022 in de zaak tussen

[eiser] , te Amsterdam, eiser

(gemachtigde: mr. I. Rhodes),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder,
( [gemachtigde] ).

Procesverloop

Met een besluit van 31 mei 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) afgewezen.
Met een besluit van 31 januari 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is behandeld op een zitting van 30 mei 2022. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en mr. K. Wierda. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Wat aan deze procedure voorafging
1. Eiser heeft op 24 mei 2021 een WW-uitkering aangevraagd, nadat per
2 november 2020 de samenwerking tussen hem en [werkgever] ( [werkgever] ) was beëindigd. Op het aanvraagformulier heeft eiser vermeld dat hij van 1 juni 2014 tot en met
2 november 2020 bij [werkgever] heeft gewerkt.
2. Met het primaire besluit heeft verweerder bepaald dat eiser per 2 november 2021 geen WW-uitkering krijgt toegekend. Eiser wordt niet beschouwd als werknemer en was daarom niet verzekerd voor de WW.
3. Met het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Verweerder heeft aan dit besluit een onderzoek naar de verzekeringsplicht bij [werkgever] van eiser van 21 januari 2022 ten grondslag gelegd.
4. Bij een beschikking van 23 maart 2021 [1] heeft de kantonrechter geoordeeld dat tussen eiser en [werkgever] geen sprake is geweest van een privaatrechtelijke dienstbetrekking, maar van een overeenkomst van opdracht. Deze beschikking is op [medio] november 2021 bekrachtigd door het gerechtshof Den Haag. [2]
Standpunt eiser
5. Eiser voert aan dat hij wel als verzekerde in de zin van de WW moet worden aangemerkt, omdat er wel een arbeidsovereenkomst was tussen hem en [werkgever] . Hij verwijst ter onderbouwing van zijn standpunt onder meer naar het beroepschrift dat hij heeft ingediend in de procedure bij het gerechtshof Den Haag. Volgens eiser bestond er een gezagsverhouding tussen hem en [werkgever] . Het gerechtshof heeft niet alle relevante omstandigheden betrokken bij haar oordeel en is uitgegaan van onjuiste aannames. Eiser stelt onder meer dat hij zich naar buiten moest presenteren als werknemer van [werkgever] , dat hij doorbetaald kreeg tijdens vakanties en dat hij een auto en een laptop van de zaak had. Verder vervulde hij een essentiële functie binnen de organisatie van de onderneming en was er op de werkvloer geen gelijkwaardige relatie tussen eiser en werkgever, anders dan het geval was binnen de privésfeer.
Beoordeling door de rechtbank
6. In geschil is de vraag of verweerder terecht heeft geoordeeld dat tussen eiser en [werkgever] geen sprake is geweest van een arbeidsovereenkomst en dat eiser daarom niet verzekerd was voor de WW.
7. Eiser kan alleen aanspraak maken op een WW-uitkering, indien hij werknemer was in de zin van artikel 3, eerste lid, van de WW. Daarvoor is vereist dat er een privaatrechtelijke dienstbetrekking bestond tussen eiser en [werkgever] .
8. Voor zover eiser stelt dat verweerder zijn zelfstandige beoordelingsplicht niet goed heeft uitgevoerd, volgt de rechtbank hem daarin niet. Verweerder heeft een eigen zelfstandig onderzoek gedaan naar de verzekeringsplicht van eiser bij [werkgever] . Verweerder heeft voor het onderzoek gegevens opgevraagd en is uitgegaan van de overgelegde stukken en verklaringen van betrokkenen. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat verweerder is uitgegaan van onjuiste feiten en omstandigheden en is van oordeel dat verweerder een zorgvuldig en toereikend onderzoek heeft verricht.
[medio] . Voor zover eiser het niet eens is met de beschikking van het gerechtshof Den Haag van [medio] november 2021 stond cassatieberoep daartegen open. Eiser heeft ter zitting verklaard geen cassatieberoep te hebben ingesteld. De rechtbank overweegt dat de beschikking van het gerechtshof Den Haag van [medio] november 2021 daarom gezag van gewijsde heeft. Dat betekent voor de onderhavige zaak dat voor eiser vaststaat dat geen sprake was van een arbeidsovereenkomst tussen hem en [werkgever] en dat hij dus geen werknemer was.
10. De rechtbank is, gelet op het vorenstaande, van oordeel dat verweerder de aanvraag om een WW-uitkering op goede gronden heeft afgewezen. Het beroep van eiser is ongegrond.

Conclusie

11. Het beroep is ongegrond.
12. Voor een vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.P. Lauwaars, rechter, in aanwezigheid van mr. I.G.A. Karregat, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 juli 2022.
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.
Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.