Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
1.De procedure
Ter zitting waren aanwezig:
Rechtbank Amsterdam
De zaak betreft een kort geding tussen de eigenaar van een woning en de zoon van de huurder, die na opname van zijn vader in een verzorgingstehuis in de woning is achtergebleven. De eigenaar en de bewindvoerder van de vader vorderen ontruiming van de zoon en betaling van huur, omdat de huurovereenkomst was opgezegd.
De zoon voert verweer dat hij met zijn vader een duurzame gemeenschappelijke huishouding voerde en dat hij daarom medehuurder kan worden op grond van artikel 7:267 lid 1 BW Pro. Hij heeft een verzoek tot medehuurderschap ingediend, maar dit is afgewezen door de verhuurder. De rechtbank oordeelt dat in kort geding niet kan worden vastgesteld of sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding, hetgeen nader onderzoek vergt.
De rechtbank overweegt dat de zoon de mogelijkheid moet krijgen om in een bodemprocedure het verzoek tot medehuurderschap te doen, ook al is de huurovereenkomst inmiddels opgezegd. De ontruimingsvordering wordt daarom afgewezen en de eigenaar wordt veroordeeld in de proceskosten. De tegenvordering van de zoon om de bewindvoerder te veroordelen het verzoek tot medehuurderschap te doen, wordt eveneens afgewezen.
De uitspraak benadrukt de bescherming van medebewoners bij beëindiging van een huurovereenkomst en dat een gezamenlijk verzoek tot medehuurderschap vereist is, maar dat de eisen van goede trouw kunnen meebrengen dat dit verzoek ook zonder medewerking van de huurder kan worden gehonoreerd.
Uitkomst: De ontruimingsvordering wordt afgewezen en de zoon krijgt de kans om in een bodemprocedure het medehuurderschap te verzoeken.