De rechtbank Amsterdam behandelde op 13 maart 2020 het verzoek tot overlevering van een opgeëiste persoon uit Polen op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de rechtbank in Kielce. De opgeëiste persoon werd verdacht van ontsnapping uit een detentiecentrum en diefstal, feiten waarvoor dubbele strafbaarheid moest worden getoetst.
De verdediging voerde aan dat ontsnappen uit een detentiecentrum in Nederland niet strafbaar is en dat de overlevering moest worden geweigerd wegens verjaring en het ontbreken van een duurzaam verblijfsrecht in Nederland. De rechtbank oordeelde dat vernieling en diefstal uit het EAB wel onder Nederlandse strafwetgeving vallen en dat de verjaring niet is ingetreden. Ook werd vastgesteld dat de opgeëiste persoon niet gelijkgesteld kon worden met een Nederlander omdat hij niet ononderbroken en rechtmatig vijf jaar in Nederland had verbleven.
Daarnaast werd het risico op schending van het recht op een eerlijk proces in Polen onderzocht. Hoewel de Poolse rechtsstaat zorgwekkend is, vond de rechtbank onvoldoende concrete aanwijzingen dat de opgeëiste persoon persoonlijk gevaar loopt op een oneerlijk proces. Gezien deze overwegingen en het ontbreken van andere weigeringsgronden, werd de overlevering toegestaan.
De uitspraak is definitief en er staat geen gewoon rechtsmiddel tegen open. De rechtbank baseerde zich op onder meer artikel 2, 5 en 7 van de Overleveringswet en artikelen 47, 311 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.