ECLI:NL:RBAMS:2019:3182
Rechtbank Amsterdam
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing wrakingsverzoek tegen rechters in voorlopige hechteniszaak wegens gebrek aan objectieve vooringenomenheid
Verzoeker, verdachte in twee strafzaken, verzocht wraking van de drie rechters van de meervoudige strafkamer vanwege vermeende vooringenomenheid. De grondslag was dat de strafkamer het verzoek tot het horen van de kroongetuige bij de rechter-commissaris had afgewezen en dat de motivering omtrent belastende PGP-berichten een definitief oordeel zou impliceren.
De wrakingskamer nam kennis van het proces-verbaal, schriftelijke stukken, en de mondelinge behandeling waarbij ook het Openbaar Ministerie aanwezig was. De strafkamer stelde dat de beslissing over het horen van de kroongetuige een tussenbeslissing is die geen grond voor wraking kan vormen en dat het oordeel over ernstige bezwaren niet definitief is.
De wrakingskamer overwoog dat wraking alleen mogelijk is bij objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid en dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen zich verzet tegen wraking als verkapt rechtsmiddel. De motivering van de strafkamer was niet zodanig dat deze anders kan worden uitgelegd dan als een voorlopig oordeel.
De aanvullende grond over de PGP-berichten werd eveneens verworpen, omdat de formulering duidelijk een voorlopig karakter heeft. Er zijn geen feiten of omstandigheden die een objectieve schijn van vooringenomenheid rechtvaardigen. Het wrakingsverzoek werd daarom afgewezen.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechters wordt afgewezen wegens het ontbreken van objectief gerechtvaardigde schijn van vooringenomenheid.