De rechtbank Amsterdam heeft verdachte veroordeeld voor het onttrekken van haar minderjarige zoon aan het opzicht van Jeugdbescherming in de periode van 5 december 2017 tot en met 10 maart 2018. Verdachte verbleef met haar zoon in een gezinshuis totdat de kinderrechter op 23 november 2017 ondertoezichtstelling oplegde en op 5 december 2017 een machtiging tot uithuisplaatsing gaf. Verdachte negeerde deze beslissing en nam haar zoon mee naar België, waar zij werd aangehouden.
De verdediging voerde aan dat de dagvaarding nietig was en dat verdachte geen opzet had omdat zij niet op de hoogte was van de uithuisplaatsingsbeslissing. De rechtbank oordeelde echter dat de dagvaarding geldig was en dat verdachte zich bewust was van de beslissing, zoals blijkt uit haar verklaringen. Voor de periode vóór 5 december 2017 werd verdachte vrijgesproken omdat zij toen nog bevoegd was over de verblijfplaats van haar zoon.
De rechtbank hield rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder haar jeugdtrauma's en psychische stoornissen, en met haar positieve gedragsverandering na het incident. Daarom legde zij een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden op met een proeftijd van drie jaar en bijzondere voorwaarden gericht op begeleiding en gedragsinterventie.