ECLI:NL:RBAMS:2018:5853
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beslistermijn en proceskostenvergoeding bij bezwaar parkeerbelasting na hoger beroep
Eiser maakte bezwaar tegen een naheffingsaanslag parkeerbelasting. De heffingsambtenaar verklaarde het bezwaar ongegrond, waarna eiser beroep instelde. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond wegens schending van de hoorplicht en beval een nieuwe beslissing. Eiser ging in hoger beroep tegen de toegepaste proceskostenfactor, maar het hof bevestigde de uitspraak van de rechtbank.
Na het hofarrest stelde eiser de heffingsambtenaar in gebreke wegens het niet tijdig doen van een nieuwe uitspraak op bezwaar en stelde beroep in tegen deze vertraging. De heffingsambtenaar stuurde daarop alsnog de uitspraak van november 2016 toe, waarna eiser het beroep introk en proceskostenvergoeding vorderde.
De rechtbank oordeelde dat de beslistermijn na het hofarrest zes weken bedroeg, welke termijn was verstreken toen de uitspraak werd toegezonden. De ingebrekestelling was dus niet prematuur. Toch wees de rechtbank de proceskostenvergoeding af omdat eiser het beroep hoofdzakelijk had ingesteld om proceskosten te verkrijgen, terwijl hij al bekend was met de inhoud van de uitspraak. De rechtbank beval wel vergoeding van het griffierecht aan eiser.
Uitkomst: Verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen, maar griffierecht wordt aan eiser vergoed.