Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
1.Het onderzoek ter terechtzitting
2.Tenlastelegging
3.Voorvragen
4.Vrijspraak
5.Waardering van het bewijs
- de waarnemingen van de politie, zoals opgenomen in het proces-verbaal van bevindingen, onvoldoende grond bieden om op het moment van de verkeerscontrole te kunnen spreken van een redelijk vermoeden van schuld in de zin van artikel 27 Wetboek Pro van Strafvordering (Sv);
- de politie verzuimd heeft om de verdachte de cautie te geven voorafgaand aan de verkeerscontrole en dit pas gedaan heeft op het moment van het zien van de verdovende middelen;
- de verdachte de Engelse taal onvoldoende beheerst om te begrijpen wat hem gevraagd werd en dat zijn geverbaliseerde instemming niet werd gebaseerd op een duidelijk begrip van wat hem werd gevraagd;
- de verdachte geen uitdrukkelijke toestemming heeft gegeven voor het openen van de kofferbak en kijken in de koffers;
- de verkeerscontrole op grond van artikel 160 Wegenverkeerswet Pro (WVW) uitsluitend is ingezet ten behoeve van de opsporing en dat daarmee sprake is van détournement de pouvoir.
- Verdachte was op de dag van het transport gedurende een lange periode in het pand aan de [straat] aanwezig;
- Op die dag hebben diverse personen het pand aan de [straat] betreden en weer verlaten;
- Gedurende de hele ochtend en middag werden
- Verdachte werd door zijn medeverdachte naar de verhuurmaatschappij in Den Haag gebracht om daar voor twee dagen een auto te huren. Met deze auto zou verdachte, zo maakt de rechtbank uit zijn verklaring op, in opdracht van anderen twee koffers naar België brengen;
- De medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] bevonden zich ten tijde van de reis van verdachte naar België ook per auto op weg naar België.
6.Bewezenverklaring
7.De strafbaarheid van de feiten
8.De strafbaarheid van verdachte
9.Motivering van de straf
10.Toepasselijke wettelijke voorschriften
11.Beslissing
[verdachte], daarvoor strafbaar.
gevangenisstrafvoor de duur van
48 (achtenveertig) maanden.