ECLI:NL:RBAMS:2011:BR7043
Rechtbank Amsterdam
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Wajong-uitkering wegens verblijf in het buitenland niet onrechtmatig
Verzoekster ontving een Wajong-uitkering die door het UWV per 1 maart 2011 werd geschorst en later beëindigd vanwege haar vertrek naar Zwitserland. Verzoekster maakte bezwaar en stelde beroep in tegen het niet tijdig beslissen en tegen de inhoudelijke besluiten. De voorzieningenrechter oordeelde dat het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk was omdat de beslistermijn nog niet was verstreken bij het indienen van het beroep.
De rechtbank stelde vast dat het UWV terecht de uitkering beëindigde op grond van het exportverbod in de Wajong, dat het recht op uitkering eindigt zodra de jonggehandicapte buiten Nederland gaat wonen. De hardheidsclausule die onbillijkheid van overwegende aard kan voorkomen, werd niet van toepassing geacht omdat de verhuisredenen van verzoekster niet zwaarwegend waren maar vooral op eigen keuze van haar ouders berustten.
Ook werd geoordeeld dat het exportverbod niet in strijd is met artikel 49 EG Pro-Verdrag, conform jurisprudentie van het Hof van Justitie EG. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek tot voorlopige voorziening afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen beëindiging van de Wajong-uitkering wegens verblijf in Zwitserland wordt ongegrond verklaard en het beroep tegen niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk.