ECLI:NL:RBAMS:2009:BK1730
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing immateriële schadevergoeding na intrekking arbeidsongeschiktheidsuitkering en overschrijding redelijke termijn
Eiser, woonachtig in Duitsland, vorderde immateriële schadevergoeding na intrekking van zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ). Na diverse besluiten en beroepsprocedures stelde verweerder de mate van arbeidsongeschiktheid uiteindelijk vast op 80-100% en verklaarde het bezwaar gegrond. Eiser verzocht vervolgens om vergoeding van immateriële schade wegens het onrechtmatige intrekkingsbesluit en de overschrijding van de redelijke termijn.
De rechtbank oordeelde dat het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk was omdat het procesbelang was komen te vervallen door het genomen besluit. Ten aanzien van de immateriële schadevergoeding stelde de rechtbank dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat het psychisch leed direct was veroorzaakt door het intrekkingsbesluit, mede gelet op het medisch rapport van de bezwaarverzekeringsarts die andere oorzaken aanwees.
Ook werd geoordeeld dat de totale duur van de procedure van twee jaar en zeven maanden de redelijke termijn overschreed, maar dat verweerder geen aandeel had in deze overschrijding omdat de bezwaarfase korter dan zes maanden was. De vordering tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn werd daarom afgewezen. Het beroep tegen het bestreden besluit werd ongegrond verklaard en verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van beperkte proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit werd niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het bestreden besluit tot immateriële schadevergoeding werd ongegrond verklaard.