ECLI:NL:RBAMS:2007:BC9789
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Prejudiciële vragen over uitlegging en discriminatie bij Europees aanhoudingsbevel en verblijfsrecht EU-burger
De zaak betreft een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door Duitse autoriteiten voor de overlevering van een Duitse staatsburger die in Nederland verblijft zonder verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. De opgeëiste persoon is veroordeeld tot een gecombineerde vrijheidsstraf van één jaar en negen maanden wegens medeplegen van invoer van marihuana. De rechtbank Amsterdam onderzoekt de vraag of de Nederlandse implementatie van artikel 4 lid 6 van Pro het Kaderbesluit over de weigering van overlevering in combinatie met artikel 6 lid 5 van Pro de Overleveringswet (OLW) in overeenstemming is met het EU-recht, met name het recht op vrij verkeer en verblijf van EU-burgers en het discriminatieverbod van artikel 12 EG Pro.
De opgeëiste persoon verblijft sinds juni 2005 legaal in Nederland, is ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie en werkt in loondienst. Hij beschikt echter niet over een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, wat volgens de Nederlandse wetgeving vereist is om overlevering te weigeren. De rechtbank constateert dat deze regeling kan leiden tot discriminatie van EU-burgers die hun verblijfsrecht ontlenen aan artikel 18 EG Pro en niet aan een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd.
De rechtbank stelt prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen over de interpretatie van begrippen als "verblijft in" en "ingezetene" in artikel 4 lid 6 Kaderbesluit Pro, de toelaatbaarheid van aanvullende administratieve eisen zoals verblijfsvergunningen, en de verenigbaarheid van de Nederlandse wetgeving met het discriminatieverbod en het vrij verkeer van personen binnen de EU. De procedure wordt geschorst totdat het HvJ EG uitspraak doet.
Uitkomst: De rechtbank schorst de procedure en stelt prejudiciële vragen aan het HvJ EG over de uitleg van het Kaderbesluit en de verenigbaarheid van de Nederlandse wet met het EU-recht.