ECLI:NL:RBAMS:2007:BC0753
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verzet tegen verstekvonnis wegens creditcardvordering tijdig geacht op grond van artikel 6 EVRM
In deze zaak heeft A verzet ingesteld tegen een verstekvonnis van 24 februari 1993 waarbij hij was veroordeeld tot betaling van een creditcardvordering van Fortis Bank. Fortis Bank stelde dat het verzet niet tijdig was omdat de verzettermijn in augustus 1993 was gaan lopen na derdenbeslag op A's RWW-uitkering. De rechtbank stelt vast dat de oude wettelijke regels (artikel 81 en Pro 82 Rv oud) van toepassing zijn omdat het vonnis van vóór 2002 dateert.
De rechtbank weegt echter dat A niet persoonlijk op de hoogte was gebracht van het vonnis of het beslag en dat de inhoudingen op zijn uitkering gering waren, waardoor hij niet hoefde te merken dat het vonnis ten uitvoer werd gelegd. Hierdoor zou toepassing van de oude regels leiden tot schending van het recht op toegang tot de rechter zoals gewaarborgd in artikel 6 EVRM Pro.
De rechtbank concludeert dat het verzet daarom tijdig is ingesteld toen A in december 2006 kennis nam van het vonnis en binnen vier weken verzet aantekende. Fortis Bank wordt verzocht aanvullende informatie te verstrekken over de omvang van de vordering en kredietlimiet, waarna A hierop kan reageren. De zaak wordt aangehouden voor verdere behandeling.
Uitkomst: Het verzet tegen het verstekvonnis wordt tijdig geacht en ontvankelijk verklaard vanwege schending van artikel 6 EVRM.