ECLI:NL:RBAMS:2005:AT8580
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- A.J.R.M. Vermolen
- P.B. Martens
- J.L. Hillenius
- Rechtspraak.nl
Weigering overlevering wegens flagrante schending redelijke termijn bij drugshandel
De rechtbank Amsterdam behandelde een verzoek tot overlevering van een verdachte aan Spanje op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) wegens betrokkenheid bij illegale handel in verdovende middelen. De verdachte was in 1997 op heterdaad aangehouden en vervolgens in voorlopige hechtenis gesteld, die later werd geschorst onder voorwaarden waarvan hij niet is nagekomen.
De rechtbank stelde vast dat er een periode van meer dan zeven jaar was verstreken tussen de laatste vervolgingsdaad en het uitvaardigen van het EAB, zonder dat de Spaanse autoriteiten voldoende hadden toegelicht waarom het onderzoek zo lang duurde of dat zij inspanningen hadden geleverd om de verdachte eerder voor de rechter te brengen. Dit werd beoordeeld als een flagrante schending van het recht op een berechting binnen een redelijke termijn zoals gewaarborgd in artikel 6 EVRM Pro en artikel 11 Overleveringswet Pro.
De rechtbank overwoog dat Spanje als lidstaat van het EVRM een effectieve rechtsbescherming biedt, maar dat in dit geval geen sprake was van een effectieve remedie omdat de verdachte onbepaalde tijd in voorlopige hechtenis zou blijven zonder zicht op een zittingsdatum. Gelet op deze omstandigheden en het ontbreken van een redelijke termijn, weigerde de rechtbank de overlevering van de verdachte aan Spanje.
De beslissing is definitief en er staat geen gewoon rechtsmiddel tegen open. De zaak benadrukt het belang van het respecteren van fundamentele rechten bij internationale rechtshulp en de toetsing van de redelijke termijn door de Nederlandse rechter.
Uitkomst: De rechtbank weigert de overlevering van de verdachte aan Spanje wegens flagrante schending van het recht op een berechting binnen een redelijke termijn.