ECLI:NL:RBAMS:2005:AU7667
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- A.J.R.M. Vermolen
- J.L. Hillenius
- J.N.A. Jolink
- Rechtspraak.nl
Weigering overlevering aan Frankrijk wegens flagrante schending redelijke termijn en ontbreken effectieve rechtsmiddelen
De zaak betreft een verzoek tot overlevering van een persoon aan Frankrijk op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd in 2005, voor een verstekvonnis uit 1991 waarbij de opgeëiste persoon werd veroordeeld tot zes jaar gevangenisstraf wegens illegale handel in verdovende middelen.
De rechtbank heeft vastgesteld dat er een periode van ruim veertien jaar is verstreken tussen het verstekvonnis en het uitvaardigen van het EAB, zonder dat de Franse autoriteiten voldoende pogingen hebben gedaan om de opgeëiste persoon actief op te sporen. Dit lange tijdsverloop wordt door de rechtbank beschouwd als een flagrante schending van het recht op een behandeling binnen een redelijke termijn zoals beschermd door artikel 6 EVRM Pro.
Daarnaast is overwogen dat de opgeëiste persoon na overlevering aan Frankrijk weliswaar een verzetprocedure kan starten, maar dat deze procedure niet als een effectieve remedie kan worden aangemerkt omdat het proces onbepaald lang kan duren en de persoon mogelijk langdurig in voorlopige hechtenis zal worden gehouden.
De rechtbank concludeert dat de overlevering in strijd zou zijn met fundamentele rechten en weigert daarom de overlevering aan Frankrijk. De uitspraak is definitief en staat geen gewoon rechtsmiddel tegen open.
Uitkomst: De rechtbank weigert de overlevering van de opgeëiste persoon aan Frankrijk wegens flagrante schending van het recht op een redelijke termijn en het ontbreken van een effectieve rechtsmiddel.