Conclusie
1.Inleiding
2.De zaak
3.Het eerste middel
een geldbedrag aan die [betrokkene 2] als beloning voor het plegen van voornoemde misdrijven in het vooruitzicht heeft gesteld of heeft laten stellen en
die [betrokkene 2] op dwingende wijze hebben gezegd of laten zeggen dit feit te plegen en/of
instructies heeft gegeven of laten geven aan die [betrokkene 2] over hoe dit feit uitgevoerd zou moeten worden,
in de woningzou worden gegooid. Daarmee is volgens het hof gepoogd anderen te bewegen tot het begaan van een brandstichting of het teweegbrengen van een ontploffing –
inde woning – waarvan gemeen voor goederen te duchten was. Het hof heeft er daarnaast op gewezen dat voor een dergelijke woningaanslag geldt dat daarin de reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid besloten ligt dat de aanslag leidt tot een woningbrand of andersoortige levensgevaarlijke situatie met een dodelijke afloop voor de personen die op dat moment in die woning aanwezig zijn. Naar het oordeel van het hof was dit ook algemeen bekend, wat meebrengt dat (het redelijkerwijs niet anders kan zijn dan dat) de verdachte zich ervan bewust is geweest dat hij [betrokkene 1] en [betrokkene 2] probeerde te bewegen tot een woningaanslag die zou leiden tot een aanmerkelijke kans op het overlijden van de personen die (mogelijk) in die woning aanwezig zouden zijn. Daarbij heeft het hof betrokken dat de verdachte tegen [betrokkene 1] heeft gezegd dat het hem niet boeit als het huis ‘loezoe' (het hof begreep: verwoest wordt). Uit die uitspraak heeft het hof afgeleid dat de verdachte er rekening mee hield dat de beoogde woningaanslag verstrekkende gevolgen zou hebben en dat die gevolgen voor hem geen reden vormden om van (de poging tot uitlokking van) die woningaanslag af te zien. Op basis van het voorgaande heeft het hof geconcludeerd dat de verdachte bewust de aanmerkelijk kans heeft aanvaard op het overlijden van de mensen die (eventueel) in die woning aanwezig zouden zijn, waarmee sprake is van medeplegen van opzettelijke uitlokking van medeplegen van opzettelijk brandstichten of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.
ingegooiden dat
vervolgenseen explosief (‘cobra') of een brandend voorwerp (‘benzine', molotovcocktail)
in de woningzou worden gegooid en het hem niet zou boeien als het huis ‘loezoe’ gaat, waarmee wordt bedoeld dat het hem niet boeit als het huis verwoest (ofwel: weg) raakt. [2]
4.Het tweede middel
5.Het derde middel
5.3.1 Het wettelijk stelsel met betrekking tot de schorsing van de voorlopige hechtenis houdt op hoofdlijnen het volgende in. De rechter kan bevelen dat de voorlopige hechtenis zal worden geschorst, zodra de verdachte zich bereid heeft verklaard tot nakoming van de aan de schorsing te verbinden voorwaarden (artikel 80 lid 1 Sv Pro). Op grond van artikel 82 Sv Pro kan de rechter ambtshalve of op vordering van het openbaar ministerie "te allen tijde" de opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis bevelen. Voordat de rechter daartoe overgaat, hoort hij zo mogelijk de verdachte. De beslissing tot opheffing van de schorsing is op grond van artikel 86 lid 5 Sv Pro dadelijk uitvoerbaar.
6.Het vierde middel
medegelet op de context waarin dat heeft plaatsgevonden, een normschending oplevert van een zodanige aard en ernst dat de voor toekenning van smartengeld relevante nadelige gevolgen van die normschending voor de benadeelde partijen zo voor de hand liggen dat kan worden aangenomen dat de benadeelde partijen door de brandstichting in hun persoon zijn aangetast ('op andere wijze’, in de zin van artikel 6:106. aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek).