ECLI:NL:PHR:2026:657

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
26 juni 2026
Zaaknummer
26/00836
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 EUVArt. 9 UWArt. 255 SvArt. 255a SvArt. 282 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatie over uitlevering en ne bis in idem bij internationale drugshandel en criminele organisatie

De zaak betreft een uitleveringsverzoek van Montenegro voor een persoon verdacht van deelname aan een criminele organisatie en twee drugsmisdrijven. De rechtbank Noord-Nederland verklaarde de uitlevering toelaatbaar voor het oprichten van een criminele organisatie en een drugsmisdrijf, maar ontoelaatbaar voor een tweede drugsmisdrijf wegens mogelijke schending van het ne bis in idem-beginsel.

De verdachte was in Nederland onherroepelijk veroordeeld voor drugshandel en aanverwante feiten, deels vrijgesproken. Zowel het Nederlandse als het Montenegrijnse onderzoek baseren zich op dezelfde Sky ECC-datasets. De verdediging voerde aan dat uitlevering voor de drugsmisdrijven ontoelaatbaar is vanwege dubbele vervolging, terwijl het OM dit betwistte.

De Hoge Raad concludeert dat de rechtbank een onjuiste toetsingsmaatstaf hanteerde door te oordelen dat uitlevering ontoelaatbaar is als niet kan worden uitgesloten dat sprake is van hetzelfde feit. De juiste maatstaf vereist dat moet worden aangenomen dat sprake is van hetzelfde feit. De Hoge Raad vernietigt het vonnis voor zover de uitlevering voor het tweede drugsmisdrijf werd afgewezen en verklaart deze uitlevering (gedeeltelijk) toelaatbaar. De uitlevering voor het oprichten van een criminele organisatie blijft toelaatbaar omdat deze ook andere gedragingen omvat dan de drugsmisdrijven.

De uitspraak bevat een uitgebreide analyse van het ne bis in idem-beginsel, de toepassing van het nationale en Europese feitsbegrip, en de beoordeling van de feitencomplexen. De Hoge Raad benadrukt dat het gebruik van dezelfde datasets in beide onderzoeken niet automatisch leidt tot schending van ne bis in idem. De beslissing bevat tevens een advies aan de minister om garanties te vragen over detentieomstandigheden bij uitlevering.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt deels het vonnis en verklaart de uitlevering voor het tweede drugsmisdrijf gedeeltelijk toelaatbaar, terwijl de uitlevering voor het eerste drugsmisdrijf en deelname aan een criminele organisatie toelaatbaar blijft.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer26/00836 U
Zitting30 juni 2026
CONCLUSIE
V.M.A. Sinnige
In de zaak
[de opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,
hierna: de opgeëiste persoon

1.Inleiding

1.1
De rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen, heeft bij uitspraak van 17 februari 2026 toelaatbaar verklaard de uitlevering van de opgeëiste persoon “ter strafvervolging van
- het oprichten van een criminele organisatie, en
- de ongeoorloofde productie, in bezit hebben en in het verkeer brengen van verdovende middelen, voor zover dit feit ziet op de voorgenomen uitvoer van een partij cocaïne (991,895 kg) van Ecuador naar België in november 2020,
zoals vermeld in het bevel tot het verrichten van een onderzoek van 17 maart 2023, uitgevaardigd door het Speciaal Parket van Montenegro, in samenhang beschouwd met het opsporingsbevel van 30 maart 2023 dat is uitgevaardigd door de rechter-commissaris van de Hoge Rechtbank in Podgorica te Montenegro”.
De rechtbank heeft de uitlevering voor het overige ontoelaatbaar verklaard. [1]
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens het openbaar ministerie en de opgeëiste persoon. [naam 1] , plaatsvervangend officier van justitie bij het arrondissementsparket Noord-Nederland, heeft namens het openbaar ministerie één middel van cassatie voorgesteld. Namens de opgeëiste persoon heeft S.N. de Jager, advocaat te Utrecht, twee middelen van cassatie voorgesteld en gereageerd op het door het openbaar ministerie voorgestelde middel.
1.3
Het middel van het openbaar ministerie ziet op de beslissing van de rechtbank tot ontoelaatbaarverklaring van de uitlevering ten aanzien van “de ongeoorloofde productie, in bezit hebben en in het verkeer brengen van verdovende middelen, voor zover dit feit ziet op de verkoop van een partij cocaïne in Nederland in de periode van december 2020 tot en met februari 2021”. De namens de opgeëiste persoon voorgestelde middelen richten zich tegen de beslissing tot toelaatbaarverklaring van de uitlevering ten aanzien van de hiervoor onder 1.1 genoemde feiten.

2.De zaak

2.1
Uit de uitleveringsstukken (zie hierna onder 3) komt naar voren dat de opgeëiste persoon in Montenegro wordt verdacht van het oprichten van een criminele organisatie en twee strafbare feiten van ongeoorloofde productie, in bezit hebben en in het verkeer brengen van drugs, deze laatste gepleegd in de periode van november 2020 tot begin februari 2021 in Ecuador, België en Nederland.
2.2
Uit de aan de Hoge Raad toegezonden stukken blijkt dat de opgeëiste persoon bij onherroepelijk vonnis van de rechtbank Amsterdam van 10 maart 2023 deels is vrijgesproken en deels is veroordeeld wegens (kort gezegd) het voorbereiden van de invoer van cocaïne naar Nederland, het aanwezig hebben van cocaïne en de uitvoer van heroïne. De in die zaak ten laste gelegde Opiumwetfeiten bestrijken de periode van 8 juli 2020 tot en met 8 maart 2021. Het Nederlandse strafrechtelijk onderzoek is gebaseerd op datasets van Sky ECC-accounts die aan de opgeëiste persoon worden toegeschreven. De verdenkingen in het Montenegrijnse strafrechtelijk onderzoek zijn op dezelfde datasets gestoeld. De verdediging heeft tegen deze achtergrond onder meer het verweer gevoerd dat de uitlevering ontoelaatbaar moet worden verklaard wegens schending van het ne bis in idem-beginsel als bedoeld in art. 9 lid 1 onder Pro c en d Uitleveringswet (hierna: UW).

3.Het uitleveringsverzoek

3.1
Bij schrijven van 9 mei 2023 heeft het Ministerie van Justitie van Montenegro verzocht om de uitlevering van de opgeëiste persoon in verband met een strafrechtelijk onderzoek waarin de opgeëiste persoon wordt verdacht van:
“het oprichten van een criminele organisatie uit artikel 401a, lid 2, juncto lid 1 en 6, van het Wetboek van Strafrecht van Montenegro en twee strafbare feiten van ongeoorloofde productie, in bezit hebben en in het verkeer brengen van verdovende middelen uit artikel 300, lid 1, juncto artikel 23, lid 2, van het Wetboek van Strafrecht van Montenegro.”
3.2
Het feitencomplex is nader omschreven in het bijgevoegde bevel tot het verrichten van een onderzoek van de officier van justitie, gedateerd 17 maart 2023. Dit bevel houdt – voor zover hier belang – het volgende in:

BEVEL TOT HET VERRICHTEN VAN EEN ONDERZOEK
Tegen:
(…)
15. [de opgeëiste persoon] (…)
wegens een gegronde verdenking dat:
I
De verdachten (…) in 2019 een criminele organisatie hebben opgericht die opereerde op het grondgebied van Montenegro, de Republiek Servië, Bosnië en Herzegovina, de Republiek Kroatië, de Republiek Ecuador, het Koninkrijk der Nederlanden, het Koninkrijk België, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Turkije en andere landen van Europa en Zuid-Amerika, en de volgende verdachten werden leden van die organisatie: (…), [de opgeëiste persoon] , (…) en meerdere onbekende personen.
Het doel van die organisatie is om strafbare feiten te plegen die bij wet strafbaar zijn gesteld met een gevangenisstraf van vier jaar of meer, te weten: ongeoorloofde productie, bezit, en in het verkeer brengen van verdovende middelen uit artikel 300, lid 4, juncto lid 1, van het Wetboek van Strafrecht van Montenegro, het witwassen uit artikel 268, lid 3, juncto lid 1, van het Wetboek van Strafrecht van Montenegro, ongeoorloofd bezit van wapens en explosieve stoffen uit artikel 403, lid 2, van het Wetboek van Strafrecht van Montenegro en het veroorzaken van algemeen gevaar uit artikel 327, lid 3, juncto lid 1, van het Wetboek van Strafrecht van Montenegro, en met als oogmerk het verkrijgen van illegale winsten en macht, waarbij elk lid van de criminele organisatie een vooraf bepaalde taak en rol had. Het handelen van die organisatie was gepland voor een onbeperkte periode, en is gebaseerd op de toepassing van bepaalde regels voor de interne controle en discipline van de leden. Deze organisatie maakt en implementeert de plannen op internationale schaal, maakt gebruik van geweld en intimidatie, maakt gebruik van witwassen en ongeoorloofd verkregen winsten, en er is tevens sprake van een invloed die deze criminele organisatie heeft op de politieke en uitvoerende macht - het Politiebestuur van Montenegro en andere belangrijke sociale instanties.
De bovengenoemden zijn berekenbaar, bewust van hun daden en zij wilden die daden uitvoeren wetende dat die verboden waren.
Dat hebben zij gedaan op zo een manier dat de verdachten (…) als organisatoren een crimineel plan wilden uitvoeren om het verdovende middel cocaïne vanuit Ecuador naar het grondgebied van Europa en Turkije te vervoeren en te verkopen, en op deze wijze het ongeoorloofd verkregen geld naar Servië en Montenegro te transporteren om de herkomst ervan te verhullen en op zo een wijze de illegale eigendomsvoordelen voor zichzelf en de criminele organisatie te verkrijgen; om een grote hoeveelheid wapens en explosief materiaal te verwerven, om andere personen te intimideren, om invloed uit te oefenen op de benoeming van de personen die dicht bij hen stonden op leidinggevende posities bij het Politiebestuur van Montenegro; om met het geld dat zij verkregen door criminele activiteiten invloed uit te oefenen zodat de stemmers bij de parlementaire verkiezingen in augustus 2020 in Montenegro hun stemrecht niet te konden realiseren; dat zijzelf of via andere leden de verdachten (…) [de opgeëiste persoon] , (…) en meerdere onbekende personen, rekruteerden, aan hen rollen en taken hebben toegewezen en instructies en aanwijzingen gaven aan de leden van de criminele organisatie, die dat criminele plan accepteerden, waardoor het volgende werd gedaan:
(…)
De verdachte [de opgeëiste persoon] had de taak om deel te nemen aan de betaling van het verdovende middel cocaïne in Zuid-Amerika en aan het transport ervan uit Ecuador naar Europa, in de overname van dat verdovende middel en de verdere verkoop ervan op het grondgebied van het Koninkrijk der Nederlanden, het Koninkrijk België en de Bondsrepubliek Duitsland, en om andere handelingen te ondernemen volgens de instructies en bevelen van de organisator;
(…)
- hiermee (…) de verdachten (…) [de opgeëiste persoon] , (…) hebben het strafbare feit van het oprichten van een criminele organisatie, uit artikel 401a, lid 2, juncto lid 1 en 6 van het Wetboek van Strafrecht van Montenegro gepleegd.
II
De verdachten (…) [de opgeëiste persoon] , (…)
Op 22 november 2020 hebben de verdachten (…) [de opgeëiste persoon] , (…) in Ecuador, als staatsburgers van Montenegro en de personen die op de gecodeerde applicatie ‘SKY ECC’ de bijnamen (…) gebruikten, (…), waarbij zij zich bewust waren van hun handelingen en deze wilden uitvoeren, en het feit dat ze samenwerkten, hebben hun functies gebruikt en ongeoorloofd een hoeveelheid van 991,895 kg van het verdovende middel cocaïne overgebracht, dat als verdovend middel is verklaard krachtens de Verordening betreffende de vaststelling van de lijst van verdovende middelen, psychotrope stoffen en planten die kunnen worden gebruikt voor de productie van drugs ('Staatsblad van Montenegro' nr. 41 en 57/ 18).
Dat werd uitgevoerd op zodanige wijze dat de thans onbekende personen, op het grondgebied van Ecuador, handelend conform het bevel van de verdachten (…), in container [0002] , 17 stoffen zakken hebben geladen, die 1007 blokken van het verdovende middel cocaïne bevatten, met het opschrift ‘ [naam 3] ’, met een totaal nettogewicht van 991,895 kg, dat het eigendom was van de verdachten (…), [de opgeëiste persoon] , (…) en van personen die op de gecodeerde applicatie ‘SKY ECC’ de bijnamen (…) gebruikten.
Deze container werd in de haven Guayaquil, in Ecuador, geladen op het schip ‘ [naam 2] ’ met als doel de verdovende middelen verder naar de haven van Antwerpen, in België te vervoeren en om deze in dat land en in andere Europese landen ongeoorloofd te verkopen.
Die betreffende verdovende middelen werden op 22 november 2020 in de genoemde container gevonden door Ecuadoraanse antinarcotica-eenheden en speurhonden voor specialistische ondersteuning en onderzoeken.
- daarmee (…) de verdachten (…) [de opgeëiste persoon] , (…) hebben het strafbare feit gepleegd van ongeoorloofde productie, het bezitten en in het verkeer brengen van verdovende middelen uit artikel 300, lid 1, juncto artikel 23, lid 2, van het Wetboek van Strafrecht van Montenegro.
V
(…)
De verdachten (…) en [de opgeëiste persoon]
In november en december 2020 hebben de verdachten (…), de persoon met de bijnaam (…), de persoon die op de gecodeerde applicatie 'SKY ECC' de bijnaam (…) gebruikte, en de verdachte (…), bewust van hun daden die zij wilden uitvoeren en het feit dat zij samenwerkten, ongeoorloofd en ten behoeve van de verkoop, een hoeveelheid van 272 kg van het verdovende middel cocaïne hebben getransporteerd, dat een stof is die als verdovend middel is verklaard krachtens de Verordening betreffende de vaststelling van de lijst van verdovende middelen, psychotrope stoffen en planten die kunnen worden gebruikt voor de productie van drugs ('Staatsblad van Montenegro' nr. 41 en 57/18):
In de tweede helft van december 2020 tot begin februari 2021 heeft de verdachte [de opgeëiste persoon] , als staatsburger van Montenegro, bewust van zijn daad, die hij wilde uitvoeren, in het Koninkrijk der Nederlanden, handelend in opdracht en voor de rekening van de verdachten (…), ongeoorloofd een hoeveelheid van 272 kg van het verdovende middel cocaïne verkocht, dat een stof is die als verdovend middel is verklaard krachtens de Verordening betreffende de vaststelling van de lijst van verdovende middelen, psychotrope stoffen en planten die kunnen worden gebruikt voor de productie van drugs ('Staatsblad van Montenegro' nr. 41 en 57/18) welk middel het eigendom was van de verdachten (…).
Dat werd uitgevoerd op zodanige wijze dat in november 2020 de thans onbekende personen, op het grondgebied van Ecuador, handelend conform de bevelen van de verdachten (…) een hoeveelheid van 272 pakketten met het verdovende middel cocaïne in een container hebben geladen met de opschriften ' [naam 3] ' en andere beeld-applicaties, met een totaal nettogewicht van 272 kg, welk verdovende middel eigendom was van de verdachten (…).
De genoemde container met het betreffende verdovende middel werd vervolgens per schip afgeleverd bij de haven van Antwerpen op 14 december 2020 in het Koninkrijk België, waarna, op 15 december 2020 dezelfde container in de genoemde haven werd gelost. Op 18 december 2020 heeft de persoon met de bijnaam (…), handelend op bevelen van de verdachten (…), uit deze container 272 kg van het verdovende middel cocaïne gehaald en deze vervoerd naar het adres (…), Koninkrijk België. Op 19 december 2020, handelend conform de bevelen van de verdachten (…) kwam er een persoon die op de gecodeerde applicatie 'SKY ECC' de bijnaam (…) gebruikte, die het genoemde verdovende middel overnam en deze vervoerde met een vrachtwagen met de Belgische kentekenplaten (…) naar het Koninkrijk der Nederlanden waar hij het genoemde verdovende middel aan de verdachte [de opgeëiste persoon] overhandigde. Deze heeft de genoemde drugs tot begin februari 2021, voor de rekening van de verdachten (…), verkocht voor een totaalbedrag van € 7.616.500,-,
- daarmee hebben zij, als mededaders, de volgende strafbare feiten gepleegd: (…) de verdachten (…) en [de opgeëiste persoon] , het strafbare feit van ongeoorloofde productie, het bezitten en in het verkeer brengen van verdovende middelen uit artikel 300, lid 1, juncto artikel 23, lid 2, van het Wetboek van Strafrecht van Montenegro.”
3.3
Het dossier bevat voorts een brief (met bijlagen) van 24 oktober 2025 van het Ministerie van Justitie van Montenegro die, als reactie op een verzoek van het Ministerie van Justitie van Nederland tot aanvullende informatie, onder meer het volgende bevat:
“Met verwijzing naar de officiële nota van uw Ministerie, met het kenmerk (…) van 13 oktober 2025 met daarin het verzoek om aanvullende informatie betreffende [de opgeëiste persoon] , doen wij u met genoegen het arrest van het Gerechtshof te Podgorica, Kvso nr. 28/23 van 18 november 2024, met de beëdigde vertaling naar de Engelse taal, toekomen, waarmee het Hof de tenlastelegging in de zaak tegen [de opgeëiste persoon] et al. bevestigd heeft;
Met betrekking tot uw vraag onder 2., doen wij u met genoegen de mededeling als volgt:
In Montenegro is een formele tenlastelegging de basishandeling waarmee de officier van justitie een strafprocedure bij de rechtbank start, nadat is vastgesteld dat er voldoende bewijs bestaat voor een redelijk vermoeden. Nadat het onderzoek is afgerond, wordt de tenlastelegging door de officier van justitie bekendgemaakt. De rechtbank beslist vervolgens of de tenlastelegging zal worden bevestigd, afgewezen of ter wijziging worden teruggestuurd. De procedure wordt geregeld in Hoofdstuk XIX van het Wetboek van Strafvordering (Art. 291-299 van het Wetboek van Strafvordering van Montenegro).”

4.Het procesverloop

De regiezitting van 12 juni 2025

4.1
Het uitleveringsverzoek is voor het eerst aan de orde gesteld op de regiezitting van 12 juni 2025. De officier van justitie heeft ter zitting een voorafgaand aan die zitting opgesteld (en op voorhand reeds verspreid) standpunt ten aanzien van het ‘ne bis in idem’-beginsel overgelegd. Dit standpunt – gedateerd 26 mei 2025 – luidt (met weglating van voetnoten):
“ [de opgeëiste persoon] is in Nederland onherroepelijk veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf jaren wegens drugshandel, witwassen en verboden wapenbezit bij vonnis van 10 maart 2023.
Montenegro heeft op 9 mei 2023 om uitlevering ter vervolging van [de opgeëiste persoon] verzocht wegens kort gezegd het deelnemen aan een criminele organisatie en ‘twee strafbare feiten van ongeoorloofde productie, bezit en in het verkeer brengen van verdovende middelen’ zoals omschreven in het bevel tot het verrichten van onderzoek d.d. 17 maart 2023 uitgevaardigd door het speciaal Parket van Montenegro.
[de opgeëiste persoon] is op 20 mei jl. aangehouden en in verzekering gesteld conform de Uitleveringswet. Voorafgaand aan de inverzekeringstelling verklaarde hij – zakelijk weergegeven – onder meer:
‘Ik ben voor de strafbare feiten die u noemt al veroordeeld hier in Nederland. Ik heb geen strafbare feiten gepleegd in Montenegro. Er is geen sprake van andere of nieuwe feiten die in ik Montenegro zou hebben gepleegd. Ik ben sinds 2018 niet meer in Montenegro geweest. De strafbare feiten vonden plaats in Nederland in 2020.’
De vraag ligt derhalve voor of de feiten waarvoor Montenegro de uitlevering van de opgeëiste persoon verzoekt, dezelfde feiten betreffen waarvoor hij in Nederland reeds onherroepelijk is veroordeeld.
Ik ben van oordeel dat dit niet het geval is.
In het hierboven genoemde bevel tot het verrichten van onderzoek worden twee concrete strafbare drugsfeiten nader omschreven.
- 22 nov. 2020, 991,895kg cocaïne, in container [0001] , 1007 blokken, met opschrift [naam 3] . Partij geladen in de haven van Guayaquil in Equador, in het schip [naam 2] met bestemming Antwerpen. Partij onderschept door Narcoticabrigade van Equador. [de opgeëiste persoon] was mede-eigenaar van deze partij cocaïne (onder II)
- Verkoop van een partij cocaïne van 272kg. In november 2020 272 pakketten geladen met o.a. opschriften ‘ [naam 3] ’ in Equador. Op 14 december 2020 zijn de pakketten afgeleverd in de haven van Antwerpen en op 15 december 2020 gelost. Op 18 december zijn de pakketten vervoerd naar een adres in [plaats] (België) Op 19 december 2020 werd de partij met een vrachtwagen met kenteken (…) naar Nederland vervoerd en aldaar overgedragen aan [de opgeëiste persoon] . [de opgeëiste persoon] heeft deze partij verkocht tot begin februari 2021 voor een totaalbedrag van 7.616.500,- euro. (onder V)
Blijkens het vonnis van 10 maart 2023 is [de opgeëiste persoon] veroordeeld terzake drugsfeiten:
- Voorbereiden invoer 4 kilo cocaïne naar Nederland in de periode van 9 juli 2020 tot en met 14 juli 2020, tezamen en in vereniging met anderen. De cocaïne is vervoerd met het schip [naam 4] dat vanuit Southhampton naar Antwerpen vaart.
- Voorbereiden invoer cocaïne in de periode van 17 tot en met 20 juli 2020, samen met een ander. Gaat in elk geval om één blok cocaïne dat uitgehaald moet worden op kade [...] in Antwerpen.
- Het aanwezig hebben van 20 kilo cocaïne in de periode van 18 tot en met 19 september 2020, alleen. Zou gaan om partij die blijkens chat op adres [a-straat 1] in [plaats] zou kunnen worden afgehaald. Codewoord: [...] .
- Uitvoer 2,75 kg heroïne naar Oostenrijk in de periode van 25 februari 2025 tot en met 1 maart 2021. Vervoerd per vrachtwagen naar Wenen.
[de opgeëiste persoon] werd vrijgesproken van handel en/of bezit:
- Op of omstreeks 28 juli 2020, 3 blokken cocaïne
- In of omstreeks periode van 12 december 2020 tot en met 18 december 2020, 20 blokken cocaïne
- Op of omstreeks 29 december 2020, 1 blok cocaïne
- Op of omstreeks 4 februari 2021, 4 blokken cocaïne
- Op of omstreeks 21 februari 2021, 15 blokken cocaïne
- In of omstreeks de periode van 1 maart 2021 tot en met 2 maart 2021, 22 blokken cocaïne
De twee concrete transporten die zijn omschreven in het bevel tot het verrichten van onderzoek worden niet genoemd in de tenlastelegging en het daaropvolgende vonnis.
Ik concludeer daarom dat er geen sprake is van dezelfde strafbare feiten en dat een situatie als bedoeld in artikel 9 lid 1 sub b en Pro c van de uitleveringswet zich niet voordoet.”
4.2
Bij dit standpunt is onder meer gevoegd het onherroepelijke vonnis van de rechtbank Amsterdam van 10 maart 2023. Dit vonnis houdt – voor zover hier van belang – in:

Overige onderdelen feit 1
De rechtbank vindt dat de andere onderdelen van feit 1 niet kunnen worden bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij. Voor een deel daarvan had ook de officier van justitie om vrijspraak gevraagd. Voor de onderdelen bij het derde en vijfde sterretje van feit 1 heeft de officier van justitie wel bewezenverklaring gevraagd. Bij het derde sterretje is het de rechtbank onvoldoende duidelijk waar het in de chats over gaat, mede gelet op het ontbreken van de berichten van de gesprekspartner. Bij het vijfde sterretje is het aannemelijk dat het in de chats over drugs gaat, maar kan de rechtbank niet vaststellen dat het om cocaïne gaat.
(…)
Bewezenverklaring
De rechtbank vindt op grond van de bewijsmiddelen in de voetnoten bewezen dat verdachte
Feit 1
in de periode van 18 september 2020 tot en met 1 maart 2021 in Nederland tezamen en in vereniging met anderen, althans alleen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland hebben gebracht, zulks al dan niet op een wijze zoals bedoeld in artikel I van de Opiumwet, en/of opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid cocaïne en/of een hoeveelheid heroïne, bestaande uit
* in de periode van 18 september 2020 tot en met 19 september 2020 20 blokken/kilogram cocaïne en
* in de periode van 25 februari 2021 tot en met 1 maart 2021 2,75 kilogram (bestaande uit 2,5 kilogram en 250 gram) heroïne
en
in de periode van 9 juli 2020 tot en met 20 juli 2020 in Nederland en/of in België, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, te weten het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid cocaïne bestaande uit:
* op 9 juli 2020 een hoeveelheid cocaïne, en
* omstreeks de periode van 17 juli 2020 tot en met 20 juli 2020 een hoeveelheid cocaïne, voor te bereiden,
→ anderen heeft getracht te bewegen om die feiten mede te plegen en
→ zich en/of anderen inlichtingen tot het plegen van die feiten heeft getracht te verschaffen en
voorwerpen voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en/of zijn mededaders, wisten dat deze bestemd waren tot het plegen van die feiten,
immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s)
- cryptotelefoons voorhanden gehad,
- op die cryptotelefoons een Sky ECC chatapplicatie gebruikt,
- aan encrypted Sky ECC chats deelgenomen die betrekking hebben op de (internationale) handel in verdovende middelen,
- foto's van hoeveelheden verdovende middelen verzonden,
- encrypted Sky ECC chatgesprekken gevoerd met betrekking tot het invoeren van (handels)hoeveelheden verdovende middelen,
- informatie verstrekt over vervoersmogelijkheden en locaties en tijdstippen van aankomst en vertrek van een schip/container en
- uithalers geregeld en aangestuurd.
(…)
Bijlage
Tenlastelegging [de opgeëiste persoon]
Aan verdachte [de opgeëiste persoon] is, na wijziging op de zitting, tenlastegelegd dat
1.
hij (op een of meer moment(en)) in of omstreeks de periode van 8 juli 2020 tot en met 8 maart 2021, te Diemen en/of te Rotterdam en/of te Breda en/of te Bladel en/of te Amsterdam, althans in Nederland, en/of te Antwerpen, althans in België, en/of in Engeland, en/of in Spanje, en/of te Wenen, althans in Oostenrijk, en/of in Colombia,
meermalen, althans eenmaal,
(telkens)
tezamen en in vereniging met een (of meer) ander(en), althans alleen,
opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland heeft/hebben gebracht, zulks al dan niet op een wijze zoals bedoeld in artikel 1 van Pro de Opiumwet, en/of (vervolgens) opzettelijk heeft/hebben bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of vervaardigd, althans opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad, een hoeveelheid cocaïne en/of een hoeveelheid heroïne, bestaande uit (onder meer):
* (in of omstreeks de periode van 9 juli 2020 tot en met 14 juli 2020) een hoeveelheid, (minimaal) 4 blokken/kilogram, cocaïne, en/of;
* (in of omstreeks de periode van 17 juli 2020 tot en met 20 juli 2020) een hoeveelheid, (minimaal) 1 blok/kilogram, cocaïne, en/of;
* (op of omstreeks 28 juli 2020) een hoeveelheid, (minimaal) 3 blokken/kilogram, cocaïne en/of;
* (in of omstreeks de periode van 18 september 2020 tot en met 19 september 2020) een hoeveelheid, (minimaal) 20 blokken/kilogram, cocaïne, en/of;
* (in of omstreeks de periode van 12 december 2020 tot en met 18 december 2020) een hoeveelheid, (minimaal) 20 blokken/kilogram, cocaïne, en/of;
* (op of omstreeks 29 december 2020) een hoeveelheid, (minimaal) 1 blok/kilogram, cocaïne, en/of,
* (op of omstreeks 4 februari 2021) een hoeveelheid, (minimaal) 4 blokken/kilogram, cocaïne, en/of;
* (op of omstreeks 21 februari 2021) een hoeveelheid, (minimaal) 15 blokken/kilogram, cocaïne, en/of;
* (in of omstreeks de periode van 25 februari 2021 tot en met 1 maart 2021) een hoeveelheid, (minimaal) 2,75 kilogram (bestaande uit 2,5 kilogram en/of 250 gram), heroïne, en/of;
* (in of omstreeks de periode van 1 maart 2021 tot en met 2 maart 2021) een hoeveelheid, (minimaal) 22 blokken/kilogram, cocaïne,
in elk geval (telkens) een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of heroïne, (telkens) zijnde cocaïne en/of heroïne, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
en/of
hij (op een of meer moment(en)) in of omstreeks de periode van 3 juli 2020 tot en met 8 maart 2021, te Diemen en/of te Rotterdam en/of te Amsterdam, althans in Nederland, en/of te Antwerpen, althans in België, en/of in Duitsland en/of in Engeland, en/of in Spanje, en/of in Colombia,
meermalen, althans eenmaal,
(telkens) tezamen en in vereniging met een (of meer) ander(en), althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, te weten (telkens) het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of vervaardigen van een hoeveelheid cocaïne en/of een hoeveelheid heroïne, bestaande uit (onder meer):
* (in of omstreeks de periode van 9 juli 2020 tot en met 14 juli 2020) een hoeveelheid, (minimaal) 4 blokken/kilogram, cocaïne, en/of;
* (in of omstreeks de periode van 17 juli 2020 tot en met 20 juli 2020) een hoeveelheid, (minimaal) 1 blok/kilogram, cocaïne, en/of;
* (op of omstreeks 28 juli 2020) een hoeveelheid, (minimaal) 3 blokken/kilogram, cocaïne, en/of;
* (in of omstreeks de periode van 18 september 2020 tot en met 19 september 2020) een hoeveelheid, (minimaal) 20 blokken/kilogram, cocaïne, en/of;
* (in of omstreeks de periode van 12 december 2020 tot en met 18 december 2020) een hoeveelheid, (minimaal) 20 blokken/kilogram, cocaïne, en/of;
* (op of omstreeks 29 december 2020) een hoeveelheid, (minimaal) 1 blok/kilogram, cocaïne en/of;
* (op of omstreeks 4 februari 202 1) een hoeveelheid, (minimaal) 4 blokken/kilogram, cocaïne, en/of;
* (op of omstreeks 21 februari 2021) een hoeveelheid, (minimaal) 15 blokken/kilogram, cocaïne, en/of;
* (in of omstreeks de periode van 25 februari 2021 tot en met 1 maart 2021) een hoeveelheid, (minimaal) 2,75 kilogram (bestaande uit 2,5 kilogram en/of 250 gram), heroïne, en/of;
* (in of omstreeks de periode van 1 maart 2021 tot en met 2 maart 2021) een hoeveelheid, (minimaal) 22 blokken/kilogram, cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of heroïne, (telkens) zijnde cocaïne en/of heroïne, (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I,
voor te bereiden en/of te bevorderen,
-> een of meer anderen heeft/hebben getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, en/of;
-> zich en/of een of meer anderen gelegenheid en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft hebben getracht te verschaffen, en/of;
-> voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft/hebben gehad, waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s), wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat dat/die/deze/zij bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en),
immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of (een of meer van) zijn mededader(s) (opzettelijk) (onder meer):
- meerdere, althans een, cryptotelefoon(s) voorhanden gehad, en/of;
- op die cryptotelefoon een Sky-ECC chatapplicatie gebruikt, en/of;
- meerdere, althans een, (encrypted Sky-ECC) groepschat(s) aangemaakt en/of aan (encrypted Sky-ECC) (groeps)chats deelgenomen die vrijwel uitsluitend betrekking heeft/hebben op de (internationale) handel in verdovende middelen en/of de financiën hieromtrent, en/of;
- foto’s van hoeveelhe(i)d(en) verdovende middelen en of grote (contante) geldbedragen en/of (financiële) administratie verzonden en/of doorgestuurd naar een of meer ander(en), en/of;
- (encrypted Sky-ECC) chatgesprekken gevoerd met betrekking tot het bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of vervaardigen en/of invoeren en/of uitvoeren van (handels)hoeveelhe(i)d(en) verdovende middelen, en/of;
- (encrypted Sky-ECC) chatgesprekken gevoerd met betrekking tot en/of onderhandeld over de prijs en/of hoeveelheid van de verdovende middelen en/of de levering hiervan en/of over het hiervoor te betalen geldbedrag en/of tokens gestuurd en/of de financiële administratie hieromtrent bijgehouden, en/of;
- informatie verstrekt over vervoersmogelijkheden en/of bedrijven en/of locaties en/of tijdstip(pen) van aankomst en/of vertrek van een schip/container, en/of;
- beschikt over internationale contacten met betrekking tot de invoer en/of uitvoer van verdovende middelen en/of deze contacten onderhouden en/of mensen met elkaar in contact gebracht, en/of;
- uithalers en/of koeriers geregeld en/of ontmoet en/of aangestuurd, en/of;
- de verdeling en/of bestemming van gelden en/of goederen bedacht, en/of;
- beslist hoeveel kilogram geladen kan worden en/of op welk schip en/of op welke route, en/of;
- aangeven in Holland (Nederland) te kunnen verkopen en/of (vervolgens) bedragen noemt, en/of;
- gecorrespondeerd over verborgen ruimten voor het vervoer van cocaïne, en/of;
- geïnvesteerd in partijen cocaïne;”
4.3
Bij het standpunt is tevens gevoegd het requisitoir dat de officier van justitie in de Nederlandse strafzaak tegen de opgeëiste persoon op de terechtzitting van 24 februari 2023 heeft voorgedragen. Daarin wordt over de tenlastegelegde feiten – voor zover hier relevant – het volgende naar voren gebracht (met weglating van de voetnoten):

in of omstreeks de periode van 12 december 2020 tot en met 18 december 2020, een hoeveelheid (minimaal) 20 blokken/kilogram, cocaïne:in deze chat is verdachte duidelijk aan het coördineren dat een partij van 20 kg wordt uitgehaald aan kade [...] in Antwerpen. We kunnen er vanuit gaan dat het / om cocaïne gaat, gelet op deze chat, de andere chats en de geldbedragen die worden genoemd. Het schip met deze partij is, blijkens een door verdachte verstuurde foto op 12 december 2020 vertrokken en op 17 december 2020 aangekomen in Antwerpen (“
It arrived yesterday”). Verdachte heeft ook wetenschap dat de partij de haven niet zal verlaten naar een depot. Verdachte is duidelijk bij de invoer betrokken geweest. Invoer van cocaïne wettig en overtuigend te bewijzen.
Opmerkingover de feiten waar volgens het Openbaar Ministerie invoer kan worden bewezen. Mocht de rechtbank hiervoor onvoldoende bewijs zien (qua betrokkenheid verdachte bij de import/daadwerkelijke invoer) dan kan in elk geval het feit onder de en/of bewezen worden verklaart. In die zin dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan 10A OW (voorbereidingshandelingen invoer/vervoer hoeveelheid cocaïne)
op of omstreeks 29 december 2020) een hoeveelheid, (minimaal) 1 blok/kilogram, cocaine: Dit heeft betrekking op een foto die is verstuurd. Door verdachte op 29 december 2020. Het lijkt me duidelijk dat dit over cocaïne gaat Er is alleen geen chat voorhanden waardoor de context onduidelijk is. Voor dit element vrijspraak.
op of omstreeks 4 februari 2021) een hoeveelheid, (minimaal) 4 blokken/kilogram cocaïne: in het proces verbaal staat een zeer korte chat Duidelijk dat het gaat over cocaïne, gelet op de foto's die verdachte verstuurd. Ook vraagt verdachte of het tegencontact 2 kg heeft om te verkopen. De context blijft echter verder onvoldoende duidelijk. Voor dit element vrijspraak.
op of omstreeks 21 februari 2021) een hoeveelheid, (minimaal) 15 blokken/kilogram, cocaïne: Ook dit element heeft betrekking op een verstuurde foto van blokken cocaïne waarbij de context niet is te bepalen. Voor dit element dus ook een vrijspraak.”
4.4
De dag voor de zitting heeft de verdediging per e-mail het verzoek gedaan om aan de verzoekende autoriteiten vragen te stellen over een aantal onderwerpen, waaronder ‘ne bis in idem’. Het verzoek van de verdediging houdt daarover het volgende in:
“Uit het vonnis van 10 maart 2023 volgt dat cliënt onder andere is veroordeeld voor het verkopen van verdovende middelen (heroïne) in de periode van 25 februari 2021 en het voorbereiden van invoer van cocaïne in de periode van juli 2020.
Bovendien is cliënt vervolgd en vrijgesproken voor een reeds andere handelingen ten aanzien van cocaïne/heroïne. Ik verwijs kortheidshalve naar de opsomming in het stand van de officier van justitie.
Bij de beoordeling van de ne bis in idem zoals bedoeld in artikel 9 van Pro het Europees uitleveringsverdrag gaat het niet om de veroordeling van de bewezenverklaarde transporten, maar gaat het er om of een betrokkene voor dezelfde feiten is berecht. Zonder nadere stukken uit het strafdossier dat ten grondslag heeft gelegen aan het vonnis van 10 maart 2023 kan dat nu niet beoordeeld worden. Een strafbaar feit, en zeker het invoeren van verdovende middelen, bestaat uit verschillende fases en gaat over meerdere schijven. Juist hierom is aannemelijk dat de genoemde transporten wel degelijk al in de Nederlandse zaak zijn vervolgd, beoordeeld en berecht. Het verzoek is dan ook om het strafdossier van het parketnummer 13/334553-21 aan de verdediging te verstrekken. Bovendien verzoekt de verdediging aan de verzoekende autoriteiten, juist gelet op de bescherming van het grote belang van artikel 9 van Pro het Europees Verdrag, om nadere stukken uit het dossier op te vragen.
De omschrijving in het uitleveringsverzoek ontbreekt namelijk om te beginnen welke accounts aan cliënt worden toegeschreven. Bovendien is voor de beoordeling van de ne bis in idem van belang op basis van welke berichten de verdenking zoals genoemd in het uitleveringsverzoek zijn gebaseerd. De ne bis in idem dient door de aangezochte staat, in dit geval Nederland, vol te worden beoordeeld. De weigeringsgrond van artikel 9 van Pro het Verdrag betreft bovendien een imperatieve weigeringsgrond.”
4.5
In het proces-verbaal van de zitting van 12 juni 2025 is het volgende gerelateerd (met weglating van een voetnoot):
“De officier van justitie draagt de zaak voor en deelt – zakelijk weergegeven – het volgende mee:
Er is een verzoek tot uitlevering gedaan op verdenking van betrokkenheid bij drugshandel. Op dit moment zit opgeëiste persoon een straf uit in [plaats] wegens drugshandel. (…) Vandaag is aan de orde de vordering tot het in behandeling nemen van het uitleveringsverzoek. (…) Ten aanzien van de inhoudelijke vordering heb ik een schriftelijke samenvatting opgesteld die ik wens te overleggen. Uitlevering van opgeëiste persoon acht ik toelaatbaar. (…)
De raadsvrouw voert het woord, zakelijk weergegeven:
(…)
Mijn tweede verzoek heeft betrekking op het ne bis in idem-beginsel. Uit het vonnis van 10 maart 2023 van de rechtbank Amsterdam volgt dat opgeëiste persoon onder andere is veroordeeld voor het verkopen van verdovende middelen (heroïne) in de periode van 25 februari 2021 en het voorbereiden van invoer van cocaïne in de periode van juli 2020. Daarnaast is opgeëiste persoon vervolgd en vrijgesproken voor een reeds andere handelingen ten aanzien van cocaïne/heroïne. Bij de beoordeling van het ne bis in idem-beginsel, zoals bedoeld in artikel 9 van Pro het Europees uitleveringsverdrag, gaat het niet om de veroordeling van de bewezenverklaarde transporten, maar het gaat er om of een opgeëiste persoon voor dezelfde feiten is berecht. Een strafbaar feit, en zeker het invoeren van verdovende middelen, bestaat uit verschillende fases. Gelet hierop is het aannemelijk dat de genoemde transporten wel degelijk al in de Nederlandse zaak zijn vervolgd, beoordeeld en berecht. Het verzoek is dan ook om het strafdossier van het parketnummer 13/334553-21 aan de verdediging te verstrekken. De verdediging wenst te onderzoeken op basis van welke berichten de verdenking, zoals genoemd in het uitleveringsverzoek, is gebaseerd.
(…)
De officier van justitie voert het woord, zakelijk weergegeven:
(…)
Ik verzet mij tegen het verzoek tot het toevoegen van aanvullende stukken ter beoordeling van het ne bis in idem-beginsel. De twee concrete transporten die zijn omschreven in het bevel tot het verrichten van onderzoek worden niet genoemd in de tenlastelegging en het daaropvolgende vonnis van de rechtbank Amsterdam. Dat er overeenkomstige chatberichten in het procesdossier van Nederland en het procesdossier van Montenegro zitten, betekent niet dat er sprake is van ne bis in idem. Uit een uitspraak van de Hoge Raad van 20 mei 2025 volgt dat enkel het gebruik van eenzelfde PGP-account niet maakt dat sprake is van dezelfde strafbare feiten. Met hetzelfde account kunnen meerdere drugstransporten zijn geregeld. Met betrekking tot het verzoek om informatie ten aanzien van de detentieomstandigheden geldt dat eenieder in het proces zijn eigen rol heeft en deze niet met elkaar moeten worden verward. Nadere informatie is niet nodig en onwenselijk, omdat de rechtbank daar geen beslissingsbevoegdheid over heeft. De minister beslist over eventuele garanties. De uitspraak die de raadsvrouw aanhaalt ziet op een voltooide schending en die vraag is nu niet aan de orde.
(…)
De rechtbank trekt zich terug ter beraadslaging. Na de beraadslaging zet de rechtbank het onderzoek voort. De voorzitter deelt – zakelijk weergegeven – mee:
(…)
Met betrekking tot de onderzoekswensen overweegt de rechtbank als volgt.
(…)
De rechtbank is van oordeel dat er mogelijk sprake is van overlap in de periode die ziet op de verdenking van het tweede drugsfeit. De verdenking is nu te algemeen geformuleerd om dat goed te kunnen beoordelen. De rechtbank ontvangt, in het licht van de eerdere vervolging van de opgeëiste persoon in Nederland voor drugs gerelateerde feiten die zich deels in dezelfde periode hebben afgespeeld, van de Montenegrijnse autoriteiten graag een nadere specificatie van het verwijt dat de opgeëiste persoon wordt gemaakt met betrekking tot de 272 kg die in december 2020 via Antwerpen naar Nederland zouden zijn gebracht en aldaar door de opgeëiste persoon zijn verkocht. De rechtbank kan uit de huidige stukken niet afleiden of de Montenegrijnse autoriteiten verdachte verdenken van betrokkenheid bij de invoer van verdovende middelen in België respectievelijk Nederland. De rechtbank ziet tevens graag een nadere beschrijving van de verdenkingen ten aanzien van de verkoop van verdovende middelen in de periode van december 2020 t/m februari 2021.”
De zitting van 11 september 2025
4.6
Tijdens de zitting van 11 september 2025, waar een vordering tot verlenging van de gevangenhouding aan de orde was, heeft de officier van justitie, blijkens het proces-verbaal van die zitting, het volgende naar voren gebracht:
“Er bestaat vandaag enige onduidelijkheid over de vraag of alleen de vordering van de gevangenhouding aan de orde is of dat er ook inhoudelijk over het uitleveringsverzoek gesproken tot verlenging dient te worden. Ik begrijp nu dat het hoogstwaarschijnlijk alleen om de vordering tot verlenging van de gevangenhouding gaat vandaag. (…) Toch wil ik vandaag ook graag toelichten waarom ik voornemens ben mij vandaag op het standpunt te stellen dat het verzoek tot uitlevering zou moeten worden ingewilligd. In de visie van het openbaar ministerie blijkt dat er geen sprake is van ne-bis-in-idem en daarvan hebben wij inmiddels ook een bevestiging ontvangen van de Montenegrijnse Centrale Autoriteit. Zij hebben ons het volgende laten
weten:
“The competent prosecutor’s office informed us that the trial in this case before the High Court in Podgorica has not yet begun, although the indictment has been confirmed, and that in any case, even if [de opgeëiste persoon] were convicted of all the criminal acts being tried in the Netherlands, there would be no double conviction for the same criminal acts”.
De rechtbank dient de uitlevering daarom toelaatbaar te verklaren en kan daarbij desgewenst de voorwaarde stellen dat van deze toelaatbaarheid alleen sprake is voorzover er geen dubbele vervolging plaats zal vinden voor de feiten waarvan de opgeëiste persoon in Nederland reeds is vervolgd (waarbij de desbetreffende uitspraak kan worden aangehecht). Het openbaar ministerie zal zelf ook bij de minister aangeven dat de beslissing naar de Montenegrijnse Centrale Autoriteit moet
inclusiefdie voorwaarde en het aangehechte Nederlandse vonnis tegen de opgeëiste persoon.”
De zitting van 15 januari 2026
4.7
Op de zitting van 15 januari 2026 is het verzoek tot uitlevering opnieuw behandeld. Voorafgaand daaraan heeft de officier van justitie een aanvullend standpunt opgesteld over de toepasselijkheid van het ‘ne bis in idem’-beginsel, dat het volgende inhoudt:
“Onder verwijzing naar het schriftelijk standpunt ne bis in idem d.d. 26 mei 2025, welk standpunt het OM primair handhaaft, ziet het OM aanleiding een subsidiair standpunt in te nemen ten aanzien van ne bis in idem in de onderhavige zaak.
De rechtbank heeft in een tussenbeslissing op 12 juni verzocht om de navolgende nadere informatie van de Montenegrijnse autoriteiten:
(…)
Er is vervolgens nadere informatie via de Centrale Autoriteit ontvangen in september 2025 welke op 11 september 2025 ter zitting is verwoord door het OM. Die informatie hield in dat in de visie van Montenegro, zelfs al zou [de opgeëiste persoon] veroordeeld worden op grond van de huidige aanklacht, dat geen veroordeling zou zijn voor dezelfde strafbare feiten (“no double conviction for the same criminal acts”).
Gelet op het summiere antwoord heeft de Centrale Autoriteit medio oktober 2025 drie nadere vragen gesteld:
1. If you could please share (a copy of) the indictment or equivalent document with me? If not, I would appreciate an explanation as to why it is not yet available, or if it cannot be shared, the legal or procedural reasons preventing disclosure.
2. How the criminal procedural system in your country deals with the formal accusation or charge. How such an indictment or equivalent document is established under your national legislation. Could you describe the relevant legal basis or procedure for its preparation?
- In which phase of the criminal process is it formulated?
- What form does it take, and who issues it?
3. Could you please clarify the current procedural stage of the case?
De antwoorden op deze vragen d.d. 24 oktober 2025 zijn inmiddels ontvangen en vertaald aan het dossier toegevoegd.
Het lijkt er niet op dat Montenegro de vraag die de rechtbank heeft gesteld kan beantwoorden, hetgeen zich laat verklaren door het verschil in wetgeving. Een telastelegging conform het Nederlandse wetboek van Strafvordering kent Montenegro niet. Er wordt in deze fase gewerkt met de vaststelling dat er voldoende bewijs bestaat voor een redelijk vermoeden. Het arrest van het Hof d.d. 18 november 2024 dat dit vaststelt is integraal overlegd. De strafprocedure bij de rechtbank is nog niet gestart; en pas nadat het onderzoek is afgerond wordt de telastelegging bekendgemaakt.
Naar mijn oordeel kan de uitleveringszaak afgedaan worden zonder nadere informatie uit Montenegro. In het geval de rechtbank meent dat er een risico bestaat voor ne bis in idem dan zou de rechtbank de uitlevering namelijk
deelsontoelaatbaar kunnen verklaren waardoor de vervolging in Montenegro voor feiten waar het risico van dubbele vervolging zou bestaan, niet mogelijk is. Ik licht dit nader toe.
Het eerste feitencomplex waarvoor Montenegro de uitlevering verzoekt heeft betrekking op een lading cocaïne die op 22 november 2020 is onderschept in Equador. In de telastelegging bij de Nederlandse strafzaak is Equador niet als pleegplaats opgenomen. Derhalve gaat dit om een ander transport dan de feiten waar de Nederlandse strafzaak betrekking op had. Voor wat betreft het eerste feit is de uitlevering zonder meer toelaatbaar.
Het tweede feitencomplex waarvoor Montenegro de uitlevering verzoekt heeft betrekking op een lading cocaïne (272 kg) die in november 2020 in Equador is geladen, op 15 december 2020 in Antwerpen is gelost en op 19 december 2020 in Nederland aan [de opgeëiste persoon] zou zijn overgedragen waarna hij tot begin februari 2021 die partij zou hebben verkocht. In de Nederlandse strafzaak zien de bewezenverklaring en vrijspraken voor het overgrote deel op de periode vóór november 2020. Voor een klein deel niet; daar is dan sprake van mogelijke overlap met het tweede feitencomplex zoals omschreven in de stukken bij het uitleveringsverzoek van Montenegro. Ik ga hier nader op in.
Uit de combinatie van het requisitoir en het vonnis in de Nederlandse strafzaak is te halen dat de vrijspraak m b.t. het feit dat is gepleegd van 12 tot en met 18 december 2020 ziet op de coördinatie door verdachte van het uithalen van een hoeveelheid cocaïne van minimaal 20 blokken van een schip dat op
12 december 2020is vertrokken en op
17 december 2020is aangekomen in Antwerpen. Dit is gelet op de data een andere lading dan de cocaïne die in de Montenegrijnse zaak per schip in Antwerpen is aangekomen op
14 december 2020. Geen ne bis in idem.
Het overige deel van de telastelegging waarvan is vrijgesproken en die vallen in de Montenegrijnse periode en delictsomschrijving gaat blijkens het requisitoir in de Nederlandse strafzaak om:
- een door verdachte verstuurde foto op 29 december 2020 van 1 blok cocaïne;
- een door verdachte verzonden korte chat met foto’s op 4 februari 2021 betrekking hebbend op 2 of 4 blokken cocaïne;
- een door verdachte op 21 februari 2021 verstuurde foto van 15 blokken cocaïne.
Mogelijk betreft dit blokken cocaïne uit het transport waar Montenegro verdachte nog voor wenst te vervolgen. De verdenking in Montenegro ziet echter mede op het ongeoorloofd produceren, bezitten en in het verkeer brengen van een hoeveelheid van 272 pakketten vanuit Equador (niet als pleegplaats op de Nederlandse telastelegging opgenomen) via Antwerpen naar Nederland en beslaat dus een veel ruimer feitencomplex dan de beschreven feiten waarvan verdachte is vrijgesproken.
Gelet op het voorgaande luidt het subsidiaire standpunt dat de uitlevering toelaatbaar kan worden verklaard met uitzondering van:
het ongeoorloofd produceren, bezitten en het in het verkeer brengen van
1 blok cocaïne op 29 december 2020,
4 blokken cocaïne op 4 februari 2021 en
15 blokken cocaïne op 21 februari 2021.
Voor die feiten dient de ontoelaatbaarheid uitgesproken te worden.”
4.8
Ook de verdediging heeft voorafgaand aan deze zitting een schriftelijk standpunt overgelegd, dat onder meer luidt:
“Uit de uitleveringsstukken volgt dat de verzoekende autoriteiten de uitlevering van cliënt hebben verzocht voor twee feitencomplexen, te weten:
Feitencomplex 1:
Op 22 nov. 2020, 991,895kg cocaïne, in container [0001] , 1007 blokken, met opschrift [naam 3] . Partij geladen in de haven van Guayaquil in Equador, in het schip [naam 2] met bestemming Antwerpen;
Feitencomplex 2:
Verkoop van een partij cocaïne van 272kg. In november 2020 272 pakketten geladen met o.a. opschriften ' [naam 3] ' in Equador. Op 14 december 2020 zijn de pakketten afgeleverd in de haven van Antwerpen en op 15 december 2020 gelost. Op 18 december zijn de pakketten vervoerd naar een adres in [plaats] (België) Op 19 december 2020 werd de partij met een vrachtwagen met kenteken (…) naar Nederland vervoerd en aldaar overgedragen aan [de opgeëiste persoon] . [de opgeëiste persoon] heeft deze partij verkocht tot begin februari 2021 voor een totaalbedrag van 7.616.500,- euro, (onder V).
Cliënt heeft het strafdossier ontvangen op basis waarvan het vonnis van 10 maart 2023 is gewezen (parketnummer 13/334553-21).
Van belang is om op te merken dat uit artikel 9, eerste lid, (Non bis in idem) van het Europees Verdrag betreffende uitlevering volgt dat de uitlevering niet is toegestaan ter zaken van feiten waarop het verzoek is gegrond door de bevoegde autoriteiten van de aangezochte Partij onherroepelijk is berecht.
En dat (tweede volzin) de uitlevering kan worden geweigerd indien de bevoegde autoriteiten van de aangezochte Partij hebben besloten ter zake van hetzelfde feit of dezelfde feiten geen vervolging in te stellen, dan wel een ingestelde vervolging te staken.
Uit de tweede volzin van het eerste lid van artikel 9 van Pro het Verdrag volgt dat de uitlevering niet alleen wordt geweigerd als een rechter over de betreffende feiten heeft geoordeeld, maar ook als bijvoorbeeld het openbaar ministerie heeft besloten tot het seponeren van de vervolging.
Bij vonnis van 10 maart 2023 is cliënt als gebruiker van de Sky accounts [account 1] en [account 2] is geïdentificeerd. Uit het dossier volgt dat de rechter-commissaris op 31 oktober 2021 (pagina 534) toestemming heeft gegeven voor het doorzoeken van alle communicatie van deze twee Sky accounts over de periode vanaf 3 juli 2020 tot en met 8 maart 2021. De bovengenoemde feitencomplexen vallen in de periode van de datasets die met toestemming van de rechter commissaris zijn verkregen én door het openbaar ministerie zijn beoordeeld en doorzocht. Alle berichten in deze periode zijn dus beoordeeld door het openbaar ministerie (de bevoegde instantie) en uiteindelijk is op basis van al deze communicatie de tenlastelegging opgesteld, en dus cliënt voor een gedeelte van de inhoud van de datasets van de accounts verder is vervolgd en uiteindelijk voor een gedeelte van de communicatie niet. Het openbaar ministerie heeft echter de gehele dataset beoordeeld en besloten om voor een gedeelte niet te vervolgen.
De verdediging stelt zich primair dan ook op het standpunt dat sprake is van een situatie zoals bedoeld in artikel 9, eerste lid, tweede volzin, van het Europese verdrag tot uitlevering, zodat om deze reden de uitlevering van cliënt dient te worden geweigerd. Cliënt heeft reeds diverse malen aangegeven gelet op de huidige politieke situatie en de mensenrechtenschendingen in Montenegro geen enkel vertrouwen te hebben in een eerlijke rechtsgang in Montenegro.
Voorts heeft cliënt (gedeelten) van het strafdossier uit Montenegro ontvangen. Ik stuur u deze stukken in originele taal door, en heb een aantal relevante stukken laten vertalen. Helaas hebben wij geen toestemming van de Raad voor rechtsbijstand ontvangen om alle stukken te laten vertalen.
Bij het vergelijken van het Nederlandse strafdossier met de Montenegrijnse strafdossierstukken volgt dat de inhoud van een aantal berichten overeenkomt, op basis waarvan eveneens tot de conclusie dient te worden gekomen dat Montenegro voor het opstellen van de tenlastelegging en beschuldigingen jegens cliënt uit dezelfde datasets heeft geput.
Ter illustratie van de overeenkomsten in berichten tussen het Nederlandse en Montenegrijnse dossier wordt de volgende passages benoemd:
(…)
Kortom, de Montenegrijnse autoriteiten baseren zich dus op dezelfde dataset van de Sky accounts en deze berichten zijn blijkens het dossier al beoordeeld door het openbaar ministerie.
Het feit dat de Montenegrijnse autoriteiten geen concreet antwoord geven op de gestelde vragen, dient voorts niet voor rekening en risico van cliënt te komen.
Primair handhaaft de verdediging het standpunt dat de vordering dient te worden afgewezen en de uitlevering van cliënt aan Montenegro niet toe te staan.
Subsidiair is het verzoek, mede gelet op het subsidiaire standpunt van het openbaar ministerie, om concreet aan de Montenegrijnse autoriteiten een garantie te vragen dat cliënt niet wordt vervolgd voor de feiten waarvoor ook door het openbaar ministerie een ne bis idem situatie wordt aangenomen. Deze vraag kan op een concrete wijze worden gesteld en die vraag moet door de Montenegrijnse op een gemakkelijke en duidelijke wijze kunnen worden beantwoord.”
4.9
Het proces-verbaal van de zitting van 15 januari 2026 houdt verder het volgende in:
“De officier van justitie persisteert zowel bij zijn vordering om de verzochte uitlevering van de opgeëiste persoon aan Montenegro toelaatbaar te verklaren, als bij de vordering tot verlenging van de gevangenhouding van de opgeëiste persoon. De officier van justitie verklaart hiertoe onder meer als volgt:
Het Openbaar Ministerie stelt zich primair op het standpunt dat de uitlevering van de opgeëiste persoon aan Montenegro toelaatbaar is. Aan de wettelijke vereisten is voldaan. Er is ook geen risico op een schending van het ne bis in idem-beginsel, nu de vervolging in Montenegro op andere feiten ziet dan de feiten waarvoor de opgeëiste persoon in Nederland bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 10 maart 2023 onherroepelijk is berecht. De omstandigheid dat zowel in het Nederlandse als in het Montenegrijnse onderzoek gebruik is gemaakt van dezelfde datasets levert geen schending van het ne bis in idem-beginsel op. Ik verwijs hiertoe naar het arrest van de Hoge Raad van 20 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:772. Uit het enkele gegeven dat het Nederlandse Openbaar Ministerie de opgeëiste persoon niet voor alle uit de datasets naar voren gekomen strafbare feiten heeft vervolgd, kan niet worden afgeleid dat het Openbaar Ministerie deze feiten wel heeft beoordeeld en geseponeerd.
Subsidiair kan de uitlevering van de opgeëiste persoon toelaatbaar worden verklaard, met uitzondering van de feiten waarvoor hij bij voornoemd vonnis onherroepelijk is vrijgesproken, te weten het ongeoorloofd produceren, bezitten en in het verkeer brengen van één blok cocaïne op 29 december 2020, vier blokken cocaïne op 4 februari 2021 en vijftien blokken cocaïne op 21 februari 2023.
(…)
De raadsvrouw voert het woord overeenkomstig de inhoud van een door haar overgelegde pleitnota, welke aan dit proces-verbaal is gehecht en waarvan de inhoud als hier ingevoegd moet worden beschouwd. Aanvullend of in afwijking van de pleitnota voert de raadsvrouw onder meer aan:
- pagina 2, punt 6: Dit geldt temeer nu in de Montenegrijnse stukken geen specifieke periode is genoemd waarbinnen de criminele organisatie zou zijn opgericht en de opgeëiste persoon handelingen voor deze organisatie zou hebben verricht.
- pagina 6, punt 23 e.v.: het door de officier van justitie aangehaalde arrest van de Hoge Raad ziet op een andere situatie. Die zaak betrof twee Nederlandse zaken met twee Nederlandse dossiers. Het was in beide zaken duidelijk wat de precieze verdenking was en wanneer die feiten zouden hebben plaatsgevonden. Deze duidelijkheid bestaat in onderhavige zaak niet.
De officier van justitie verklaart in repliek onder meer als volgt:
(…) Tot slot is het niet aan de rechtbank om aan Montenegro garanties te vragen omtrent de vervolging van de opgeëiste persoon voor feiten waarvoor de uitlevering door de Nederlandse rechter eventueel ontoelaatbaar is verklaard. Ook deze bevoegdheid is voorbehouden aan de Minister.”
4.1
De in het proces-verbaal genoemde pleitnota van de raadsvrouw behelst tot slot het volgende (hier weergegeven zonder de voetnoten):

T.a.v. de ne bis in idem
18. Uit zowel de Nederlandse stukken als de Montenegrijnse stukken volgt dat beide verdenkingen zijn gebaseerd op berichten uit de Sky-database. Op 31 oktober 2021 heeft de rechter-commissaris (pagina 534) toestemming heeft gegeven voor het doorzoeken van alle communicatie van deze twee Sky accounts over de periode vanaf 3 juli 2020 tot en met 8 maart 2021. De feitencomplexen van het uitleveringsverzoek vallen in de periode van de datasets die met toestemming van de rechter-commissaris zijn verkregen én door het openbaar ministerie zijn beoordeeld en doorzocht. Alle berichten in deze periode zijn dus beoordeeld door het openbaar ministerie (de bevoegde instantie) en uiteindelijk is op basis van al deze communicatie de tenlastelegging opgesteld, en dus cliënt voor een gedeelte van de inhoud van de datasets van de accounts verder is vervolgd en uiteindelijk voor een gedeelte van de communicatie niet. Het openbaar ministerie heeft echter de gehele dataset beoordeeld en besloten om voor een gedeelte niet te vervolgen.
19. Primair voert de verdediging aan dat sprake is van een dwingende weigeringsgrond als bedoeld in artikel 9, eerste lid, UW. Volgens deze bepaling is uitlevering niet toegestaan voor een feit ter zake waarvan een opgeëiste persoon in Nederland is vervolgd en die vervolging is geëindigd.
20. Cliënt heeft van meet af aan verklaard dat hij voor de strafbare feiten uit de uitlevering al is veroordeeld in Nederland. Bij zijn voorgeleiding verklaart hij dat er geen sprake is van andere of nieuwe feiten. Cliënt heeft aldoor in de veronderstelling verkeerd dat hij in Nederland voor alle feiten uit de Skydata-gesprekken reeds is vervolgd en berecht. De aanhouding van cliënt in de onderhavige zaak en de tekst van het uitleveringsverzoek kwam voor hem dan ook zeer onverwachts en als een schok.
21. Ik heb in het schriftelijke standpunt en hiervoor al de overlap tussen het verzoek tot uitlevering en het Nederlandse dossier benoemd.
22. Onder het ne bis in idem-beginsel naar Nederlands recht wordt, kort samengevat, verstaan het beginsel dat niemand voor een tweede keer mag worden berecht of gestraft voor een strafbaar feit, waarvoor hij reeds overeenkomstig de wet en het procesrecht van enig land bij einduitspraak is veroordeeld of is vrijgesproken. Dit beginsel strekt er toe een ontoelaatbare herhaling van strafvorderlijke activiteiten te voorkomen en toereikende rechtsbescherming te bieden tegen herhaalde oplegging van punitieve sancties terzake van materieel hetzelfde feitencomplex, ongeacht de juridische kwalificatie van deze feiten of het beschermde rechtsbelang.
23. Uit een overzicht van de Europese jurisprudentie volgt dat de uitleg van het ne bis in idem beginsel ruim en dat kwalificatie van strafbare feiten of het nationale beoordelingskader niet doorslaggevend is.
24. In een soortgelijke uitspraak van het Hof van Justitie van de EU (hierna: het Hof) van 12 oktober 2023 over de uitleg van het ne bis in idem-beginsel wordt het volgende overwogen. In deze zaak heeft het Hof zich gebogen over de vraag of de ne bis in idem aldus moet worden uitgelegd dat in het kader van de beoordeling van de eerbiediging van het beginsel enkel rekening moet worden gehouden met de feiten die zijn vermeld in de tenlastelegging en met de feiten in het dictum van het onherroepelijke vonnis dat is gewezen, dan wel ook rekening moet worden gehouden met alle in de motivering van dat vonnis vermelde feiten, daaronder begrepen de feiten waarop de onderzoeksprocedure betrekking had maar die niet in de tenlastelegging zijn opgenomen. Een situatie gelijk aan de situatie in de onderhavige uitleveringszaak.
25. Het Hof begint bij de beantwoording van genoemde vraag omtrent de uitleg van het ne bis in idem-beginsel met te stellen dat volgens vaste rechtspraak van het Hof niet alleen rekening dient te worden gehouden met de bewoordingen van een bepaling, maar ook met haar context en met de doelstellingen die worden nagestreefd met de regeling waarvan zij deel uitmaakt.
26. Voor de toepassing van het beginsel ne bis in idem, zo vervolgt het Hof, moet zijn voldaan aan een tweeledige voorwaarde, namelijk dat er sprake is van een eerdere definitieve beslissing (‘bis’) en dat de eerdere beslissing en de latere vervolgingsmaatregelen of beslissingen betrekking hebben op dezelfde feiten (‘idem’).
27. Het Hof wijst erop dat in de bewoordingen van artikel 54 SUO Pro geen gewag wordt gemaakt van voorwaarden ten aanzien van de factoren die in overweging moeten worden genomen bij het onderzoek van de vraag of de procedure die bij een rechterlijke instantie van een lidstaat aanhangig is, betrekking heeft op dezelfde feiten als de feiten in een eerdere procedure die met een onherroepelijke uitspraak in een andere lidstaat is afgesloten. Daaruit kan dus niet worden afgeleid dat bij de beoordeling van de voorwaarde ‘idem’ uitsluitend rekening moet worden gehouden met de feiten die in het dictum van het vonnis zijn vermeld en dat de feiten die zijn vermeld in de motivering daarvan met het oog op die beoordeling niet in overweging mogen worden genomen.
28. Ten slotte komt het Hof tot de conclusie dat het beginsel aldus moet worden uitgelegd dat de nationale rechterlijke instantie van de andere lidstaat eveneens rekening moet houden met de feiten die in de motivering van het vonnis in de eerste lidstaat zijn vermeld en met alle relevante informatie over de materiële feiten in de eerdere, met een definitieve beslissing afgesloten strafprocedure in de eerste lidstaat. Dat is volgens het Hof immers de enige uitlegging die het mogelijk maakt het doel van het beginsel te laten prevaleren boven procedurele of zuiver formele aspecten. Zo wordt een correcte toepassing van bedoeld verdragsartikel gewaarborgd, aldus het Hof.
29. Gezien vorenstaande, toegepast op deze zaak, verzoekt de verdediging uw rechtbank (primair) om de uitlevering ontoelaatbaar te verklaren wegens schending van het ne bis in idem-beginsel. Voor zowel de Nederlandse als de Montenegrijnse zaak geldt dat in beide gevallen gebruik is gemaakt van dezelfde Sky-database. Deze zelfde berichten zijn bekeken en beoordeeld. Het is inherent aan strafbare feiten rondom de handel in verdovende middelen dat deze handel verschillende stadia kent. Een blok cocaïne maakt een wereldreis en iedere fase kent zijn eigen strafbaarstelling. Dit maakt dat niet kan worden uitgesloten de voorbereidingshandelingen van de Nederlandse zaak zien op de poging tot uitvoer van een en dezelfde blok cocaïne.
30. Subsidiair wordt nogmaals verzocht om de zaak aan te houden en de officier van justitie de opdracht te geven de Montenegrijnse autoriteiten te vragen over de materiële feiten die in de strafrechtelijke vervolging van cliënt in Montenegro centraal staan en of tot garanties kan worden gekomen hoe te voorkomen dat het ne bis in idem-beginsel wordt geschonden.
31. Meer subsidiair verzoekt de verdediging uw rechtbank om op grond van artikel 9, eerste lid, tweede volzin EUV om aan de Minister te adviseren om de verzochte uitlevering te weigeren, nu het openbaar ministerie heeft besloten na grondig onderzoek van de Sky-berichten geen vervolging in te stellen ter zake van het feit waarvoor de uitlevering wordt verzocht. Door het onderzoek Mankok is bij cliënt in redelijkheid het vertrouwen gewekt dat hij voor de feiten waarvoor de uitlevering wordt gevraagd, niet (verder) zou worden vervolgd in Nederland.”

5.De beslissing van de rechtbank

5.1
De uitspraak van de rechtbank van 17 februari 2026 houdt onder meer in (met weglating van een voetnoot):

3.5 Ne bis in idem
Met betrekking tot de door de raadsvrouw gevoerde verweren overweegt de rechtbank als volgt.
Blijkens de door Montenegro overlegde stukken wordt de opgeëiste persoon in Montenegro verdacht van het oprichten van een criminele organisatie en twee strafbare feiten van ongeoorloofde productie, in bezit hebben en in het verkeer brengen van verdovende middelen. Het eerste drugsfeit ziet op een partij cocaïne (991,895 kg) die op 22 november 2020 in Ecuador in een container is aangetroffen. De container, met bestemming Antwerpen (België), is onderschept door de Narcoticabrigade van Ecuador. Het tweede drugsfeit betreft de verkoop van een partij cocaïne (272 kg) die in de periode november 2020 tot halverwege december 2020 vanuit Ecuador via de haven van Antwerpen (België) naar Nederland is vervoerd. Vanaf halverwege december 2020 tot begin februari 2021 zou deze partij cocaïne in Nederland door de opgeëiste persoon zijn verkocht voor een totaalbedrag van € 7.616.500.
In Nederland is de opgeëiste persoon bij onherroepelijk vonnis van 10 maart 2023 door de rechtbank Amsterdam veroordeeld voor - kort gezegd - tweemaal het voorbereiden van de invoer van cocaïne naar Nederland in juli 2020, het aanwezig hebben van een partij cocaïne in september 2020 en de uitvoer van een partij heroïne naar Oostenrijk in de periode van 25 februari 2021 tot en met 1 maart 2021. De opgeëiste persoon is vrijgesproken voor - kort gezegd - het opzettelijk in-Zuitvoeren of aanwezig hebben van:
- (minimaal) 3 blokken/kilogram cocaïne op of omstreeks 28 juli 2020;
- (minimaal) 20 blokken/kilogram cocaïne in of omstreeks de periode van 12 december 2020 tot en met 18 december 2020;
- (minimaal) 1 blik/kilogram cocaïne op of omstreeks 29 december 2020;
- (minimaal) 15 blokken/kilogram cocaïne op of omstreeks 2 februari 2021;
- (minimaal) 22 blokken/kilogram cocaïne in of omstreeks de periode van 1 maart 2021 tot en met 2 maart 2021.
De rechtbank constateert dat zowel in het Nederlandse onderzoek als in het Montenegrijnse onderzoek gebruik is gemaakt van dezelfde datasets verkregen uit dezelfde, aan de opgeëiste persoon toegeschreven, Sky-accounts.
Door de raadsvrouw is allereerst betoogd dat sprake is van een situatie zoals bedoeld in artikel 9, eerste lid onder b UW, nu het Nederlandse Openbaar Ministerie, na het doorzoeken en beoordelen van voornoemde datasets, de feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht niet op de tenlastelegging heeft opgenomen. Met dit besluit is de vervolging van de opgeëiste personen voor deze feiten geëindigd, zodat de uitlevering ontoelaatbaar moet worden verklaard vanwege een schending van het ne bis in idem-beginsel.
De rechtbank stelt voorop dat de uitlevering van de opgeëiste persoon op grond van artikel 9 lid 1 onder Pro b UW niet is toegestaan indien hij voor de feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht reeds in Nederland is vervolgd en een hernieuwde vervolging is uitgesloten op grond van artikel 255, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Hiervan is sprake indien de vervolging is geëindigd met een buitenvervolgingstelling, een kennisgeving van niet verdere vervolging of een verklaring dat de zaak is geëindigd. Naar het oordeel van de rechtbank kan het enkele gegeven dat het Nederlandse Openbaar Ministerie een beperkt aantal uit de datasets naar voren gekomen strafbare feiten op de tenlastelegging heeft opgenomen, op grond van welke de opgeëiste persoon vervolgens in Nederland is vervolgd en berecht, niet tot de conclusie leiden dat het Openbaar Ministerie formeel heeft besloten de opgeëiste persoon voor de overige feiten niet te vervolgen. Anders dan de raadsvrouw heeft bepleit, is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake van een geëindigde vervolging van alle uit de datasets naar voren gekomen strafbare feiten. In zoverre wordt het verweer van de raadsvrouw verworpen.
De raadsvrouw heeft voorts betoogd dat sprake is van een situatie zoals bedoeld in artikel 9, eerste lid onder c UW, nu niet kan worden uitgesloten dat er overlap bestaat tussen de feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht en de feiten waarvoor de opgeëiste persoon in Nederland is vervolgd en berecht.
Op grond van artikel 9 lid 1 onder Pro c en d UW is de uitlevering van de opgeëiste persoon niet toegestaan indien hij voor het feit waarvoor de uitlevering wordt verzocht reeds door de Nederlandse rechter onherroepelijk is vrijgesproken of veroordeeld en de opgelegde straf of maatregel reeds is ondergaan.
Ten aanzien van het eerste drugsfeit waarvoor de uitlevering door Montenegro is verzocht (een partij cocaïne die op 22 november 2020 in Ecuador is aangetroffen), stelt de rechtbank vast dat er geen sprake is van een overlap in de tijd of het handelen van de opgeëiste persoon met de feiten waarvoor de opgeëiste persoon door de Nederlandse rechter bij genoemd vonnis van 10 maart 2023 (onherroepelijk) is vrijgesproken of veroordeeld. Van een situatie zoals bedoeld in artikel 9 lid 1 onder Pro c of d UW is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake. In zoverre wordt het verweer van de raadsvrouw verworpen.
Ten aanzien van het tweede drugsfeit waarvoor de uitlevering door Montenegro is verzocht, overweegt de rechtbank het volgende. Op basis van de door Montenegro overlegde stukken en het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 10 maart 2023 ziet de rechtbank een zodanig verband met betrekking tot de gelijktijdigheid van het handelen en de schuld van de opgeëiste persoon dat niet kan worden uitgesloten dat de opgeëiste persoon in Nederland reeds (onherroepelijk) is berecht voor hetzelfde feit als waarvoor de uitlevering is verzocht. Uit het vonnis van de rechtbank Amsterdam blijkt immers dat verdachte (onder meer) is vrijgesproken van - kort gezegd - het opzettelijk in-/uitvoeren of aanwezig hebben van meerdere blokken cocaïne in de periode van 12 december 2020 tot en met 2 februari 2021, terwijl het feitencomplex waarvoor de uitlevering is verzocht ziet op een partij cocaïne die in de periode van november 2020 tot en met begin februari 2021 vanuit Ecuador, via Antwerpen, naar Nederland is vervoerd en aldaar door de opgeëiste persoon zou zijn verkocht). Ook op basis van de aanvullende informatie van de Montenegrijnse autoriteiten van 24 oktober 2025 kan niet worden uitgesloten dat sprake is van een situatie zoals bedoeld in artikel 9 lid 1 onder Pro c UW. Gelet op voorgaande overwegingen slaagt het verweer van de raadsvrouw, in die zin dat het verzoek tot uitlevering ontoelaatbaar dient te worden verklaard voor zover het betrekking heeft op het tweede strafbare feit van ongeoorloofde productie, in bezit hebben en in het verkeer brengen van verdovende middelen.
Montenegro heeft tot slot de uitlevering van de opgeëiste persoon verzocht wegens het oprichten van een criminele organisatie. Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat het ne bis in idem-beginsel aan een vervolging voor deelname aan een criminele organisatie in de weg staat, als de deelneming van de opgeëiste persoon aan die criminele organisatie op niets anders betrekking heeft dan het begaan van een concreet delict waarvoor de opgeëiste persoon al (onherroepelijk) is vervolgd. Vervolging voor deelname aan een criminele organisatie is volgens de Hoge Raad wel mogelijk als de tenlastelegging ook ziet op andere (deelnemings)gedragingen dan die waarvoor de opgeëiste persoon al is vervolgd. Naar het oordeel van de rechtbank doet deze laatste situatie zich in onderhavige zaak voor. Uit de door Montenegro overlegde stukken blijkt immers dat de verdenking van betrokkenheid bij een criminele organisatie (mede) berust op twee verschillende feitencomplexen. De omstandigheid dat de rechtbank voor één van deze feitencomplexen ne bis in idem heeft aangenomen, betekent derhalve niet dat ook voor het oprichten van een criminele organisatie sprake is van een situatie zoals bedoeld in artikel 9 lid 1 onder Pro c UW. In zoverre wordt het verweer van de raadsvrouw dan ook verworpen.
Gelet op voorgaande overwegingen acht de rechtbank geen gronden aanwezig om nader onderzoek te laten doen naar de feiten waarvoor Montenegro de opgeëiste persoon wenst te vervolgen noch om garanties te verkrijgen dat het ne bis in idem-beginsel niet wordt geschonden. De rechtbank in het voorgaande evenmin aanleiding om de minister conform het bepaalde in artikel 9, eerste lid, tweede volzin, EUV te adviseren om uitlevering te weigeren wegens een gerechtvaardigd vertrouwen van de opgeëiste persoon dat hij voor de feiten waarvoor de uitlevering wordt gevraagd, niet (verder) zou worden vervolgd.”

6.Het juridisch kader

6.1
Vooropgesteld moet worden dat het voorliggende uitleveringsverzoek van Montenegro in de eerste plaats wordt beheerst door het Europees Verdrag betreffende uitlevering (hierna: EUV), dat – in geval van strijdigheid – voorgaat op de bepalingen van de UW. [2] Art. 9 lid 1 EUV Pro bepaalt:
“Uitlevering wordt niet toegestaan, wanneer de persoon wiens uitlevering is verzocht, ter zake van het feit of van de feiten waarop dit verzoek was gegrond, door de bevoegde autoriteiten van de aangezochte Partij onherroepelijk is berecht. Uitlevering kan worden geweigerd, indien de bevoegde autoriteiten van de aangezochte Partij hebben besloten ter zake van hetzelfde feit of dezelfde feiten geen vervolging in te stellen, dan wel een ingestelde vervolging te staken.”
6.2
Het ‘Explanatory Report’ van de Raad van Europa houdt over deze bepaling het volgende in:
“The first sentence of this article, which is mandatory, covers the case of a person on whom final judgment has been passed, i.e. who has been acquitted, pardoned, or convicted. Extradition should therefore be refused because it is no longer possible to re-open the case, the judgment in question having acquired the authority of
res judicata.
The word “final” used in this article indicates that all means of appeal have been exhausted. It was understood that judgment by the Court is not to be considered a final judgment, nor is judgment
ultra vires.”
6.3
Art. 9 EUV Pro dwingt tot weigering van de uitlevering in geval van onherroepelijke berechting – vrijspraak (waaronder ook ontslag van alle rechtsvervolging valt) of veroordeling – wegens hetzelfde feit in de aangezochte staat. [3]
6.4
Deze regeling komt qua strekking goeddeels overeen met art. 9 UW Pro [4] dat – voor zover hier van belang – luidt:
“1. Uitlevering van de opgeëiste persoon wordt niet toegestaan voor een feit terzake waarvan:
(…)
b. hij in Nederland is vervolgd maar hernieuwde vervolging is uitgesloten op grond van artikel 255, eerste of tweede lid, of artikel 255a, eerste of tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering onderscheidenlijk artikel 282, eerste en tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering BES;
c. hij bij gewijsde van de Nederlandse rechter is vrijgesproken of ontslagen van rechtsvervolging, dan wel te zijnen aanzien een overeenkomstige onherroepelijke beslissing door een andere rechter is genomen;
d. hij bij rechterlijk gewijsde is veroordeeld, in gevallen waarin:
1. de opgelegde straf of maatregel reeds is ondergaan, of
2. die straf of maatregel niet voor onmiddellijke tenuitvoerlegging of verdere tenuitvoerlegging vatbaar is, of
3. de veroordeling een schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel inhoudt, dan wel
4. het gewijsde afkomstig is van de Nederlandse rechter en niet bij verdrag voor zodanig geval de bevoegdheid tot uitlevering is voorbehouden;”
6.5
Het bovenstaande houdt in dat de uitleveringsrechter de uitlevering ontoelaatbaar moet verklaren in geval van (onder meer) een onherroepelijke vrijspraak of veroordeling door een Nederlandse rechter voor hetzelfde feit. Bij de beoordeling daarvan wordt aangesloten bij het nationale feitsbegrip van art. 68 Sr Pro. [5] In een arrest van 20 mei 2025 [6] heeft de Hoge Raad de daarvoor toepasselijke toetsingsmaatstaf uit zijn arrest van 1 februari 2011 [7] nogmaals herhaald. Ik citeer uit rechtsoverweging 2.4.2:
“Bij de beoordeling of sprake is van ‘hetzelfde feit’, moet de rechter in de situatie waarop artikel 68 Sr Pro ziet de in beide tenlasteleggingen omschreven verwijten vergelijken. Bij die toetsing moeten de volgende gegevens als relevante vergelijkingsfactoren worden betrokken.
(A) De juridische aard van de feiten. Als de tenlastegelegde feiten niet onder dezelfde delictsomschrijving vallen, kan de mate van verschil tussen de strafbare feiten van belang zijn, in het bijzonder wat betreft (i) de rechtsgoederen ter bescherming waarvan de onderscheiden delictsomschrijvingen strekken, en (ii) de strafmaxima die op de onderscheiden feiten zijn gesteld, in welke strafmaxima onder meer tot uitdrukking komt de aard van het verwijt en de kwalificatie als misdrijf dan wel overtreding.
(B) De gedraging van de verdachte. Als de tenlasteleggingen niet dezelfde gedraging beschrijven, kan de mate van verschil tussen de gedragingen van belang zijn, zowel wat betreft de aard en de kennelijke strekking van de gedragingen als wat betreft de tijd waarop, de plaats waar en de omstandigheden waaronder zij zijn verricht.
Uit de bewoordingen van het begrip ‘hetzelfde feit’ vloeit al voort dat de beantwoording van de vraag wat daaronder moet worden verstaan, mede wordt bepaald door de omstandigheden van het geval. Vuistregel is echter dat een aanzienlijk verschil in de juridische aard van de feiten en/of in de gedragingen tot de slotsom kan leiden dat geen sprake is van ‘hetzelfde feit’ in de zin van artikel 68 Sr Pro. (Vgl. HR 1 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BM9102.)”
6.6
In de rechtspraak van de Hoge Raad ben ik een aantal uitleveringszaken tegengekomen waarin de vraag voorlag of de uitlevering toelaatbaar was in het licht van de ne bis in idem-weigeringsgrond. In die zaken ging het – net als in de voorliggende zaak – telkens om internationale drugsfeiten. Ik wijs ten eerste op de zaken die leidden tot de arresten van 10 september [8] en 19 november 1996 [9] . De opgeëiste personen waren eerder door het hof Amsterdam onherroepelijk berecht voor feiten die onder meer betrekking hadden op het vanuit Venezuela opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van ongeveer 955 kilogram cocaïne. Dit transport was via Griekenland gegaan. Het uitleveringsverzoek van de Griekse autoriteiten inzake T.C. had onder meer betrekking op de invoer en opslag van diezelfde partij cocaïne in Griekenland. Nadat de rechtbank de uitlevering ten aanzien daarvan toelaatbaar had verklaard, oordeelde de Hoge Raad dat een zodanig verband bestaat met betrekking tot de gelijktijdigheid van de gedraging en de wezenlijke samenhang in het handelen en de schuld van de betrokkene dat moet worden aangenomen dat de opgeëiste persoon voor dezelfde feiten in de zin van art. 9 EUV Pro als waarvoor zijn uitlevering is verzocht reeds door de Nederlandse rechter onherroepelijk is berecht. In de zaak G.P. werd door de Griekse autoriteiten de uitlevering verzocht vanwege onder meer de aankoop van 1000 kilogram cocaïne in Caracas. De Hoge Raad oordeelde dat ook tussen de feiten waarvoor G.P. bij onherroepelijk arrest van het hof Amsterdam onherroepelijk is berecht en de in het uitleveringsverzoek bedoelde aankoop van cocaïne een zodanig verband bestaat met betrekking tot de gelijktijdigheid van de gedraging en de wezenlijke samenhang in het handelen en de schuld dat moet worden aangenomen dat de opgeëiste persoon daarvoor reeds door de Nederlandse rechter onherroepelijk is berecht. Daarnaast werd uitlevering verzocht voor de verkoop van 27 kilo cocaïne in Athene. Ook ten aanzien van dat feit nam de Hoge Raad ‘hetzelfde feit’ aan. Daarbij nam de Hoge Raad in aanmerking dat deze 27 kilo cocaïne deel uitmaakte van dezelfde partij waarvan een hoeveelheid van 973 kilo door de opgeëiste persoon was uitgevoerd naar Amsterdam, en dat het hof Amsterdam in de onherroepelijke strafzaak de bewezenverklaring onder meer had doen steunen op een verklaring van de opgeëiste persoon over een gedraging met betrekking tot de hoeveelheid van 27 kilo cocaïne die nauw verband hield met de in het uitleveringsverzoek bedoelde verkoop van die hoeveelheid in Athene. De Hoge Raad verklaarde de uitlevering ontoelaatbaar.
6.7
Voorts noem ik een arrest van 19 december 2000 [10] , waarin een verzoek tot uitlevering ten behoeve van strafvervolging voor uitlokking van invoer van cocaïne uit Nederland in Turkije voorlag. De verdenking luidde dat de opgeëiste persoon op 20 januari 1999 in Amsterdam circa 500 gram cocaïne had afgeleverd aan een medeverdachte, die de cocaïne vervolgens per vliegtuig had ingevoerd in Turkije. Een dag voor de uitspraak van de uitleveringsrechter was de opgeëiste persoon veroordeeld door de rechtbank Amsterdam voor het op 20 januari 1999 in Amsterdam en elders in Nederland tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen van ongeveer 550 gram cocaïne. De uitleveringsrechter oordeelde dat het uitleveringsverzoek op dezelfde feiten betrekking had, maar dat dit geen grond voor ontoelaatbaarverklaring vormde, omdat het vonnis nog niet onherroepelijk was. De opgeëiste persoon ging tegen deze beslissing in cassatie. Uit inlichtingen die de A-G had ingewonnen bleek dat de veroordeling inmiddels in kracht van gewijsde was gegaan. De Hoge Raad stelde voorop dat in de bestreden uitspraak besloten lag dat tussen het door de rechtbank Amsterdam bewezenverklaarde feit en het in het uitleveringsverzoek omschreven feit een zodanig verband bestaat met betrekking tot de gelijktijdigheid van de gedragingen en de wezenlijke samenhang in het handelen en de schuld van de opgeëiste persoon dat moet worden aangenomen dat de opgeëiste persoon in Nederland is berecht voor hetzelfde feit – in de zin van art. 9 EUV Pro – als waarvoor zijn uitlevering is verzocht. De Hoge Raad oordeelde vervolgens dat, uitgaande van de juistheid van de mededelingen van de A-G, moest worden aangenomen dat de opgeëiste persoon voor ditzelfde feit onherroepelijk was berecht en verklaarde de uitlevering ontoelaatbaar.
6.8
De maatstaf die de Hoge Raad in deze zaken hanteerde is of tussen het feit waarvoor de opgeëiste persoon reeds is berecht en het in het uitleveringsverzoek omschreven feit een zodanig verband bestaat met betrekking tot de gelijktijdigheid van de gedragingen en de wezenlijke samenhang in het handelen en de schuld van de opgeëiste persoon dat moet worden aangenomen dat de opgeëiste persoon in Nederland is berecht voor hetzelfde feit als waarvoor zijn uitlevering is verzocht. Daarmee sloot de Hoge Raad aan bij de invulling die het nationale feitsbegrip nog kreeg vóór zijn arrest van 1 februari 2011, waarin de toetsingsmaatstaf voor hetzelfde feit in de zin van art. 68 Sr Pro werd verduidelijkt. [11] Deze verduidelijking brengt geen inhoudelijke verandering met zich. De Hoge Raad merkte in dat verband op dat de Europese rechtspraak op het gebied van ne bis in idem geen aanleiding geeft tot een inhoudelijke verandering. [12] In de literatuur worden niettemin verschillen geconstateerd tussen de Nederlandse toetsingsmaatstaf en de feitelijke uitleg die het ne bis in idem-beginsel in Europese rechtspraak krijgt. [13] Die verschillen lijken in de praktijk, in ieder geval bij drugsdelicten, echter niet tot andere uitkomsten te leiden. Bemelmans signaleert – net als A-G Aben [14] – dat de Hoge Raad in drugszaken de feitelijke component vooropzet bij de beoordeling of sprake is van hetzelfde feitencomplex. Voor die beoordeling is onder meer van belang of het om (grotendeels) dezelfde partij verdovende middelen gaat. [15] Gaat het om verschillende partijen drugs, dan is zowel naar Nederlands recht als naar Europees recht geen sprake van hetzelfde feit. In dat geval gaat het hoogstens om het op eenzelfde wijze meermalen plegen van soortgelijke drugsdelicten. [16]

7.Het cassatiemiddel dat namens het openbaar ministerie is voorgesteld

7.1
Het middel dat namens het openbaar ministerie is voorgesteld komt op tegen het oordeel van de rechtbank tot ontoelaatbaarverklaring van de uitlevering van het in het verzoek als tweede genoemde drugsfeit, dat ziet op de verkoop van 272 kilo cocaïne in Nederland in de tweede helft van december 2020 tot begin februari 2021. De rechtbank heeft ten aanzien daarvan overwogen dat niet kan worden uitgesloten dat de opgeëiste persoon in Nederland reeds (onherroepelijk) is berecht voor ditzelfde feit. Het middel klaagt dat dit oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en onbegrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd is.
7.2
Uit het hiervoor onder randnummer 4.2 opgenomen vonnis van de rechtbank Amsterdam volgt dat de opgeëiste persoon veroordeeld is voor:
- het aanwezig hebben van twintig blokken cocaïne in september 2020 in Nederland;
- de uitvoer van heroïne in de periode van 25 februari 2021 tot en met 1 maart 2021 in Nederland;
- het voorbereiden van de invoer van cocaïne in Nederland in de periode van 9 juli 2020 tot en met 20 juli 2020 in Nederland en/of België.
7.3
Bij voormeld vonnis is de opgeëiste persoon vrijgesproken van (kort gezegd) het in Nederland, België, Engeland, Spanje, Oostenrijk en/of Colombia (voorbereiden van het) invoeren/uitvoeren/aanwezig hebben van:
- (minimaal) 3 blokken cocaïne op of omstreeks 28 juli 2020;
- (minimaal) 20 blokken cocaïne in of omstreeks de periode van 12 december 2020 tot en met 18 december 2020;
- (minimaal) 1 blok cocaïne op of omstreeks 29 december 2020;
- (minimaal) 4 blokken cocaïne op of omstreeks 4 februari 2021;
- (minimaal) 15 blokken cocaïne op of omstreeks 21 februari 2021;
- (minimaal) 22 blokken cocaïne in of omstreeks de periode van 1 maart 2021 tot en met 2 maart 2021.
7.4
De rechtbank heeft uit bedoeld vonnis van de rechtbank Amsterdam afgeleid dat de opgeëiste persoon (onder meer) is vrijgesproken van – kort gezegd – het opzettelijk in-/uitvoeren of aanwezig hebben van meerdere blokken cocaïne in de periode van 12 december 2020 tot en met 2 februari 2021, terwijl het feitencomplex waarvoor de uitlevering is verzocht ziet op een partij cocaïne die in de periode van november 2020 tot en met begin februari 2021 vanuit Ecuador, via Antwerpen, naar Nederland is vervoerd en aldaar door de opgeëiste persoon zou zijn verkocht. De rechtbank ziet op basis van dit vonnis en de Montenegrijnse uitleveringsstukken een zodanig verband met betrekking tot de gelijktijdigheid van het handelen en de schuld van de opgeëiste persoon dat niet kan worden uitgesloten dat de opgeëiste persoon in Nederland reeds (onherroepelijk) is berecht voor hetzelfde feit als waarvoor de uitlevering is verzocht. Ook op basis van de aanvullende informatie die de Montenegrijnse autoriteiten op 24 oktober 2025 hebben verstrekt kan volgens de rechtbank niet worden uitgesloten dat sprake is van een situatie zoals bedoeld in art. 9 lid 1 onder Pro c UW. De rechtbank heeft vervolgens het verzoek tot uitlevering ontoelaatbaar verklaard voor zover het betrekking heeft op het tweede drugsfeit.
7.5
Het middel voert ten eerste aan dat de rechtbank bij de vergelijking van de feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht en de feiten waarvoor de opgeëiste persoon reeds onherroepelijk is berecht is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. Daarover klaagt het middel mijns inziens terecht. Dat licht ik als volgt toe. Door in haar beoordeling gewicht toe te kennen aan de gelijktijdigheid van het handelen en de schuld van de opgeëiste persoon heeft de rechtbank kennelijk in zoverre aansluiting gezocht bij de toetsingsmaatstaf voor ‘hetzelfde feit’ in de zin van art. 68 Sr Pro zoals deze luidde vóór het arrest van de Hoge Raad van 1 februari 2011. Nu het beoordelingskader van art. 68 Sr Pro in dit arrest niet is aangepast maar slechts is verduidelijkt, lijkt mij dat op zichzelf bezien niet bezwaarlijk. Door vervolgens te oordelen dat “niet kan worden uitgesloten” dat sprake is van ‘hetzelfde feit’ en van een situatie in de zin van art. 9 lid 1 onder Pro c UW heeft de rechtbank naar mijn inzicht deze toetsingsmaatstaf echter op onjuiste wijze toegepast. In de uitleveringszaken die ik in randnummers 6.6-6.7 heb besproken (die beide dateren van vóór het arrest van 1 februari 2011), heeft de Hoge Raad telkens de toets gehanteerd of een zodanig verband bestaat met betrekking tot de gelijktijdigheid van de gedragingen en de wezenlijke samenhang in het handelen en de schuld van de opgeëiste persoon dat “moet worden aangenomen” dat de opgeëiste persoon in Nederland is berecht voor hetzelfde feit als waarvoor zijn uitlevering wordt verzocht. Daaruit volgt dat de uitlevering voor een feit pas ontoelaatbaar kan worden verklaard wanneer “moet worden aangenomen” dat de opgeëiste persoon reeds voor hetzelfde feit onherroepelijk is berecht. Dat betreft in mijn optiek een ander, beperkter, beoordelingskader dan dat besloten ligt in het door de rechtbank gehanteerde, ruimer geformuleerde, criterium dat uitlevering ontoelaatbaar is wanneer “niet kan worden uitgesloten” dat de opgeëiste persoon reeds voor hetzelfde feit onherroepelijk is berecht. Het oordeel van de rechtbank geeft in zoverre blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
7.6
Het middel klaagt ten tweede over de begrijpelijkheid van de beslissing van de rechtbank om de uitlevering voor het tweede drugsfeit ontoelaatbaar te verklaren. Het is de steller van het middel in het bijzonder te doen om de overweging van de rechtbank dat sprake is van hetzelfde feit, nu uit het vonnis van de rechtbank Amsterdam in de Nederlandse strafzaak blijkt dat de opgeëiste persoon (onder meer) is vrijgesproken van het opzettelijk in-/uitvoeren of aanwezig hebben van meerdere blokken cocaïne in de periode van 12 december 2020 tot en met 2 februari 2021. Geklaagd wordt dat deze overweging onbegrijpelijk is in het licht van het schriftelijk standpunt van de officier van justitie. Dat standpunt houdt onder meer in dat de bewezenverklaring en de vrijspraken in de Nederlandse strafzaak voor het overgrote deel feiten betreft in de periode vóór november 2020 en dat slechts voor een klein deel van de vrijgesproken feiten in de Nederlandse strafzaak mogelijk sprake is van overlap. De officier van justitie heeft er daarbij op gewezen dat de vrijspraak van het ten laste gelegde invoeren/uitvoeren/aanwezig hebben van (minimaal) 20 blokken cocaïne in of omstreeks de periode van 12 december 2020 tot en met 18 december 2020 betrekking heeft op een andere drugslading, die per schip op 17 december 2020 is aangekomen in Antwerpen.
7.7
Ook op dit punt meen ik dat het middel slaagt. Het uitleveringsverzoek ziet op de verkoop van 272 kilo cocaïne in Nederland in de periode van medio december 2020 tot en met begin februari 2021. Uit de uitleveringsstukken maak ik op dat deze cocaïne op 14 december 2020 per schip in Antwerpen is aangekomen en op 19 december 2020 is getransporteerd naar Nederland. Daarmee is evident dat dit om een ander transport gaat dan het transport waarvan bovengenoemde 20 blokken cocaïne afkomstig zijn, waarvan de opgeëiste persoon is vrijgesproken. Gelet hierop en hetgeen hierover door de officier van justitie – onder verwijzing naar het vonnis en het requisitoir in de Nederlandse strafzaak – naar voren is gebracht, is niet zonder meer begrijpelijk waarom de rechtbank dit feit kennelijk heeft betrokken in haar oordeel dat sprake is van hetzelfde feit.
7.8
Dat betekent dat onder de streep alleen overlap bestaat tussen het feit waarvoor de uitlevering wordt verzocht en de vrijspraak van het invoeren/uitvoeren/aanwezig hebben van:
- (minimaal) 1 blok cocaïne op of omstreeks 29 december 2020;
- (minimaal) 4 blokken cocaïne op of omstreeks 4 februari 2021.
7.9
Hoewel op grond van de voorhanden stukken onmogelijk met zekerheid is vast te stellen dat deze (in totaal) 5 blokken van telkens 1 kilo cocaïne afkomstig zijn uit de partij van 272 kilo waarop het uitleveringsverzoek betrekking heeft, kan ten aanzien hiervan – in het voordeel van de verdachte – worden gezegd dat een dermate nauw verband tussen de gelijktijdigheid van de gedragingen en de wezenlijke samenhang in het handelen en de schuld van de opgeëiste persoon bestaat dat moet worden aangenomen dat het om hetzelfde feit gaat. Tot een volledige ontoelaatbaarverklaring van de uitlevering voor dit tweede drugsfeit hoeft dat mijns inziens echter niet te leiden. Deze 5 blokken betreffen immers slechts een fractie van de verkochte 272 kilo waarvoor de uitlevering wordt verzocht. Een ongeclausuleerde ontoelaatbaarverklaring lijkt mij tegen deze achtergrond zeer onwenselijk en een te vergaande inperking van de interstatelijke plicht tot uitlevering, die ten grondslag ligt aan uitleveringsverdragen als het EUV (zie art. 1 EUV Pro) en vooropstaat bij de behandeling van uitleveringsverzoeken. [17]
7.1
Een en ander brengt mee dat het middel slaagt. De Hoge Raad kan mijns inziens op grond van art. 31 lid 8 UW Pro zonder in een nieuw onderzoek naar de feiten te treden de uitspraak van de rechtbank gedeeltelijk vernietigen doen wat de rechtbank had behoren te doen.

8.De cassatiemiddelen die namens de opgeëiste persoon zijn voorgesteld

Het eerste middel

8.1
Het eerste middel dat namens de opgeëiste persoon is voorgesteld bevat de klacht dat het oordeel van de rechtbank dat geen sprake is van schending van het ne bis in idem-beginsel ten aanzien van het in het uitleveringsverzoek genoemde eerste drugsfeit blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel dat dat oordeel onbegrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd is.
8.2
Het middel lijkt in de eerste plaats te betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat een situatie als bedoeld in art. 9 lid 1 onder Pro b UW zich hier niet voordoet.
8.3
Het eerste drugsfeit in het uitleveringsverzoek gaat concreet om betrokkenheid bij een lading van 991,895 kilo cocaïne die op 22 november 2020 is onderschept in een container op een schip in de haven van Guayaquil (Ecuador). De verdediging heeft primair betoogd dat de vervolging van de opgeëiste persoon voor deze feiten reeds in Nederland is geëindigd, zodat de uitlevering op grond van art. 9 lid 1 onder Pro b UW ontoelaatbaar moet worden verklaard. Daartoe is naar voren gebracht dat de Montengrijnse verdenkingen voortspruiten uit dezelfde Sky ECC-datasets waarop de verdenkingen in de Nederlandse strafzaak zijn gestoeld. Het openbaar ministerie heeft dus ook de chats beoordeeld die ten grondslag liggen aan de Montenegrijnse verdenkingen, maar heeft deze feiten vervolgens niet in de tenlastelegging in de Nederlandse strafzaak opgenomen. Daaruit moet volgens de verdediging worden afgeleid dat het openbaar ministerie heeft besloten de opgeëiste persoon voor deze feiten niet te vervolgen en dat met dit besluit de vervolging van de opgeëiste persoon voor deze feiten is geëindigd als bedoeld in art. 9 lid 1 tweede Pro volzin EUV en art. 9 lid 1 onder Pro b UW.
8.4
De rechtbank heeft dit verweer verworpen. Naar het oordeel van de rechtbank kan het enkele gegeven dat het openbaar ministerie een beperkt aantal uit de datasets naar voren gekomen strafbare feiten op de tenlastelegging heeft opgenomen, op grond waarvan de opgeëiste persoon vervolgens in Nederland is vervolgd en berecht, niet tot de conclusie leiden dat het openbaar ministerie formeel heeft besloten de opgeëiste persoon voor overige feiten die uit die datasets naar voren komen niet te vervolgen. Dat oordeel komt mij niet onjuist of onbegrijpelijk voor en is ook voldoende gemotiveerd.
8.5
In de tweede plaats klaagt het middel over het oordeel van de rechtbank dat geen sprake is van een overlap tussen bovengenoemd drugsfeit in de Montenegrijnse strafzaak en de feiten waarvoor hij in de Nederlandse strafzaak bij vonnis van 10 maart 2023 onherroepelijk is vrijgesproken of veroordeeld, zodat van een situatie als bedoeld in art. 9 lid 1 onder Pro c of d UW geen sprake is en de uitlevering in zoverre toelaatbaar is.
8.6
De verdediging heeft het subsidiaire verweer gevoerd dat niet kan worden uitgesloten dat de voorbereidingshandelingen die in de Nederlandse zaak centraal stonden zien op dezelfde cocaïne waarop het uitleveringsverzoek betrekking heeft, omdat het strafbare feit van internationale drugshandel wordt gekenmerkt door verschillende stadia, die elk een separate strafbaarstelling kennen.
8.7
De rechtbank heeft ten aanzien van het eerste drugsfeit in het uitleveringsverzoek geoordeeld dat geen sprake is van een overlap in de tijd of het handelen van de opgeëiste persoon met de feiten waarvoor hij door de Nederlandse rechter is vrijgesproken of veroordeeld en heeft het verweer van de verdediging in zoverre verworpen.
8.8
In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat de rechtbank de beoordeling of sprake is van ‘hetzelfde feit’ te beperkt heeft verricht en daarbij geen oog heeft gehad voor de invulling die in de rechtspraak van het Hof van Justitie wordt gegeven aan dit begrip. Volgens de steller van het middel komt zowel de juridische aard, alsook de feitelijke aard en kennelijke strekking van de verweten gedragingen overeen en is aldus sprake van zodanige samenhang en verwevenheid tussen de verschillende vervolgingen, dat sprake is van ‘hetzelfde feit’. Het enkele feit dat sprake is van andere pleegperiodes, dan wel andere transportmomenten, doet daaraan niet af, aldus de steller van het middel.
8.9
Daarover klaagt het middel mijns inziens tevergeefs. Zoals gezegd betreft het feit waarvoor de uitlevering wordt verzocht een lading van ruim 991 kilo cocaïne die op 22 november 2020 is onderschept in Ecuador. Deze cocaïne heeft nooit Europa bereikt. Dat brengt mee dat de gedragingen waarvoor de opgeëiste persoon in de Nederlandse strafzaak terechtstond zagen op een (of meerdere) andere partij(en) cocaïne. Zoals ik reeds onder randnummer 6.8 uiteengezet heb, kan bij gedragingen die betrekking hebben op verschillende partijen drugs geen sprake zijn van ‘hetzelfde feit’. Hoewel het Unierecht hier strikt genomen niet aan de orde is [18] , merk ik daarbij, naar aanleiding van de toelichting op het middel, op dat een Unierechtelijke invulling van de ne bis in idem-maatstaf niet tot een andere uitkomst noopt. Het bestreden oordeel van de rechtbank geeft aldus geen blijk van een verkeerde toepassing van het juridisch kader te dezen. Dat oordeel is voorts niet onbegrijpelijk en – mede in het licht van het gevoerde verweer – toereikend gemotiveerd.
8.1
Het eerste middel faalt in beide onderdelen.
Het tweede middel
8.11
Het tweede middel keert zich tegen de beslissing van de rechtbank tot toelaatbaarverklaring van de uitlevering voor het feit van deelname aan een criminele organisatie.
8.12
De rechtbank heeft daarbij vooropgesteld dat uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat het ne bis in idem-beginsel aan een vervolging voor deelname aan een criminele organisatie in de weg staat, als die deelneming op niets anders betrekking heeft dan het begaan van een concreet delict waarvoor de opgeëiste persoonlijk al (onherroepelijk) is vervolgd. Vervolging voor deelname aan een criminele organisatie is wel mogelijk als de tenlastelegging ook ziet op andere (deelnemings)gedragingen dan die waarvoor de opgeëiste persoon al is vervolgd. Volgens de rechtbank doet die laatste situatie zich hier voor, nu de verdenking van betrokkenheid bij een criminele organisatie (mede) berust op de twee drugsfeiten die in het uitleveringsverzoek zijn genoemd. Dat de rechtbank de uitlevering voor het tweede drugsfeit ontoelaatbaar heeft verklaard wegens schending van het ne bis in idem-beginsel, betekent naar het oordeel van de rechtbank derhalve niet dat sprake is van een situatie als bedoeld in art. 9 lid 1 onder Pro c UW.
8.13
In het verlengde van het standpunt dat de uitlevering voor het eerste drugsfeit ontoelaatbaar had moeten worden verklaard (zie het eerste middel), voert de steller van het middel aan dat de rechtbank de uitlevering voor deelname aan een criminele organisatie evenzo ontoelaatbaar had moeten verklaren, omdat de vervolging voor dit feit dan op niets ander betrekking zou hebben dan het begaan van een concreet delict waarvoor de opgeëiste persoon reeds (onherroepelijk) is vervolgd. Voorts bepleit de steller van het middel dat de rechtbank had moeten motiveren waarom bij de beoordeling of sprake is van ‘hetzelfde feit’ meer gewicht is toegekend aan het tweede drugsfeit, waarvoor geen schending van het ne bis in idem-beginsel is aangenomen, dan aan het eerste drugsfeit.
8.14
Reeds gelet op mijn conclusie dat het eerste middel faalt en het middel van het openbaar ministerie slaagt, hetgeen betekent dat de uitlevering voor beide drugsfeiten (grotendeels) toelaatbaar is, treft dit middel geen doel.

9.Slotsom

9.1
Het namens het openbaar ministerie voorgestelde middel slaagt. De namens de opgeëiste persoon voorgestelde middelen falen en kunnen mijns inziens worden afgedaan met een aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering.
9.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
9.3
Deze conclusie strekt tot:
- vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor wat betreft de beslissing van de rechtbank dat de uitlevering “voor het overige” ontoelaatbaar is,
- toelaatbaarverklaring van de uitlevering ter strafvervolging van: de ongeoorloofde productie, in bezit hebben en in het verkeer brengen van verdovende middelen, voor zover dit feit ziet op de verkoop van 267 kilo cocaïne in Nederland in de periode van medio december 2020 tot en met begin februari 2021;
- ontoelaatbaarverklaring van de uitlevering voor het overige, en
- verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Aan de uitspraak is een advies aan de minister gehecht. Het advies zoals dit zich bij de aan de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindt, is echter niet compleet (de laatste pagina van dit advies ontbreekt). Uit de uitspraak maak ik op dat de rechtbank aanleiding ziet om de minister te adviseren om, bij daadwerkelijke inwilliging van het uitleveringsverzoek, de Montenegrijnse autoriteiten garanties te vragen ten aanzien van de detentieomstandigheden van de opgeëiste persoon.
2.Gelet op art. 94 van Pro de Grondwet vinden binnen het Koninkrijk geldende wettelijke voorschriften immers geen toepassing als deze niet verenigbaar zijn met een ieder verbindende bepalingen van verdragen, vgl. HR 17 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:448, rov. 3.4.2. Zie verder bijv. J. Remmelink,
3.V.H. Glerum & N. Rozemond, ‘Uitlevering’, in: R. van Elst en E. van Sliedregt (red.),
4.Zie voor een uiteenzetting van de verschillen tussen de reikwijdte van art. 9 lid 1 EUV Pro enerzijds en art. 9 lid 1 UW Pro anderzijds V.H. Glerum,
5.Glerum & Rozemond,
8.ECLI:NL:HR:1996:ZD0219, nr. 103.233 U,
11.Rov. 2.2.3. Voor zover ik kan overzien heeft de Hoge Raad na 2011 geen uitleveringszaken waarin een schending van het ne bis in idem-beginsel speelde met een inhoudelijke motivering afgedaan.
12.Rov. 2.8. Het ne bis in idem-beginsel wordt in de EU beschermd door art. 54 Schengen Pro Uitvoeringsovereenkomst (hierna: SUO) en art. 50 Handvest Pro van de Grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest). Het ne bis in idem-beginsel is voorts neergelegd in art. 4 van Pro het Zevende Protocol bij het EVRM, dat Nederland niet heeft geratificeerd.
13.Zie o.a. Bemelmans,
14.Conclusie vóór HR 26 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL6663, randnr. 4.4.2.
15.Zie voormelde conclusie van A-G Aben, waarin hij de arresten van de Hoge Raad van 10 september en 19 november 1996 analyseert. Vgl. tevens de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: Hof van Justitie) van 28 september 2006, C-150/05 (
16.Bemelmans,
17.Zie over die uitleveringsplicht en de uitzonderingen daarop: Glerum,
18.Montenegro is geen EU-lidstaat. Zie Ouwerkerk,