Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2. Beoordeling van de cassatiemiddelen die namens de opgeëiste persoon zijn voorgesteld
3. Beoordeling van het cassatiemiddel dat namens het openbaar ministerie is voorgesteld
4.Beslissing
17 maart 2026.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland over een uitleveringsverzoek van de Verenigde Staten van Amerika. De opgeëiste persoon wordt verdacht van medeplichtigheid door aansporing tot moord, medeplichtigheid door steun achteraf aan moord en samenzwering om moord te plegen. De rechtbank verklaarde de uitlevering toelaatbaar voor de eerste en derde feiten, maar ontoelaatbaar voor het feit van medeplichtigheid door steun achteraf (accessory after the fact of murder), omdat dit feit in Nederland wordt bestraft met een gevangenisstraf van maximaal zes maanden, wat niet voldoet aan de vereiste van een straf van meer dan één jaar.
Het openbaar ministerie stelde cassatie in tegen dit deel van de uitspraak. De Hoge Raad oordeelde dat de rechtbank ten onrechte niet had meegewogen dat op grond van artikel 2 lid 5 van Pro het uitleveringsverdrag uitlevering ook kan worden toegestaan voor feiten die anders niet aan de strafdrempel voldoen, mits deze samenhangen met andere uitleverbare feiten. De Hoge Raad vernietigde daarom het oordeel van de rechtbank en verklaarde de uitlevering ook toelaatbaar voor het feit van medeplichtigheid door steun achteraf.
De Hoge Raad wees tevens op de suprematie van verdragsrecht boven nationale wetgeving (artikel 94 Grondwet Pro), waardoor de uitleveringswet buiten toepassing blijft voor zover deze niet verenigbaar is met het verdrag. De beroepen van de opgeëiste persoon werden voor het overige verworpen. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en raadsheren van de Strafkamer van de Hoge Raad op 17 maart 2026.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart uitlevering toelaatbaar voor het feit accessory after the fact of murder en vernietigt het oordeel van de rechtbank over de ontoelaatbaarheid daarvan.