Conclusie
1.Inleiding
2.Waar het in cassatie om gaat
3.Het procesverloop
.”
4.Het middel
De eerste deelklacht
NJ2022/46, r.o. 2.3.1:
De wet staat er niet aan in de weg dat een verandering van tijdstip op de voor de terechtzitting bepaalde datum wordt vastgesteld, maar de wet schrijft niet voor op welke wijze de wijziging van dat tijdstip aan de verdachte bekend moet worden gemaakt. Voorkomen moet worden dat de verdachte door zo een wijziging in zijn verdedigingsrecht – in het bijzonder het recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht – wordt benadeeld. Aan dat vereiste wordt in ieder geval voldaan door de betekening van de aanzegging van dat gewijzigde tijdstip of door betekening van een nieuwe dagvaarding of oproeping onder intrekking van de eerdere dagvaarding of oproeping.”
NJ2021/108 m.nt. Schutgens. Daarin wordt onder meer overwogen:
NJ2021/107 m.nt. Schutgens geciteerde) arrest
Riepan tegen Oostenrijkvan 14 november 2000 – waarin het ook ging om een geval waarin “the publicity of the hearing was not formally excluded” – immers dat “hindrance in fact can contravene the Convention just like a legal impediment”. Daarmee is duidelijk dat niet elke hindernis zonder meer een schending meebrengt van het vereiste van openbaarheid in art. 6 lid 1 EVRM Pro. [3]