ECLI:NL:PHR:2026:602

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
24/03658
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 26 Wet wapens en munitieArt. 36e lid 3 SvArt. 81 lid 1 ROArt. 131a SvArt. 326 lid 1 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatie over rechtsgeldigheid wijziging zittingstijd en telefonische deelname raadsman

De verdachte werd door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld tot 18 maanden gevangenisstraf wegens witwassen en het voorhanden hebben van een vuurwapen. De zittingstijd werd vervroegd van 15.40 uur naar 10.40 uur, waarbij de raadsman telefonisch werd geïnformeerd en uiteindelijk telefonisch deelnam aan de zitting.

Het cassatieberoep betrof twee klachten: ten eerste dat de verdachte niet rechtsgeldig over de gewijzigde zittingstijd was geïnformeerd, en ten tweede dat het onderzoek nietig zou zijn omdat de raadsman niet fysiek aanwezig was maar via telefoon deelnam. De Hoge Raad oordeelde dat de wet geen strikte vormvereisten stelt voor kennisgeving van tijdswijzigingen, zolang de verdachte niet in zijn verdedigingsrechten wordt geschaad.

Verder stelde de Hoge Raad dat telefonische deelname van de raadsman, hoewel niet voorzien in de wet, geoorloofd kan zijn op grond van jurisprudentie, mits de raadsman instemt en de communicatie met de zittingszaal adequaat verloopt. De openbaarheid van de zitting was niet geschonden. Het cassatiemiddel faalt en het beroep wordt verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; de veroordeling voor witwassen en wapenbezit blijft in stand ondanks wijziging zittingstijd en telefonische deelname raadsman.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/03658
Zitting30 juni 2026
CONCLUSIE
P.H.P.H.M.C. van Kempen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975,
hierna: de verdachte.

1.Inleiding

1.1
De verdachte is door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem bij arrest van 25 september 2024 (parketnr. 21-001923-23) wegens “witwassen” en “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. J. Kuijper, advocaat in Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

2.Waar het in cassatie om gaat

2.1
In deze strafzaak – waarin de verdachte is veroordeeld wegens het witwassen van een door misdrijf van de [sportclub] verkregen bedrag van € 831.929,50,- en het voorhanden hebben van een revolver Franchi RF 83 – werd het tijdstip van de terechtzitting gewijzigd van 15.40 uur naar 10.40 uur. Het openbaar ministerie had de raadsman van de verdachte daarvan zes weken van tevoren per brief op de hoogte gesteld. Op de zitting heeft de griffier telefonisch contact met de raadsman gelegd, die aan de griffier heeft medegedeeld dat hij in de veronderstelling was dat de zaak om 15.40 uur zou worden behandeld en dat hij de brief van het openbaar ministerie heeft gemist. Op voorstel van het hof neemt de raadsman vervolgens telefonisch deel aan de naar 10.40 uur vervroegde zitting.
2.2
Het middel valt uiteen in twee deelklachten. Volgens de eerste daarvan is het bestreden arrest nietig omdat de verdachte niet rechtsgeldig over de gewijzigde zittingstijd is geïnformeerd. De strekking van de tweede deelklacht is dat het onderzoek ter terechtzitting aan nietigheid lijdt nu dit (deels) niet in de openbaarheid heeft plaatsgevonden doordat de raadsman niet geacht kan worden aldaar fysiek aanwezig te zijn geweest en/of met de in de zittingszaal aanwezige personen communiceerde via een telefonische verbinding.
2.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het middel.

3.Het procesverloop

3.1
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 11 september 2024 houdt voor zover van belang het volgende in:
“De voorzitter deelt mee dat de aanvangstijd van de zaak aanvankelijk stond gepland om 15.40 uur en dat de aanvangstijd is gewijzigd naar 10.40 uur. Het openbaar ministerie heeft de raadsman van verdachte op 29 juli 2024 per brief hiervan op de hoogte gesteld.
Hierna legt de griffier telefonisch contact met de raadsman, die aan de griffier meedeelt dat hij in de veronderstelling was dat de zaak om 15.40 uur zou worden behandeld en dat hij de brief van het openbaar ministerie heeft gemist. Het hof biedt de mogelijkheid om telefonisch aan de zitting deel te nemen, waarmee de raadsman instemt. Hierop is een telefonische verbinding gelegd met de raadsman van verdachte.
De raadsman van verdachte mr. [betrokkene 1] , advocaat te [plaats] is vervolgens door middel van een telefonische verbinding aanwezig en verklaart uitdrukkelijk door verdachte gemachtigd te zijn de verdediging te voeren.”
3.2
Daarnaast blijkt uit het dossier dat op 5 juli 2024 een dagvaarding om te verschijnen op de zitting van 11 september 2024 om 15.40 uur, is betekend door uitreiking aan het openbaar ministerie op de grond dat van de verdachte ten tijde van die uitreiking geen vaste woon- of verblijfplaats in Nederland bekend was.
3.3
Op 5 juli 2024 is eveneens een dagvaarding uitgereikt door deze per brief te verzenden aan het door de verdachte in de Basisadministratie Personen (hierna: BRP) opgegeven adres in het buitenland, zijnde Frankrijk ( [a-straat 1] , [postcode] [plaats in Frankrijk] ).
3.4
Bij brief van 29 juli 2024 heeft het ressortsparket Arnhem in een niet-ondertekende brief, gericht aan de verdachte met als adres het in de BRP vermelde adres in Frankrijk, het volgende meegedeeld:
“Onderwerp Wijziging aanvangstijd dagvaarding van verdachte in hoger beroep
[…]
Eerder heeft u van mij een oproeping ontvangen voor de behandeling van uw strafzaak. De aanvangstijd is gewijzigd. U wordt nu verwacht om op 11 september 2024, te 10:40 uur te verschijnen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, Walburgstraat 2-4 te Arnhem
.
3.5
Aan de raadsman van de verdachte is bij brief van 29 juli 2024 een bericht toegestuurd dat identiek is aan de hierboven onder 3.4 geciteerde mededeling.

4.Het middel

De eerste deelklacht

4.1
De kern van deze klacht is dat niet kan worden vastgesteld dat de wijziging van het aanvangstijdstip aan de verdachte is bekendgemaakt op de in art. 36e lid 3 Sv voorgeschreven wijze, te weten door toezending daarvan aan het in het buitenland vermelde adres. Dit leidt volgens de steller van het middel tot nietigheid die, nu de verdachte niet op de zitting van 11 september 2024 om 10.40 uur is verschenen, niet voor gedekt kan worden gehouden, terwijl ook de aanwezigheid van een gemachtigd raadsman daaraan haars inziens niet afdoet.
4.2
Voor de beoordeling van de klacht is relevant hetgeen de Hoge Raad overwoog in HR 18 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:21,
NJ2022/46, r.o. 2.3.1:

De wet staat er niet aan in de weg dat een verandering van tijdstip op de voor de terechtzitting bepaalde datum wordt vastgesteld, maar de wet schrijft niet voor op welke wijze de wijziging van dat tijdstip aan de verdachte bekend moet worden gemaakt. Voorkomen moet worden dat de verdachte door zo een wijziging in zijn verdedigingsrecht – in het bijzonder het recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht – wordt benadeeld. Aan dat vereiste wordt in ieder geval voldaan door de betekening van de aanzegging van dat gewijzigde tijdstip of door betekening van een nieuwe dagvaarding of oproeping onder intrekking van de eerdere dagvaarding of oproeping.”
4.3
Uit deze overweging volgt dat de wet geen vormvoorschriften bevat voor de wijze waarop een wijziging van het aanvangstijdstip van een terechtzitting aan de verdachte moet worden meegedeeld. Doorslaggevend is of wordt voorkomen dat de verdachte door die wijziging in zijn verdedigingsrechten wordt geschaad, in het bijzonder in zijn recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht. De Hoge Raad noemt betekening van de wijziging of het uitbrengen van een nieuwe oproeping als voorbeelden van een manier waarop in elk geval aan dat vereiste is voldaan.
4.4
Tegen die achtergrond faalt de aan het middel ten grondslag liggende opvatting dat het ontbreken van een akte van betekening zonder meer tot nietigheid leidt. Een dergelijke eis vindt geen steun in het recht. Dat de kennisgeving van het gewijzigde tijdstip niet bij exploot aan de verdachte is betekend, brengt daarom op zichzelf nog niet mee dat het onderzoek ter terechtzitting nietig is.
4.5
Daarmee komt het erop aan of het oordeel van het hof, waarin besloten ligt dat de verdachte door de wijziging van het aanvangstijdstip niet in zijn verdedigingsrechten is geschaad en vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht, onjuist dan wel onbegrijpelijk is. Het antwoord op die vraag luidt mijns inziens ontkennend.
4.6
Daarbij neem ik allereerst in aanmerking dat de kennisgeving van het gewijzigde (naar 10.40 uur vervroegde) aanvangstijdstip voorafgaand aan de terechtzitting per gewone brief is verzonden naar het BRP-adres van de verdachte en overigens eveneens aan de raadsman is toegezonden. Dat de raadsman de aan hem toegezonden brief naar eigen zeggen heeft gemist, maakt op zichzelf nog niet dat moet worden aangenomen dat de verdachte daardoor daadwerkelijk in zijn aanwezigheidsrecht is geschaad. Van omstandigheden die erop wijzen dat dit wel het geval zou zijn, is niet gebleken. Zo heeft de raadsman blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 11 september 2024 niet te kennen gegeven dat ook de verdachte van het oorspronkelijke tijdstip van 15.40 uur uitging en dat de verdachte op dat latere tijdstip bij het hof zou zijn verschenen. Hetgeen de raadsman wel naar voren heeft gebracht wijst er juist op dat de verdachte ook op dat latere tijdstip niet aanwezig zou (hebben kunnen) zijn. De raadsman heeft immers medegedeeld dat de verdachte in Frankrijk verbleef en daar wegens bedreigingen ondergedoken zat. In cassatie wordt ook niet aangevoerd dat de verdachte daadwerkelijk voornemens was de zitting bij te wonen en die aanwezigheid ook zou hebben kunnen verwezenlijken ware het niet dat hij daarvan door de tijdswijziging is weerhouden. Niet is bijvoorbeeld ingebracht dat de verdachte onderweg was, voor de zitting in Nederland aanwezig was en/of op het oorspronkelijke tijdstip bij het hof is verschenen. Daarmee ontbreekt een concrete aanwijzing dat de verdachte door de wijziging van het aanvangstijdstip in zijn verdedigingsbelangen is geschaad. [1]
4.7
De klacht faalt.
De tweede deelklacht
4.8
Deze klacht richt zich tegen het kennelijke oordeel van het hof dat de raadsman door middel van een telefonische verbinding als aanwezig kan worden beschouwd bij de terechtzitting in hoger beroep van 11 september 2024.
4.9
Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 11 september 2024 blijkt dat de raadsman niet fysiek in de rechtszaal aanwezig was. Pas na telefonisch contact met de griffier ontdekte hij dat de terechtzitting was vervroegd van 15.40 uur naar 10.40 uur, de brief hierover van het openbaar ministerie had hij naar eigen zeggen gemist. Het hof gaf hem vervolgens de optie om telefonisch aan de terechtzitting deel te nemen, waarna hij via de telefoon verklaarde uitdrukkelijk gemachtigd te zijn om de verdediging te voeren.
4.1
De toelichting op het middel houdt in dat de raadsman niet aanwezig was op de terechtzitting. Van aanwezigheid in de zin van de wet kan volgens de steller van het middel alleen sprake zijn bij een directe beeld- én geluidsverbinding zoals bedoeld in art. 131a Sv. Een gewone telefonische verbinding voldoet daar niet aan. De tijdelijke coronawetgeving die telefonische deelname mogelijk maakte, geldt bovendien niet meer. Ook wordt aangevoerd dat uit het proces-verbaal niet blijkt dat de telefoon op luidspreker stond, zodat onduidelijk is of de rechters, het publiek en overige aanwezigen konden horen wat de raadsman zei. Volgens de klacht heeft het hof daardoor de behandeling deels buiten de rechtszaal laten plaatsvinden en/of zonder wettelijke grondslag buiten aanwezigheid van een procesdeelnemer met een kernrol gehouden. Daarnaast zou de openbaarheid van de terechtzitting zijn geschonden, omdat een deel van de behandeling feitelijk buiten het zicht en gehoor van het publiek plaatsvond. Daarbij wordt in de schriftuur verwezen naar rechtspraak van zowel de Hoge Raad als het EHRM, waarin is benadrukt dat openbaarheid van de terechtzitting een fundamenteel onderdeel is van een eerlijk proces en dat ook feitelijke beperkingen op publieke toegankelijkheid in strijd kunnen zijn met art. 6 EVRM Pro. Tot slot wordt aangevoerd dat de instemming van de raadsman met telefonische deelname deze gebreken niet kan herstellen. Die instemming geldt niet automatisch als instemming door de verdachte zelf, en bovendien kan volgens de steller van het middel geen afstand worden gedaan van fundamentele waarborgen zoals daadwerkelijke aanwezigheid van de verdediging en de openbaarheid van de zitting, omdat die waarborgen mede het publieke belang dienen.
4.11
De klacht stelt de vraag aan de orde of een inhoudelijke behandeling van een strafzaak in hoger beroep rechtsgeldig kan plaatsvinden indien de raadsman met diens instemming uitsluitend via een telefonische verbinding aan het onderzoek ter terechtzitting deelneemt.
4.12
Anders dan voor deelname door middel van een tweezijdig audiovisueel communicatiemiddel – zie art. 131a Sv – voorziet het Wetboek van Strafvordering niet in de mogelijkheid van louter telefonische deelname aan een inhoudelijke behandeling ter terechtzitting. Ook overigens ontbreekt een wettelijke regeling die een dergelijke wijze van deelname mogelijk maakt, zoals terecht is opgemerkt door de steller van het middel. Daarmee rijst de vraag of er daarvoor wel een jurisprudentiële grond bestaat.
4.13
Tot de voorhanden zijnde relevante rechtspraak van de Hoge Raad behoort onder meer HR 15 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2037,
NJ2021/108 m.nt. Schutgens. Daarin wordt onder meer overwogen:
“5.3.2 Aan het Wetboek van Strafvordering ligt als uitgangspunt ten grondslag dat een strafzaak wordt behandeld tijdens een fysieke zitting. Daaronder wordt verstaan een zitting waarbij in ieder geval de rechters, de griffier en een vertegenwoordiger van het openbaar ministerie in de zittingszaal aanwezig zijn. Ook de overige procesdeelnemers zijn in beginsel aanwezig in de zittingszaal. Die aanwezigheid in de zittingszaal is van belang voor onder meer het optimaal verlopen van de communicatie tussen alle bij de zitting betrokken personen en de mogelijkheid van waarneming van non-verbale uitingen bij het (ver)horen en ondervragen van personen. De wet sluit echter niet uit dat bij de behandeling van een zaak tijdens een fysieke zitting gebruik wordt gemaakt van een tweezijdig elektronisch communicatiemiddel. De navolgende regelingen zijn daarbij van belang.
[…]
5.3.7
Tijdens een fysieke zitting is de griffier aanwezig in de zittingszaal met het oog op de vervulling van de in artikel 326 lid 1 Sv Pro omschreven taak. Ook de vertegenwoordiger van het openbaar ministerie dient in de zittingszaal aanwezig te zijn. Indien de voorzitter dat toestaat, kan vanwege een reden die samenhangt met de uitbraak van de epidemie van COVID-19 een tweede vertegenwoordiger van het openbaar ministerie aan het onderzoek ter terechtzitting deelnemen door middel van een tweezijdig audiovisueel communicatiemiddel.
De raadsman heeft het recht aanwezig te zijn in de zittingszaal. Tevens heeft de raadsman in beginsel de mogelijkheid, zoals in de onder 4.2.5 weergegeven wetsgeschiedenis wordt bevestigd, dat hij aan het onderzoek ter terechtzitting deelneemt door middel van een tweezijdig audiovisueel communicatiemiddel of eventueel (groeps)telefonie. Voor het gebruikmaken van die mogelijkheid kan bijvoorbeeld aanleiding bestaan indien de verdachte aan het onderzoek ter terechtzitting deelneemt door middel van videoconferentie of een telefonische verbinding en de raadsman in dezelfde ruimte als de verdachte aanwezig wil zijn, of indien de raadsman niet in de zittingszaal aanwezig kan zijn vanwege een reden die samenhangt met de uitbraak van de epidemie van COVID-19. Het is daarbij aan de raadsman om aan te geven of, met het oog op het verlenen van rechtsbijstand aan de verdachte, hij aanwezig dient te zijn in de rechtszaal of dat hij kan deelnemen aan het onderzoek ter terechtzitting door middel van een tweezijdig audiovisueel communicatiemiddel of een ander tweezijdig elektronisch communicatiemiddel.
5.3.8
De beslissing van de voorzitter om de zaak tijdens de fysieke zitting inhoudelijk te behandelen terwijl één van de andere rechters aan het onderzoek ter terechtzitting deelneemt door middel van een tweezijdig audiovisueel communicatiemiddel, betreft een handeling waartegen geen hoger beroep of cassatieberoep openstaat. Indien de verdachte of de vertegenwoordiger van het openbaar ministerie zich niet kan verenigen met (de voortzetting van) een zodanige wijze van behandelen van de zaak op de terechtzitting, ligt het in de rede dat – met het oog op het bewerkstelligen van een zitting waarop alle rechters fysiek aanwezig zijn – een verzoek dan wel een vordering tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting wordt gedaan. Tegen de beslissing op zo’n verzoek of vordering kan wel worden opgekomen.”
4.14
Uit de onder 4.13 geciteerde overwegingen uit het arrest van 15 december 2020 maak ik onder meer op dat dat de raadsman, hoewel deze een kernrol vervult, niet behoort tot de procesdeelnemers die om van een fysieke zitting te kunnen spreken in elk geval in de zittingszaal aanwezig moeten zijn wanneer hij aan het proces deelneemt. Voorts is van belang dat de wet niet uitsluit dat bij de behandeling van een zaak tijdens een fysieke zitting gebruik wordt gemaakt van een tweezijdig elektronisch communicatiemiddel. [2] Dat neemt niet weg dat de raadsman het recht heeft aanwezig te zijn in de zittingszaal. Ook heeft de raadsman in beginsel de mogelijkheid “door middel van een tweezijdig audiovisueel communicatiemiddel of eventueel (groeps)telefonie” aan het onderzoek ter terechtzitting deel te nemen. De Hoge Raad geeft daarbij twee “voorbeelden”. Hieruit volgt dat er ook andere gevallen kunnen zijn waarin de raadsman aan het zittingsonderzoek deelneemt via “(groeps)telefonie”. Bovendien impliceert het eerste voorbeeld (de verdachte neemt aan het onderzoek ter terechtzitting deel via van videoconferentie of een telefonische verbinding en de raadsman wil in dezelfde ruimte als de verdachte aanwezig zijn) dat de optie om van telefonie gebruik te maken niet is voorbehouden tot gevallen die samenhangen met de uitbraak van de epidemie van COVID-19. Bij dit voorbeeld wijst de Hoge Raad er overigens op dat het aan de raadsman is om aan te geven of hij aan het zittingsonderzoek wil deelnemen door (fysiek) in de rechtszaal aanwezig te zijn of via een tweezijdig elektronisch communicatiemiddel.
4.15
Allereerst faalt de klacht dat uit het proces-verbaal niet blijkt dat de telefoon op luidspreker stond, zodat onduidelijk is of de rechters, het publiek en overige aanwezigen konden horen wat de raadsman zei. In het proces-verbaal van de terechtzitting van 11 september 2024 is opgenomen dat nadat de griffier telefonisch contact met de raadsman had gelegd en deze had ingestemd met de aan hem door het hof geboden mogelijkheid om telefonisch aan de zitting deel te nemen, telefonisch verbinding is gelegd met de raadsman van de verdachte. Hieruit kan worden afgeleid dat het bij de tweede verbinding niet langer om een verbinding tussen alleen de griffier en de raadsman ging. Bovendien blijkt uit het proces-verbaal van de zitting – waarin de griffier blijkens art. 326 Sv Pro “al hetgeen met betrekking tot de zaak op de terechtzitting voorvalt” aantekent – dat sprake is geweest van communicatie tussen de voorzitter en de raadsman, die immers het woord heeft gevoerd bij daartoe aan hem door de voorzitter geboden gelegenheden, en dat de raadsman en de advocaat-generaal op elkaar hebben gereageerd. Dat de raadsman heeft kunnen communiceren met de andere procesdeelnemers, kan tot slot worden afgeleid uit de zin in het proces-verbaal dat de raadsman “door middel van een telefonische verbinding aanwezig” is, waarmee naar ik begrijp is bedoeld dat de raadsman ondanks zijn fysieke afwezigheid verder normaal aan de zitting heeft kunnen deelnemen.
4.16
In het verlengde hiervan strandt ook de klacht dat de openbaarheid van de terechtzitting is geschonden, omdat een deel van de behandeling feitelijk buiten het zicht en gehoor van het publiek zou hebben plaatsgevonden. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 11 september 2024 is de zitting in het openbaar gehouden. Nu uit het proces-verbaal bovendien volgt dat sprake is geweest van communicatie tussen de raadsman en andere procesdeelnemers, terwijl er geen aanwijzingen zijn dat dit niet hoorbaar voor eventueel aanwezig publiek is geweest, is er geen grond om aan te nemen dat de zitting (deels) niet in de openbaarheid heeft plaatsgevonden. Overigens merk ik op dat zelfs wanneer hierbij sprake zou zijn geweest van belemmeringen voor het publiek, dit nog niet onmiddellijk zou meebrengen dat het vereiste van een openbare behandeling is geschonden. Zo overweegt het EHRM in het (in HR 15 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2008,
NJ2021/107 m.nt. Schutgens geciteerde) arrest
Riepan tegen Oostenrijkvan 14 november 2000 – waarin het ook ging om een geval waarin “the publicity of the hearing was not formally excluded” – immers dat “hindrance in fact can contravene the Convention just like a legal impediment”. Daarmee is duidelijk dat niet elke hindernis zonder meer een schending meebrengt van het vereiste van openbaarheid in art. 6 lid 1 EVRM Pro. [3]
4.17
Tevergeefs voorgesteld is ook de klacht dat het hof de behandeling zonder wettelijke grondslag deels buiten de rechtszaal heeft laten plaatsvinden en buiten aanwezigheid van een procesdeelnemer met een kernrol. Weliswaar ontbreekt daarvoor inderdaad een wettelijke grondslag, maar zoals hiervoor onder 3.13 en 3.14 blijkt, wordt die mogelijkheid wat betreft de raadsman wel geboden in de rechtspraak van de Hoge Raad. Voor de raadsman geldt niet dat hij in elk geval in de zittingszaal aanwezig moet zijn wanneer hij aan het proces deelneemt. Hij heeft wel het recht daartoe en in beginsel eveneens de mogelijkheid om via (groeps)telefonie aan het onderzoek ter terechtzitting deel te nemen in bijzondere gevallen. In een situatie waarin het voor de raadsman niet meer mogelijk was fysiek aanwezig te zijn op de zitting heeft hij, nadat het hof hem de mogelijkheid bood om telefonisch aan de zitting deel te nemen, te kennen gegeven dat hij op dat moment inderdaad op die wijze wilde deelnemen aan het zittingsonderzoek. Gelet op de bijzonderheid van de situatie was het hof mijns inziens bevoegd tot het bieden van deze mogelijkheid, terwijl het ook hier aan de raadsman moest worden overgelaten om aan te geven of hij aan het zittingsonderzoek wilde deelnemen door in de rechtszaal (fysiek) aanwezig te zijn of via een tweezijdig elektronisch communicatiemiddel. Daarom mist ook de klacht over de instemming door de raadsman doel.
4.18
Daarmee faalt ook de tweede deelklacht.

5.Afronding

5.1
Het middel faalt en kan worden afgedaan met toepassing van art. 81 lid 1 RO Pro.
5.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
5.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Vgl. het onder 4.2 genoemde arrest HR 18 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:21,
2.Vgl. niettemin voor zover het niet om een raadsman maar om een rechter gaat HR 25 mei 2021, ECLI:NL:HR:2021:769 (een Caribische zaak), waarin één van de raadsheren door middel van een audioverbinding aan het onderzoek ter terechtzitting deelnam. De Hoge Raad overwoog dat de toepasselijke wettelijke regeling niet voorzag in die wijze van deelname en dat daarom moet worden aangenomen dat de wetgever die mogelijkheid niet heeft willen bieden. Dat leidde in die zaak niet tot cassatie, omdat op de betreffende terechtzitting uitsluitend de sluiting van het onderzoek ter terechtzitting had plaatsgevonden en niet viel in te zien welk rechtens te respecteren belang de verdachte had bij vernietiging en terugwijzing van de zaak. Vgl. ook de conclusie van A-G Harteveld voor HR 15 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1453, randnr. 7.3-7.4, waarin wordt gerefereerd aan het hiervoor onder randnr. 4.13 genoemde arrest HR 15 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2037,
3.Zie ook EHRM 9 december 2025, nr. 13810/22 (