3.2Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 1 februari 2024 blijkt dat de raadsman van de betrokkene het woord tot verdediging heeft gevoerd aan de hand van zijn overgelegde en in het dossier gevoegde pleitnotities. Deze pleitnotities houden voor zover van belang in (met weglating van voetnoten):
“
OM: niet-ontvankelijk (artikel 74 AWR)
1. [betrokkene] is in zijn sinds 2011 lopende strafzaak - na verwijzing door de Hoge Raad - door uw Hof in 2018 alsnog vrijgesproken van witwassen van enkele bij hem aangetroffen voorwerpen. Het OM koos in deze aan deze ontnemingsprocedure ten grondslag liggende strafzaak ervoor om niet alle aangetroffen witwasvoorwerpen ten laste te leggen. [betrokkene] is in de door uw Hof op 22 april 2015 afgesplitste strafzaak wel veroordeeld voor het bezit van een (relatief kleine) hoeveelheid cocaïne en een vuurwapen. De bij [betrokkene] (overige) aangetroffen vermogensbestanddelen liggen via deze laatste veroordeling als ‘wederrechtelijk verkregen voordeel uit soortgelijke feiten’ aan de ontnemingsvordering ten grondslag.
2. Over dit volgens het OM ‘wederrechtelijk verkregen aangetroffen voordeel uit soortgelijke feiten’ legde de belastingdienst op 17 oktober 2015 een navorderingsaanslag van € 509.571 op. Met rente (€ 76.952) én een vergrijpboete vanwege het niet juist doen van de aangifte (€ 251.397) kwam deze navorderingsaanslag uit op een totaalbedrag van € 837.920. Het is onbetwist dat de navorderingsaanslag en vergrijpboete volledig zijn gebaseerd op de door het OM aan de belastingdienst gestuurde ontnemingsrapportage met betrekking tot onderhavige procedure: de navorderingsaanslag en vergrijpboete zijn (volledig) vastgesteld nadat bleek dat [betrokkene] beschikte over vermogensbestanddelen die niet in zijn aangifte inkomstenbelasting waren verantwoord.
3. Het ontnemen van vermogen door het OM en het opleggen van een navorderingsaanslag over datzelfde vermogen door de belastingdienst is een ongewenste samenloop. Het toentertijd geldende - en in de huidige versie ten aanzien van dit onderdeel gelijkluidende - Protocol AAFD stelt hierover het volgende:
“Dit protocol ziet primair op de afstemming tussen Belastingdienst en OM over (voorkoming van) samenloop tussen bestuursrechtelijke en strafrechtelijke afdoening. Een vergelijkbare vorm van cumulatie doet zich voor bij het ontnemen van wederrechtelijk verkregen voordeel. In artikel 74 AWR is al voorzien in een eenduidige anticumulatiebepaling bij ontneming inzake bij de belastingwet strafbaar gestelde feiten. Voor ontneming inzake andere delicten is echter geen vergelijkbare regeling getroffen: Vandaar dat het in die gevallen noodzakelijk is dat de Belastingdienst en het OM de handhavingsinspanningen op elkaar afstemmen.”
4. Het Protocol AAFD maakt ten aanzien van de daarin opgenomen afstemmingsverplichting uitdrukkelijk géén onderscheid tussen het ‘afpakken’ van wederrechtelijk verkregen vermogen uit ‘fiscale fraude’ en (andere) ‘criminele activiteiten’:
“Het OM heeft regels vastgesteld voor het strafrechtelijk afpakken van financiële opbrengsten uit criminele activiteiten. Onderdeel van die regels is onder meer dat afstemming plaatsvindt met de Belastingdienst. In het maatschappelijk verkeer genoten voordelen leiden immers in beginsel tot belastingheffing. Dat is niet anders als de voordelen wederrechtelijk zijn verkregen. Voorkomen moet worden dat de belastingheffing ter zake van wederrechtelijk verkregen voordelen en de strafrechtelijke ontneming van die voordelen op een ongewenste wijze op elkaar inwerken. Daarom is met het OM afgesproken dat de Belastingdienst de strafrechtelijke sanctionering en ontneming van wederrechtelijk verkregen voordelen zo min mogelijk belemmert.
Om te voorkomen dat de verdachte/veroordeelde nadat hem een ontnemingsmaatregel is opgelegd, of met hem een schikking of transactie met een ontnemingscomponent is getroffen, ook nog wordt geconfronteerd met belastingheffing over het wederrechtelijk verkregen voordeel, stemt het OM het voornemen tot ontnemen af met de Belastingdienst wanneer het geschatte voordeel ten minste € 5.000 bedraagt.”
5. Omdat in het onderhavige geval in strijd met het hiervoor aangehaalde openbaar gepubliceerde beleid zowel wordt ontnomen als wordt nagevorderd, is in de appelschriftuur van 29 oktober 2019 (als verzoek ‘b.’) verzocht om voeging ‘van alle documenten welke ten grondslag hebben gelegen aan, zijn opgesteld tijdens en naar aanleiding van het afstemmingsoverleg, c.q. het horen van de deelnemers daaraan.’ Tijdens de laatste regiezitting stelde de A-G hierover het volgende:
“Met betrekking tot het afstemmingsoverleg is mijn standpunt dat er geen aanknopingspunten zijn voor de aanname dat dit al heeft plaatsgevonden. Dat moet, zodra de uitspraak in de ontnemingsprocedure is gedaan, nog gebeuren. De Belastingdienst zegt ook: wij zitten op de tribune en houden in de gaten wat er gebeurt met de ontnemingszaak. (...) We hebben het dan over een fiscaal delict en dat is een andere situatie, maar levert wel een reden tot afstemming op. (...) In eerste aanleg heeft ook de parketsecretaris getracht om met de Belastingdienst in contact te komen, maar dat is toen niet gelukt omdat de Belastingdienst daarvoor geen aanleiding zag omdat de betrokkene niet belastingplichtig was in Nederland. Ik heb daar een e-mailbericht van.
(…)
Er moet dan afstemming plaatsvinden. De Belastingdienst laat de zaak nu liggen tot er een uitspraak in de ontnemingsprocedure is. Daarna wordt er afgestemd, dat moet dus nog gebeuren. Er heeft vooraf geen afstemming plaatsgevonden. Dat de Belastingdienst die aanslag oplegt, is om de termijn te redden, maar uiteindelijk wachten ze dus de afloop van de strafrechtelijke procedure af.”
6. Het Protocol AAFD gebiedt dat ter voorkoming van samenloop voorafgaand aan het uitbrengen van de ontnemingsvordering/het opleggen van de navorderingsaanslag onderlinge afstemming plaatsvindt. Dit heeft tot op heden niet plaatsgevonden. Hierdoor loopt parallel aan onderhavige ontnemingsprocedure ook de fiscale procedure waarin hetzelfde vermogen wordt ‘afgepakt’.
7. Tegen de navorderingsaanslag is op 21 april 2017 bezwaar gemaakt. Naar aanleiding daarvan erkende de belastingdienst dat, hoewel de navorderingsaanslag tijdig is opgelegd, het op juiste wijze bekendmaken daarvan pas na afloop van de reguliere navorderingstermijn plaatsvond. Hierop zijn bij de uitspraak op bezwaar van 6 februari 2023 de navorderingsaanslag met heffingsrente en de beschikking vergrijpboete vernietigd. Met deze uitspraak is de fiscale procedure definitief tot een einde gekomen. In de fiscale procedure ligt daarmee, eerder dan in onderhavige procedure, een definitief oordeel. Hierdoor is het OM niet langer ontvankelijk in haar ontnemingsvordering. Ik zal dat hierna uitwerken.
Reactie OM in het kader van de ‘schikkingsonderhandelingen’
8. Voornoemd verweer is al in het kader van de schikkingsonderhandelingen voorgelegd aan het OM. Op 21 december jl. schreef de A-G in reactie op de in dat kader gevoerde correspondentie en de bespreking op 28 november jl. dat het arrest haar
“niet tot het inzicht brengt dat de vordering moet worden afgewezen”. Dit omdat dit arrest volgens de A-G
“alleen ziet op het - kort gezegd - niet samengaan van fiscale fraude en ontneming. In casu is sprake van drugsgerelateerde inkomsten van betrokkene en is geen sprake van fiscale fraude”aldus de A-G. Daarenboven meent de A-G aan dat de navorderingsaanslag
“geen invloed [heeft] op de ontnemingszaak, zeker nu het bezwaar gegrond is verklaard, omdat de navordering te laat was en er dus niets betaald is aan de Belastingdienst door [betrokkene] .”Hierna ga ik in op deze twee standpunten.
Reactie: ‘afpakken’ ziet wel degelijk op ‘fiscale fraude’
9. Het standpunt van de A-G dat sprake zou zijn van drugsgerelateerde inkomsten is gebaseerd op een niet onderbouwde aanname. Daarover stelde uw Hof in het aan deze ontnemingsprocedure ten grondslag liggende ‘witwasarrest’ al vast dat
“geen direct bewijs aanwezig is voor inkomsten uit brondelicten”.
10. Bovenal oordeelde het Hof ten aanzien van de in de ten grondslag liggende strafzaak in het kader van witwassen tenlastegelegde vermogensbestanddelen dat de door [betrokkene] aangedragen legale herkomsten “
in onderling verband en samenhang en gelet op de documenten in het dossier concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk zijn. Al met al wordt de verklaring van de verdachte dat de in de tenlastelegging vermelde goederen een legale herkomst hebben, zodanig ondersteund dat de conclusie dat het niet anders kan zijn dan dat zij van misdrijf afkomstig zijn, niet gerechtvaardigd is.” Ook uit de ontnemingsrapportage blijkt niet dat het gestelde wederrechtelijk verkregen voordeel ‘drugsgerelateerde inkomsten’ (moet) betreffen.
11. [betrokkene] is in de afgesplitste procedure ‘slechts’ veroordeeld voor wapen- en drugsbezit. De aan deze veroordeling ten grondslag liggende strafbare feiten brengen op zich geen op geld waardeerbaar voordeel op. Ten tijde van het opstellen van de tenlastelegging zijn de vermogensbestanddelen waarvan het OM in deze ontnemingsprocedure op basis van een eenvoudige kasopstelling stelt dat dit wederrechtelijk verkregen voordeel uit soortgelijke feiten betreft, uitdrukkelijk ook niet als witwasvoorwerpen ten laste gelegd. Dit impliceert dat het OM deze vermogensbestanddelen niet als ‘witwasvoorwerpen’ kwalificeert. Omdat een criminele herkomst van dat vermogen niet kan worden vastgesteld, moet, net als in de casus van het aangehaalde arrest van de Hoge Raad, ervan uit worden gegaan dat dit geheel door belastingontduiking is verworven. Het deel dat na de betaling van belasting zou zijn overgebleven is legaal vermogen.
12. De navorderingsaanslag met beschikking vergrijpboete onderstreept dat de bij [betrokkene] aangetroffen vermogensbestanddelen die door het OM in onderhavige ontnemingsprocedure als wederrechtelijk verkregen voordeel uit soortgelijke feiten worden gepresenteerd door [betrokkene] niet fiscaal zijn verantwoord. Anders dan de A-G stelt, is ten aanzien van het als wederrechtelijk verkregen voordeel geduide vermogen dus wel degelijk sprake van ‘fiscale fraude’. Kortom, als gronddelict voor het bewezenverklaarde witwasfeit wordt in de strafzaak enkel uitgegaan van het fiscale verzwijgingsmisdrijf.
13. Overigens is de kwalificatie als een ‘bij de belastingwet strafbaar gesteld feit’ op zichzelf niet bepalend voor de ontvankelijkheid van het OM in een ontnemingsprocedure. Het genoten voordeel in de concrete situatie moet worden beoordeeld. Als dit correspondeert met het fiscale nadeel van de fiscus is het fiscale strafrecht het aangewezen instrument (artikel 74 AWR).
14. Net als in de aan de casus van het Hoge Raad-arrest ten grondslag liggende feiten zijn de aangetroffen vermogensbestanddelen niet verkregen uit bewezenverklaarde feiten. Net als in het arrest is de schatting door het OM van het wederrechtelijk verkregen voordeel gebaseerd op een eenvoudige kasopstelling. Er is geen aanwijzing dat
het voorhanden hebben- dus niet: omzet genererende ‘handel in drugs’ - van de relatief beperkte hoeveelheid drugs of het wapenbezit waarvoor de [betrokkene] is veroordeeld, [betrokkene] op geld waardeerbaar voordeel heeft opgeleverd. De justitiële documentatie van [betrokkene] vermeldt, uitgezonderd de onderhavige straf- en ontnemingszaak, verder geen justitiële contacten. Er moet dus van worden uitgegaan dat de aangetroffen vermogensbestanddelen zijn voortgevloeid uit delicten die bij de belastingwet strafbaar zijn gesteld, zoals de opgelegde navorderingsaanslag met beschikking vergrijpboete bevestigt. In zodanig geval bepaalt artikel 74 AWR dat artikel 36e Sr geen toepassing vindt.
15. Zoals hiervoor al betoogd, zijn de aan het arrest van de Hoge Raad van 23 november 2021 ten grondslag liggende relevante feiten en omstandigheden gelijk aan die in de onderhavige zaak. Overeenkomstig de in dit arrest neergelegde rechtsregel dient het OM daarom niet-ontvankelijk te worden verklaard in de ontnemingsvordering.
Reactie: niet innen belastingschuld doet niet terzake
16. Het OM stelt dat de omstandigheid dat de belastingschuld niet is betaald reden is om de navorderingsaanslag in onderhavige ontnemingsprocedure terzijde te leggen. Het is jammer dat het OM in de reactie niet ingaat op de tijdens de schikkingsonderhandelingen expliciet naar voren gebrachte annotatie van prof. G.J.M.E. de Bont in BNB 2022/35. Maar kort en goed: als de weg van een strafrechtelijke ontneming is doorkruist door een (definitieve) bestuursrechtelijke (fiscale) afdoening, doet de uitkomst van die fiscale afdoening voor de strafrechtelijke ontneming niet terzake.
17. Tot slot: de verdediging realiseert zich natuurlijk dat, in elk geval vanuit het vervolgingsperspectief, deze uitkomst onbevredigend is. Daarbij dient echter te worden bedacht dat het OM deze uitkomst volledig aan zichzelf heeft te wijten. Als het OM immers wel haar beleid had gevolgd en met de belastingdienst zou hebben afgestemd, was zij met de navorderingsaanslag niet in de wielen gereden. Dat het OM is ‘vergeten’ om af te stemmen, verrast. Al in de sinds 2006 geldende richtlijnen - toen nog ATV-richtlijnen geheten - wordt voorzien in afstemming tussen belastingdienst en OM. Dat hier sinds 2006 in de praktijk vaak geen gevolg aan wordt gegeven, komt geheel op het conto van het OM. De Hoge Raad oordeelde al in die zin in 2021. Dat [betrokkene] uiteindelijk over zijn ‘zwarte vermogen’ niets hoeft af te dragen valt niet te wijten aan ‘machinaties’ van zijn kant. Als de belastingdienst de navorderingsaanslag behoorlijk aan hem bekend had gemaakt, was [betrokkene] gewoon fiscaal ‘geplukt’.
18. Onder meezending van het voorgaande is uw Hof per e-mail van 10 januari jl. tevens gewezen op de legale zakelijke activiteiten van [betrokkene] in het verleden zoals aangehaald in de conclusie van antwoord (ronde II) van 28 februari 2019. Hierbij is tevens gewezen op het oordeel van uw Hof in de afgesplitste witwaszaak. Uw Hof oordeelde dat de in deze procedure afgelegde getuigenverklaringen met betrekking tot legale (contante) inkomsten van [betrokkene] , in onderling verband en samenhang en gelet op de documenten in het dossier, concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk zijn. Ondanks de aangetroffen hoeveelheid drugs en het vuurwapen oordeelde uw Hof dat de aangedragen legale herkomst zodanig is ondersteund dat de conclusie ‘dat het niet anders kan zijn dan dat de inkomsten van misdrijf afkomstig zijn’, niet gerechtvaardigd is. Waarna voor het witwasverwijt vrijspraak volgde.
19. Reden om dit opnieuw aan te halen is uiteraard omdat het OM opnieuw - nu niet in de strafzaak maar in de ontnemingsprocedure - de herkomst van de aangetroffen voorwerpen een ‘crimineel label’ meent te kunnen geven. Uw Hof oordeelde in de strafzaak echter, zoals gezegd, al in 2019 anders. Omdat dit oordeel in de ontnemingsprocedure als uitgangspunt dient, terwijl het OM geen andere feiten en omstandigheden aandraagt die tot een andere conclusie zouden kunnen leiden, dient de, verder ook niet nader onderbouwde aanname van het OM dat de aan de ontnemingsvordering ten grondslag liggende vermogensbestanddelen uit drugshandel (of welk misdrijf dan ook) afkomstig zijn, terzijde te worden geschoven.
20. De conclusie moet zijn dat voor ontneming geen plaats meer is omdat ten aanzien van de vermogensbestanddelen het fiscale invorderingsinstrumentarium uitputtend is aangewend. Het OM dient daarom niet-ontvankelijk te worden verklaard in de ontnemingsvordering.”