Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
23 november 2021.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
In deze zaak is het openbaar ministerie in cassatie gegaan tegen een uitspraak van het gerechtshof Amsterdam waarin het OM niet-ontvankelijk werd verklaard in een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel (wvv) na een veroordeling voor gewoontewitwassen en wapenbezit.
Het hof oordeelde dat op grond van artikel 74 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) geen ontnemingsmaatregel kan worden opgelegd met betrekking tot het voordeel dat correspondeert met het belastingnadeel, omdat de overheid hiervoor een eigen invorderingsinstrumentarium heeft. Het hof ging ervan uit dat de contante gelden waarvoor geen legale bron was gebleken, voortvloeiden uit fiscale delicten. Dit oordeel was gebaseerd op de verklaring van de betrokkene over niet opgegeven inkomsten en het ontbreken van aanwijzingen dat de bewezenverklaarde feiten voordeel hadden opgeleverd.
Het openbaar ministerie stelde in cassatie dat het hof ten onrechte het OM niet-ontvankelijk had verklaard. De Hoge Raad overwoog dat artikel 74 AWR Pro inderdaad een beperking inhoudt die voorkomt dat ontnemingsmaatregelen worden opgelegd voor het belastingnadeel zelf, maar dat dit niet geldt voor ander wederrechtelijk voordeel dat samenhangt met fiscale delicten, zoals voordeel uit witwasgedragingen met aan belastingheffing onttrokken vermogensbestanddelen.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof zijn oordeel begrijpelijk had gemotiveerd en dat het cassatiemiddel faalde. Het beroep van het OM werd verworpen, waarmee de niet-ontvankelijkverklaring van het OM in de ontnemingsvordering stand bleef.
Uitkomst: Het cassatieberoep van het openbaar ministerie wordt verworpen en het hof verklaart het OM niet-ontvankelijk in de ontnemingsvordering.