Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
102 moederplanten =
3.Beslissing
21 mei 2019.
Hoge Raad
In deze zaak stond de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit het telen en verkopen van hennepstekken centraal. Het hof had de handelsperiode vastgesteld van 1 april 2009 tot en met 24 mei 2011, op basis van getuigenverklaringen waaruit bleek dat er al in het begin van 2009 hennepstekken werden verkocht. De betrokkene voerde aan dat de periode korter moest zijn, uitgaande van het elektriciteitsverbruik dat pas vanaf mei 2010 fors toenam.
De Hoge Raad herhaalt dat bij ontnemingsvorderingen niet de grondslag van de hoofdzaak bepalend is, maar dat de ontnemingsrechter slechts beslist over de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Wel geldt dat het recht op een eerlijk proces vereist dat partijen de gelegenheid krijgen zich uit te laten over nieuwe feiten die het hof betrekt bij zijn schatting.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof terecht een langere handelsperiode hanteerde, omdat de getuigenverklaringen en het financieel rapport voldoende aanknopingspunten bieden dat de betrokkene al vóór 31 december 2009 hennepstekken verkocht. Dit is geen zodanig nieuwe omstandigheid dat partijen hier geen rekening mee konden houden, zodat er geen sprake is van een ontoelaatbare verrassingsbeslissing. Het cassatieberoep wordt verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op € 693.013,- over de periode 1 april 2009 tot 24 mei 2011.